Ook deze stilte is mij lief
zoals het knippen met je vingers
in de kathedraal, of het opstuiven
van duiven, en wie van duiven
of van kippen houdt
zal begrijpen wat ik bedoel
als ik de leegte van de eierschaal
vereer, het gebroken huis
waarop eens de kippenkont
een nieuw imago van zichzelf broedde.

in de verte slijpen de poeliers hun messen.

en wie zijn wereld openbreekt, een piepkuiken
groot zijn je gedachten, wie al tjilpend
achter het eerste wezen rent dat in zijn blikveld komt
god de heer of ratio, of driemaal niks
een heer van stand of lichtekooi
verlangt te veel en wil zo vol
zijn als zijn ei van ooit

in de verte slijpen de poeliers hun messen

het kakelen zit ons in het bloed, en
ook het pikken op de eigen soort
is ons met een beetje vleugelslag van in het ei gegeven.

kijk naar het kind
het legt zijn oor
op moeders lege buik
en luistert naar de leegte
van het heelal
loopt niemand achterna, bepaalt
zijn koers vanuit gebroken schalen

en fluit een liedje naar de poeliers met hun werkeloze messen