Laten we vandaag terugkeen naar onze bedenkingen over ‘de lust’, beter, ‘het gebruik van de lust’ zoals Michel Foucault zijn geschiedenis van de seksualiteit noemt.

Keren we terug naar het zogenaamde heidendom, de Griekse en Romeinse culturen, die wij terecht de bakermat van het Europese denken noemen.

Laten we één van Foucaults stellingen duidelijk maken:

Wij zouden veronderstellen dat hetgeen waarmee het Christendom problemen had (monogame trouw, homoseksuele relaties, kuisheid) vanzelfsprekend was voor heidense culturen als de Griekse, of Grieks-Romeinse.
Niets is minder waar.

Je zou gemakkelijk nauwe samenhangen kunnen aantonen tussen de vroegste Christelijke doctrines en de moraalfilosofie van de Oudheid.

Zo verwijst Michel Foucault naar hoofdstuk X van boek II “De leidsman” van Clemens van Alexandrië, een zeer vroeg Christelijk geschrift, dat aan seksuele praktijk in het huwelijksleven is gewijd.

Je ziet duidelijk dat hij daarin een aantal bronnen, beginselen en voorschriften vindt die rechtstreeks aan de heidense filosofie zijn ontleend.
Er is daar al sprake van een zekere koppeling tussen de seksuele activiteit en het kwaad, de verwerping van seksuele relaties met hetzelfde geslacht, en de verheerlijking van de onthouding.

En meer zelfs.
In de ontwikkeling van de Christelijke ethiek en de genese van de moraal van de moderne Europese maatschappijen, zijn er heel wat duurzame thema’ s die in het Grieks-Romeinse denken aanwezig waren.

In Aretaeus’ “Oorzaken en symptomen van acute en chronische kwalen”, boek II hoofdstuk vijf, zijn bepaalde gemakkelijke obsessies uit de geneeskunde en de pedagogie, die we sinds de 18de eeuw kennen, reeds aanwezig.
Lees maar:

‘Jongelui die aan zaadverlies lijden dragen in al hun lichamelijke gewoonten het stempel van verval en afgeleefdheid met zich mee;
ze worden laf, krachteloos, loom, stompzinnig en verzwakt, ze krijgen een kromme rug en zijn tot niets in staat, ze hebben een bleke witte en verwijfde kleur, ze tonen eetlust noch enthousiasme, ze hebben logge ledematen en stijve benen, ze zijn uiterst zwak, kortom, nagenoeg geheel verloren.
Bij menigeen leidt deze ziekte zelfs tot verlamming; hoe zou het zenuwvermogen immers niet worden aangetast als het natuurlijk regeneratieprincipe en de bron van het leven zelf worden verzwakt?
Deze op zichzelf beschamende ziekte is gevaarlijk in zoverre ze tot verslapping leidt en schadelijk voor de maatschappij in zoverre ze de voortplanting van de soort in de weg staat;
omdat ze in alle opzichten bron van ontelbare kwalen is, vereist ze snelle hulp.

We zijn hier in de eerste eeuw van onze jaartelling, en zijn opgestoken vinger is geen eenzame vinger, integendeel!
We spreken dus wel duidelijk over een heel oude vrees.

Je moet dus de problematisering niet dadelijk (alleen) bij een breuk tussen christendom en heidendom gaan zoeken.
Wel waren in het antieke denken de soberheidseisen niet tot een eenvormige, autoritaire en ieder in gelijk mate verplichtend, tot een soort eenheidsmoraal geordend.
Foucault noemt hen ‘aanvullend’, een ‘luxe’, ‘ze deden zich trouwens voor als verspreide bronnen’.
Het ging hier eerder om aanbevelingen dan voorschriften en verschilden onderling ten zeerste naargelang de filosofische school tot dewelke ze behoorden.

’We moeten opmerken dat deze soberheidsthema’ s niet samenvielen met de scheidslijnen die de belangrijke, burgerlijke of godsdienstige verboden mogelijk trokken.’

Zo’n denkmanier wordt duidelijk in de zeer specifieke asymmetrie in heel dit morele denken over het seksuele gedrag van mannen tegenover vrouwen.
In het algemeen zijn de vrouwen tot buitengewoon strikte regels verplicht; en toch richt deze moraal zich niet tot vrouwen; hun plichten noch hun verplichtingen worden in herinnering geroepen, gerechtvaardigd of uitgewerkt.

Het is duidelijk een mannenmoraal waarin vrouwen louter als object voorkomen.
Het is een moraal vanuit het gezichtspunt van de mannen om een vorm aan hun gedrag te geven.
Meer nog, het zijn zelfs stileringen van een activiteit tijdens hun machtsuitoefening en vrijheidspraktijk.

Het wordt dus duidelijk dat we niet naar fundamentele VERBODEN moeten zoeken, maar zegt Foucault, we moeten proberen te achterhalen vanuit welke ervaringsgebieden waarin de antieke vrije man zijn leven kon ontplooien, en in welke vormen, het seksuele gedrag werd geproblematiseerd.

En hij beschrijft dan vier gebieden waarin deze problematiek gesteld werd:
Waarom werd de genotspraktijk juist naar aanleiding van het lichaam, de echtgenote, de knapen, en de waarheid een probleem?

Hoe werd het seksuele gedrag, in zoverre het verschillende relatietypen impliceerde, als moreel ervaringsgebied gedacht?

Jaja, het woord is gevallen.
De MORAAL.

Zullen we volgende week proberen een stapje verder te zetten op dit glibberig terrein?
We zijn in goed gezelschap.


De mooie terracotta bovenaan is van de blinde Joodse kunstenares Lea Majaro-Mintz uit Tel Aviv, het grappige masturbatie-kitje was een Valentijnssuggestie en de jongen met de moede ogen komt uit een heus Amerikaans boek waarin ‘de daad’ niet done wordt voorgesteld, anno 2005.