Lieve vriend,

Een van de meest mysterieuze activiteiten is “het horen”.
Ik heb hier nog niet over de fysische werking van het gehoororgaan, maar nog een stapje verder terug wil ik het vooral hebben over wat je het innerlijk horen zou kunnen noemen.

Op dit ogenblik dat jij mijn brief leest, hoor je mij misschien praten, of terwijl je de letters leest van een boek zijn het vooral visuele beelden die naar analogie met jouw wezen in je innerlijk zichtbaar worden.

Het innerlijke oor.
In “L’ordre du discours”, de inaugurale rede van Michel Foucault voor het College du France, op 2 december 1970, zegt hij het zo:

“Heimelijk had ik de rede die ik vandaag moet uitspreken, en al het spreken dat hier wellicht jaren achtereen van mij verwacht wordt, willen kunnen binnensluipen.
Liever dan het woord te nemen was ik er door omwikkeld en tot ver voorbij elk mogelijk begin gedragen.
Ik had graag bemerkt dat ik op het moment dat ik spreek reeds lang door een naamloze stem ben voorafgegaan: ik had dan slechts hoeven inhaken, de zin vervolgen, mij zonder dat men er erg in had in zijn voegen nestelen, alsof deze stem, terwijl hij heel even stokte, mij een teken had gegeven.
Een begin was er dan niet geweest en het spreken was niet van mij uitgegaan.
Ik zou in plaats daarvan veeleer overgeleverd zijn aan het toevallige verloop ervan, een klein hiaat daarin, een mogelijk verdwijnpunt.

(Michel Foucault, Breekbare vrijheid, teksten & interviews, Boom, Parrèsia, A’dam 2004)

We zijn nu ongeveer bij het begin van onze correspondentie waarin jij het had over ‘het verdwijnen’ en waarin als je vroegere psychiater deze verdwijning in velerlei vormen heb geduid.

Op het moment dat de rede begint, het geschrift een aanvang neemt, het woord er staat, is het te laat.
Ze zijn aan het subject gebonden, ze verwijzen onmiddellijk naar een subjectiviteit, proberen duidelijk te maken wat door alle beperkingen van de auteur al niet meer duidelijk te maken is.

We komen dan terug bij mijn innerlijk horen.
Dat abstracte gevoel, dat niet beschrijfbare proces van het voorstadium van het geformuleerde woord.
Stel dat je het woord van zijn spreker of auteur kon losmaken, dat het gewoon naar zichzelf verwees, dat het niet moet worden “geselecteerd, georganiseerd, gecontroleerd en geherdistribueerd moet worden” om Foucaults indeling te gebruiken.

Door deze mechanismen proberen wij de gevaarlijke kanten van het woord te bezweren, het gebeurteniskarakter ervan te beheersen en de drukkende, vreeswekkende materialiteit ervan te ontwijken.

‘In een samenleving als de onze kennen we uiteraard uitsluitingsprocedures
De meest bekende: het verbod
We hebben niet het recht alles te zeggen, het taboe op het onderwerp, het ritueel van de omstandigheid, het exclusieve recht of privilege van de spreker, ziedaar de drie soorten verboden die elkaar kruisen, elkaar versterken of compenseren.
Wij trachten ons in het spreken van de macht meester te maken.

Een ander uitsluitingsprincipe: de scheiding die tot verstoting leidt.
De waanzin als scheidingsprincipe.
Aan hun woorden werden de gekken herkend zonder dat men in de voorbije tijden veel inspanning heeft gedaan om die woorden te duiden of het verschil te onderzoeken.

Een derde uitsluitingsprincipe is het verschil tussen waar en onwaar.
Een constante die dwars door ons spreken heen loopt.

‘Hoe zou men redelijkerwijs een parallel kunnen trekken tussen de dwang die uitgaat van de waarheid en die scheidslijnen, die in aanvang willekeurig zijn, of in ieder geval vanuit historische toevalligheden ontwikkeld worden?’

Je zou dus kunnen zeggen dat deze scheiding historisch is ontstaan.
Steeds blijven we naar nieuwe vormen zoeken om onze wil tot waarheid uit te drukken.

Drie grote uitsluitingssystemen dus:
-het verboden woord
-de verstoting van de waanzin
-de wil tot waarheid

Wel vreemd dat ‘de wil tot waarheid’ ook als een uitstotingsverschijnsel wordt benoemd, maar het is juist deze wil van voortdurend codificeren, rationaliseren en rechtvaardigen waarmee wij uitstoten.

‘…ik denk voorts aan de manier waarop een zozeer uit voorschriften bestaand stelsel als het strafrecht naar zijn grondslagen of zijn rechtvaardiging heeft gezocht, eerst natuurlijk in een rechtstheorie, vervolgens , vanaf de negentiende eeuw, in een sociologisch, psychologisch, medisch, psychiatrisch weten, alsof het woord van de wet in onze maatschappij alleen nog maar bekrachtigd kon worden door een op waarheid georiënteerd spreken.

In deze vroege rede zit bijna al het werk dat hij gaat ondernemen al vervat.

Kunnen we dus wel “innerlijk horen”, en als we dat al kunnen is er dan een mogelijkheid om daar een taalkundige beschrijving van te geven?

Het gevaarlijke woord staat te trillen, schuimt van woede of lacht zich krom, het misleidt of oriënteert, het selecteert, en zoveel meer, maar het blijft steeds aan de spreker gebonden, en als wij het over wetenschap of kunst moeten hebben, sleuren we die ballast-vaak onbewust- steeds met ons mee.

Er zijn gelukkig grote geesten zoals Foucault die ons wellicht niet van de angst kunnen bevrijden maar ons minstens de moed schenken om ons bij de mislukkingen en nederlagen niet neer te leggen, maar dit rekbare woord te laten aansluiten bij de grote stem waarin wij gedragen worden maar waaraan deelnemen toch weer telkens ‘beginnen’ wil zeggen.

In het begin. Je kent dat verhaal nog wel.