Wat nog niet te zeggen is
en slechts uit kleur of klank bestaat
het ei dat nog te leggen is,
een kus, terwijl je ‘t huis verlaat.

Er is het station.
Verlaten.
De laatste trein is weg.
De nacht .

De volgende trein in de vroege morgen.

Is dat een goed beeld?
Je moet de nacht doorkomen, op een bank, in de hal.

De eerste trein.
Verschilt in niets met de gemiste trein, denk je.
Maar je stelt hem je voor terwijl je koukleumt, een voorbijwaaiende krant opvist, een denkbeeldige geliefde in een net zo denkbeeldig zalig bed omarmt, een wachtende dus.

Je weet dat de eerste trein in dat bleke licht van de vroege dag zal aankomen, dat er nog half slapende mensen zullen opstappen op weg naar hun werk terwijl de andere half slapende mensen zullen uitstappen, terugkomend van hun werk.

Waar wil je naar toe?
Jaja, naar die geliefde en dat bed.
Maar je weet wel beter.
Het zal het verlaten appartement zijn en terwijl iedereen de zotte morgen begint, probeer jij in te slapen.

Hier is dus de ‘auteur’ aan het werk geweest.
net zoals wij allemaal de voortdurende auteur van onze gedachten, wrevels, dromen, boodschappenlijstjes en alledaagse vragen zijn.

De vraag blijft open.
Kun je aan die woordenkraam ontsnappen terwijl je toch bij bewustzijn bent?

Kun je denken zonder taal?
Durf je afdalen naar de mysteries van het bijna woord, het eidetisch waarnemen zoals jonge kinderen dat doen, in een hoek van 180 graden dus, de verrukking.

Lange strepen lichtgelige boterwoorden waarmee je het dagelijks brood enige smaak denkt te moeten geven, o esthetica van het onvermogen, troost van de schoonheid minnenden die toch ook elke dag op het toilet zitten steunen terwijl buiten de zon achter de stadsmist ondergaat.

Jaja, dat jongleren is ons genoegen, is onze vreugde, verlost ons uit, goede morgen, heeft u goed gegeten, maar zie dat toch aan, en ge moest eens weten wat ik weet!

Maar de woorden roken naar de remmen.
Schril gepiep, een lange bijna onverdraaglijke toon.

Ge moet dat ding eens smeren, zegt de man tegen de kaartjesknipper, en staat er geen kind meer alleen op het perron?
De coupé lacht.
Het ijs is gebroken.

Ik moet aan Pasternak denken.
Zijn boek begint in diezelfde trein.

Als kind verbaasde ik mij dat de dingen vlakbij het raam zo snel voorbijvlogen terwijl ze verder af steeds trager en trager van de ene naar de andere kant van mijn venstertje schoven, om helemaal stil te vallen net achter de horizon.

Ik bedenk dat dit een mooi beeld voor dat woord is.
De snelheid van de berm, de dansende lijnen van de bovenleidingen, de woordenbrei van elke dag, en dan verder, de huizenrij, de weides, de gedachten die weldra zullen uitgesproken worden, om in de verte van het open land, daar waar de zon opkomt naar een verstilling te gaan (dat mooie woord verstilling!) waarin alles onbeweeglijk wordt, niet uitgesproken, geen eigendom van een bedenker, spreker of auteur.

Daar wil ik naar toe.
Ik zie je glimlachen, goede vriend.
Wie niet, wie niet, hoor ik je zeggen.
Dat zijn dus woorden.
Maar net daarvoor, gewoon wetend dat je mij zou horen; net daarvoor, dat ogenblik waarin we elkaar aankijken net voor het slapengaan of in het uur van onze dood.

Sluit de tempels, en reis meer met de trein.