het ene bad is het andere niet (510)

Ik weet niet of François Boucher geglimlacht had, mocht hij zijn schilderij de badende Venus nu zien hangen in het Louvre terwijl onder dit tafereel het bordje “sortie de secours” is opgehangen.

Ik weet het, je moet naar het kunstwerk kijken, maar waar ik ook kom, telkens zie ik eerst dergelijke dingen, gekke associaties, bijzondere details, kortom van de prikkeldraad met de dubbele AA tot in het Louvre waar de badende Venus altijd weg kan mocht zij het klassieke hazenpad moeten kiezen voor welke onbeschaamde blikken dan ook.

Van die ene badende naar de andere “badenden” want de picturale expressie is nogal voor de badkamer-taferelen geweest, al was de wasplaats wel ruim bemeten zeker als ze in open natuur plaatsvond (ik denk aan de badenden bij de ruïnes!)

Je zou denken dat de achttiende eeuw een voorbeeld van lichaamshygiëne was als je dit zou afleiden uit het aantal afbeeldingen van (meestal) badende wezens van het vrouwelijk geslacht.

Ik weet het, een man in bad, het is geen gezicht en daarom hierbij heel kleintjes één van de weinige schilderijen waarin zo’n wezen aanstalten maakt tot baden.
In de Griekse oudheid hield men het daarom terecht bij mooie jongens maar dat is inderdaad lang geleden.
De schoonheid blijft zich vermommen.

Het is gek, maar de “badenden” zijn nooit aan het baden.
Water ontbreekt vrijwel altijd op deze taferelen.

Ik hoor je al roepen: je vergeet Bonnard, en inderdaad, hij heeft een soort wezen in bad neergelegd, maar dat is meer een rechtlijnige zonder aangezicht die de badkuip vult, en al acht ik Bonnard zeer, zijn bad-verbeelding liet hem toch even in de steek toen hij deze mevrouw in het water borstelde.

Maar ga zelf maar na, er wordt vrijwel nergens een wassende of badende activiteit uitgeoefend.
Men is op weg naar, ligt op het zand, leunt tegen de rotsen, kortom men is vrijwel naakt, vrouwelijk en kromt de rug.

Waarschijnlijk was in de achttiende eeuw het badwezen ook niets anders dan deze activiteit.
Mannen stonken.
Vrouwen probeerden zich te fatsoeneren, iets wat naareglang het inkomen min of meer lukte.

Je zou dus kunnen zeggen dat badenden eerder mannelijke verbeeldingen waren waarin het zich reinigen slechts diende om het geliefde wezen van kleren te ontdoen.
Zo, nu zijn we helemaal in de achttiende eeuw.

Daarbij komt dat schilders en beeldhouwers wel konden pronken met zwierige kledij, plooien en kantjes, soirées, mantels en brokaat, maar…het water stelde hen voor heel andere problemen.

Goed, de zee was groot, kon golven, schepen kon je stormen laten trotseren, beekjes ruisten bij voorkeur in de verte en nachtelijke plassen en plaatselijke meertjes waren ook erg in wegens hun egale tonaliteit.

Opspattend water, of druppels die langs de mooie schouders en borsten glijden, het zou iets worden voor de fotografie en het filmwezen van de twintigste eeuw.

Maar kijk nu naar Ingres mooie badende hiernaast.
Wie naar Parijs reist kan in het Louvre een prachtige overzichtstentoonstelling van deze schilder gaan bekijken.

Maar, waar is het water, meneer Ingres?
Kijk, het komt in een heel fijn straaltje aan haar voeten uit een gouden leeuwenkopje gestroomd.

Ze moet dus maar even haar linkerbeen op de grond zetten, het rustbed verlaten en ze staat in het water.

Ingres schildert haar op haar rug terwijl de meeste mannelijke soortgenoten haar vooraan zouden portretteren.

Wacht ze op iemand, of wacht ze tot het bad is vol gelopen?
Ze kijkt alvast niet naar het water.

Er is ook iets met haar hals, denk ik.
Haar nek is in verhouding te lang zodat het hoofd een beetje een rare draai maakt.
Maar dat is een detail, het gaat om die prachtige rug, dat landschap waarop iemand zijn naam kan schrijven, of waarachter de geliefde zich kan verschuilen om dan zachtjes haar schouder te kussen terwijl hij haar voorzichtig omarmt.

Dat afgewend zijn is dus niet een pseudo-kuise oplossing, het is integendeel bijna een uitnodiging om haar heel zachtjes aan te raken.

Zoals water over je huid loopt.
Of sneeuw het landschap vult

Je zegt geen woord,
maar je lippen kussen haar
op de ronding van haar schouder.

Je blijft samen zitten op het zachte bed.
Je luistert naar het water.

Buiten bestaat niet meer.
Alles is nu binnen.


een vrouw van vlees en bloed (509)

 

 

Ik heb deze zomer voor jou alleen meegebracht

Het grasland van je borstkas is uitgedroogd.
Je schrijft deze dagen geen brieven.
Een tumult van tranen is er
In je getemperde brieven.
Je lijf is zo teder; met heel veel
Armen verlang ik je te bedekken.

Niemand loopt er in deze zomerstraat rond, uitgezonderd
De postbode die zijn tas met gewurgde brieven draagt,
En het meisje dat haar kindergeheimen verloor
Toen de vreemde zomervogel
Die alle stromen uitdrinkt in één vlugge slok,
Zachtjes aankwam, de rotsen werden wakker
Kinderen weigerden te spelen
Beneden in de zon die dagelijks in bloed sopt en opkomt
In een leeg huis,
De telefoon rinkelde lange tijd nu
Meisjesogen drijven weg in wasem.

In een vroegere zomer, te heet
voor bomen om op hun plaats te blijven,
noemde je mijn lichaam een levend uitspansel
Ik vond als ik wakker werd
de handtas, waarin ik je kussen had opgestapeld
met onze ruzies stijf van het tranenzout,
geopend
Deze zomer brengt de scherpe geur van
een gedoofde lamp mee
die ik allen voor jou meebracht.
Schrijf me brieven. Schrijf.

KUTTI REVATHI (INDIA)

Ze is nog erg jong.
Geboren in 1974, en Kutti Revathi is de schuilnaam van Dr. S. Revathi, een Tamil dichteres.

In haar werk onderzoekt ze en brengt ze een lang gekoloniseerd koninkrijk in beeld: de kaart van het lichaam van een Tamil-vrouw.

In 2002 publiceert ze haar tweede boek “Mulaigal” (borsten), en dat bracht een storm van protesten te weeg vooral vanuit de conservatieve kant van het literiare Tamil etablishement.
Een groep van filmliedjesschrijvers voelde zich aangesproken en verdoemde het boek.
Ze riepen zelfs op de dichteres te verbranden.
Er volgden obscene telefoontjes, dreigbrieven en commentaren op de moraal en de sexuele frustraties van de schrijfster.

De Engelse vertaling is van N.Kalyan Raman.

BREASTS

Breasts are bubbles, rising
In wet marshlands

I watched in awe — and guarded —
Their gradual swell and blooming
At the edges of my youth’s season

Saying nothing to anyone else,
They sing along
With me alone, always:
Of Love,
Rapture,
Heartbreak

To the nurseries of my turning seasons,
They never once forgot or failed
To bring arousal

During penance, they swell, as if straining
To break free; and in the fierce tug of lust,
They soar, recalling the ecstasy of music

From the crush of embrace, they distill
The essence of love; and in the shock
Of childbirth, milk from coursing blood

Like two teardrops from an unfulfilled love
That cannot ever be wiped away,
They well up, as if in grief, and spill over

Zijzelf in een niet gepubliceerd intervieuw zegt het volgende:

To ignore women’s responses and to suppress expressions of their minds are not new to the Tamil tradition.
A woman is always considered to belong to the third – and lowest – category of human beings. Because women’s reactions and ideas are suppressed in our society, they fail to evolve into a robust discourse.
Even today, the debate continues to be based solely on western feminism, with the intellectuals in Tamil Nadu making a continued efffort to assimilate its ideas.
Even ideas on sex are perceived from the vantage of western feminism. But the politics of women’s bodies in Tamil Nadu is unique in itself.
Therefore, ‘Tamil feminism’ must formulate itself, taking into account Tamil culture, and the nature of women’s existence in a Tamil Nadu which is no more than a unit enjoying the benefits of the Indian republic’s larger political arena.
Further, there is a need for continuous exchange of ideas on Tamil feminism between women writers in Tamil, on the one hand, and the community of intellectuals and academics in Tamil Nadu, on the other. And there must be an integrity to this exchange.
Women readers shake the dormant images in my poems into wakefulness through their sustained effort and joyfully share this experience with me. Even the act of denying women’s responses an active existence in society is nothing but a cunning ploy of patriarchal society to conquer and defeat the ability of women to think and act.

En laten we nu maar niet geloven dat dit ver van huis is.
Het lijf heeft zo zijn redenen, en ook deze kunnen bezongen worden.


Je ziet de beelden van Shiva en Parvati, eerste helft 11de eeuw, Tamil Nadu (Zuid Indië)
De vrouw die haar borst toont is een schilderij van Tintoretto, 1570


het blauw-rode uur (slot) (507)

 

Max Ernst (1891-1976) maakte van het blauwe uur, die blaue Stunde, deze rode collage-prent.
Als overlevende van de surrealistische avant-garde (hij stierf op 1 april, één dag voor zijn 86ste verjaardag) kun je dat wel duiden, want ook de kleuren horen niet per sé bij woorden.

Sneeuw is wit, maar wie het blauwe uur heeft meegemaakt kan er anders over oordelen, en bij het dooien begint dat witte er ook heel anders uit te zien, vermengd met menselijke autosporen en de nodige zure regen.

Het blauwe uur is een bedrieglijk uur.
Het brengt je met één been in wonderland, maar wie naast dat ene been ook nog zijn neus buiten steekt, weet dat zelfs de volle maan hem niet tegen de bijtende kou kan beschutten.

En ook Max Ernst nam heel wat schijngestalten aan.
Geboren als Duitser, daarna Amerikaan en tenslotte Fransman was het een aardige exponent van zijn universaliteit.

André Breton’s Surrealist Manifesto of 1924 proclaimed “pure psychic automatism” as an artistic ideal, emphasizing inspiration derived from the chance juxtaposition of forms and the haphazard use of materials.

Dat pure automatisme en die veelheid aan materialen lagen in het natuurlijk verlengde van de psychoanalytische speurtocht naar het onderbewuste.

Kijk nu naar dit werkje rechts, en als je dan de titel leest:

Little Machine Constructed by Minimax Dadamax in Person (Von minimax dadamax selbst konstruiertes maschinchen)

…dan moet je misschien glimlachen met het kinderlijke, maar het is dan 1919-1920.
De grote wereldbrand smeult nog na en de nieuwe regimes zijn in wording.

Helemaal fraai wordt het als je de gehele tekst leest:

Ernst’s machine is a fantasized solution to the psychological pressures of sexual Performance, as announced in the humorously heroic inscription at the bottom of the sheet: Little machine constructed by minimax dadamax in person for fearless pollination of female suckers at the beginning of the change of life and for other such fearless functions. The right side of the machine seems to comprise a miniature laboratory for the production of semen, which is indicated as a red drop that courses through passageways to the left side of the apparatus. The drop finally issues from the yellow faucet, accompanied by a whimsically self-assured and cheerful “Bonjour.” Alternatively, the machine can be seen as a combination of male and female halves. The female (at the right) is dowdy and angular; the more brilliantly colored male (at the left) “fearlessly” points away from her.

Mijn afdruk is wat klein om de beschreven details weer te geven, maar het kern-idee zal de lezer wel duidelijk geworden zijn.

 

 

 

 

 

 

Ik toon je mijn laatste foto uit mijn sneeuwserie.
Mijn blauwe uur heeft de uitroep die hier met prikkeldraad is beschreven: tweemaal de letter a, en het is aan iedereen persoonlijk of deze dubbele aa een pijnkreet of eerder verwondering of zaligheid moet uitdrukken.
Laat het ons maar bij een mix van de drie substanties houden.

Achter deze ijzeren letters staat trouwens de mooie boom van alle seizoenen.
Een troost?

De volle maan lacht zich krom, zo krom dat ze weer mooi rond is.
Een grote ronde O aan de nachtelijke vrieshemel.

Ik leer geduldig het leven verder lezen.


het leven, een ogenblik (506)

Of hij dan onmiddellijk terugdacht aan Sint-Petersburg?
Neen.
Terugdenken gebeurt op een ogenblik van inkeer, van bewustzijnsvernauwing.
De straten van het provinciestadje waar je geboren bent zijn ook niet te linken aan de stilte in het Sint-Jansbos, en wie dacht er tenslotte aan de duizenden jongens die hier en in de wijde omgeving elkaar te lijf gingen, geboekstaafd als het Von Runstedt-offensief.

Nochtans als je in de diepte van de foto kijkt, moet je hen horen lopen.
Of ze wachten in hun schutterskuilen, luisteren naar het vallen van de sneeuw en of de naderende stemmen een Schwabische tongval hebben of de rauwe Zuiderse tonen van New Orleans.

Je bent tenslotte Spielberg niet al loop je over de locatie waar het echt gebeurde, al is het geroep van kinderen in de verte een associatie met het walgelijk gejammer van de stervenden.
Mutti, o Mutti, Mother, o Mother.

Dus is Sint Petersburg nog verder weg, de locatie waar je boek begint, je lievelingsdichter woonde, de Neva onder het ijs door naar de Finse golf stroomt terwijl op haar witte huid de tramlijn naar de andere oever loopt.

Je over-overgrootvader zag er de eeuw kantelen, maar toen was de eerste maart 1881 al geschiedenis.
De dag waarop een dertienjarige bakkersjongen het leven liet toen terroristen van Narodnaja Volja (Wil van het Volk) een bom lieten ontploffen om de tsaar te doden.
Hij, de over-overgrootvader, stond er als dertienjarige vlakbij, en voelde de sneeuw trillen toen een tweede ontploffing Alexander II, uitgestapt om te kijken of hij hulp kon bieden, dodelijk verwondde.
En een derde dertienjarige, Nicolaas, de kleinzoon van de stervende tsaar zag zijn grootvader hevig bloedend het Winterpaleis binnenbrengen.
Hij stond op het punt om te gaan schaatsen.

Het was de dag van de drie dertienjarigen.
Een toevallig passerende bakkersjongen, je over-overgrootvader die een week eerder in Petersburg was aangekomen en de dertienjarige Nicolaas die in 1918 onder een regen kogels zou sterven, zijn dertienjarige zoon in de armen, terwijl jouw grootvader vier jaar eerder onder één van de Naamse forten zou bedolven worden.

En op die eerste maart verschuif jij de geschiedenis naar de tweede wereldbrand en hoor je de jongens roepen, de hospik uit Nebraska vraagt een jeep, de jongen uit München roept op zijn moeder.

En dat gebeurde in die stilte die op deze foto aanwezig is, en ik verzwijg het onzegbare want de dood stinkt, en zelfs het mooiste sneeuwlandschap zal het jongensbloed niet stoppen, integendeel: zichtbaarder dan ooit loopt het, drupt het, bevriest het weldra onder de hompen armen en benen die zo-even nog bij een jongeman hoorden.
Met die hand stak hij een sigaret aan.
Met dat been liep hij de heuvel op.

Tussen 1881 en 2006 liggen 125 jaar.
Moet er toch niets gevierd of herdacht worden?

In die ogenblikken tussen het kijken naar de weg en de klik van het foto-apparaat vullen miljoenen levens de voorbije 125 jaar.
Ik sta aan de rand.
De lange weg is leeg.

Begrijp je dat met zoveel mensen in mijn hoofd ik hoorbaar hijg.
Zoals de chauffeur van de ziekenjeep die naar Bastogne rijdt.
Zoals de bevende Duitse jongen die oog in oog met een Amerikaanse leeftijdgenoot staat, net voor het schot klinkt.

Klik, zegt het foto-apparaat.

Tussen Sint-Petersburg en dit Waalse dorpje, tussen 1881 en 2006, zal het altijd blijven sneeuwen.

De tram host de Neva over, het zware Krupp-kanon schiet het Luikse fort aan diggelen en in de sneeuw liggen twee jongens die niet meer thuiskomen.

Ik ben dan één jaar oud.


boom bij het sint-jansbos (506)

 

 

De boom mijns levens staat boven de helling, dicht bij het Sint Jans-bos, en toch helemaal alleen.
Hij is geen naaldboom, verliest dus zijn gebladerte, en in de zomerhitte zorgt hij voor koeien-schaduw.

Hier zie je hem in de herfst van 2004.

Ik weet niet wat ik het meest aan hem bewonder.
Is het zijn waaiervormige kruin, zijn eenzame plaats tussen het dal en de naaldbossen, zijn evenwicht en standvastigheid?

Ik kijk naar hem.
Al jarenlang.

We hebben telkens gezegd dat hij een prachtige boom is, en dat blijven we herhalen.

Op een mooie website (http://www.franceweb.fr/poesie/enfants/poeme)vond ik deze beschrijving van een achtjarige:

L’arbre musicien a l’écorce bavarde. Il joue avec ses branches de violon, que toute la forêt entend en silence.
Alors les fleurs roses se lèvent de bonne heure puis le pommier se met à danser. Enfin le soleil se lève et les parfums donnent leur odeur.

Abdelali , 8 ans

Veronderstellen we dat Abdelali vanuit waarnemingen en emoties vertrokken is (en niet aan schoonschrijverij wilde doen om aan de verlangens van zijn leerkracht tegemoet te komen.) dan raakt het joch meteen de essentie: in elke boom huist een geest.
Of is elke boom een geest?

Ik denk ook aan de tekening waarop een leerkracht een boom op het bord heeft getekend terwijl er op de lege speelplaats prachtige bomen staan.

Heeft u vandaag een boom gezien, waarde vriend?
Beter: heeft U vandaag een boom bekeken?

Bon. Morgen beter.
Boom in de regen, boom in de morgen, nachtelijke boom.

Boom in de sneeuw.

Ook nu kon ik hem niet voorbijlopen zonder zijn beeld mee te brengen.
In de sneeuw.

Louter lucht
torst hij.

de sneeuw ligt aan zijn voeten.

Ik ben niet zijn enige bewonderaar, dat weet ik zeker.
Hij is intussen bij vele wandelaars een herkenning geworden.
Hij verandert met het licht en de seizoenen, maar ik denk niet dat hij nog groeit.

Hij heeft de leeftijd van niet meer moeten bereikt.
Vruchten hoeft hij niet te dragen.
Zijn hout is niet gezocht.
Hij volgt de seizoenen.

Hij staat er, en zijn sappen slapen voorlopig.
Nu de sneeuw smelt zal hij op zoek gaan naar de uitgerokken dagen.

Zijn sterven zal weer in frivool groen teniet worden gedaan.
Nutteloos biedt hij de koeien schaduw.

Voor de ongelovigen zoals ik verbindt hij de sneeuwvlakte met de lucht.


het blauwe uur (2) (505)

Goede vriend,

Natuurlijk kan ik mij voorstellen dat je “het blauwe uur” erg intens hebt beleefd.
En zoals meestal was je niet alleen in de historie.

In de digitale fotografie is het inderdaad een dankbaar onderwerp zoals één van je collega’s in een vakblad schrijft:

Die Blaue Stunde hat nichts mit Alkohol, wohl aber mit Stimmung zu tun.
Sie ist Teil des Tages, lässt sich aber nicht auf die Minute festlegen.
Sie ist für jeden sichtbar, aber nur wenige bemerken Sie.
Wer sie aber bemerkt und dann auch noch fotografieren kann, der wird zum Genießer. (Jürgen Rautenberg)

Die Blaue Stunde beginnt, wenn die Sonne am Abend den Horizont erreicht und endet, wenn Ihre Kraft nicht mehr ausreicht, auch von unterhalb des Horizontes noch den Himmel anzustrahlen.
Sind die Wolken zu dicht oder liegt Dunst über der Landschaft, kann Sie sich nicht durchsetzen.
Je nach Witterung kündigt sie sich auch mit einem Orange oder einem kräftigen Rot an.
Ihren speziellen Charakter verleiht ihr jedoch das starke, leuchtende Blau, das den sichtbaren Rest der Welt in eine abwechselnd ruhige, melancholische oder heitere, aber immer das Gefühl ansprechende Stimmung taucht.

Natuurlijk was het blauwe uur in de sneeuw erg bijzonder.

De Duitse dichter Gottfried Benn (1886-1956), dokter van beroep net zoals Toon Tellegen, wordt één van de grootste Duitse “Lyriker” van de eerste helft van de 20ste eeuw genoemd.
Ik laat je een fragment meegenieten van zijn Blaue Stunde.

Ich trete in die dunkelblaue Stunde –
da ist der Flur, die Kette schließt sich zu
und nun im Raum ein Rot auf einem Munde
und eine Schale später Rosen – Du!

Wir wissen beide, jene Worte,
die jeder oft zu anderen sprach und trug,
sind zwischen uns wie nichts und fehl am Orte:
dies ist das Ganze und der letzte Zug.

Das Schweigende ist so weit fortgeschritten
und füllt den Raum und denkt sich selber zu
die Stunde – nichts gehofft und nichts gelitten –
mit ihrer Schale später Rosen – Du.

Mooi toch.
Het zwijgende is zo toegenomen dat het de kamer vult en denkt en dekt zichzelf toe.

In die stilte klinkt het liedje van Françoise Hardy, ‘l’ heure bleu’ wel een beetje oneerbiedig maar toch een fragment. Puur jeugdsentiment.

c’est l’heure que je préfère,
on l’appelle l’heure bleue
où tout devient plus beau, plus doux, plus lumineux
c’et comme un voile de rêve
qu’elle mettrait devant les yeux
cette heure bien trop brève
et qui s’appelle l’heure bleue
c’est une heure incertaine, c’est une heure entre deux
où le ciel n’est pas gris même quand le ciel pleut

Dat mooie uur de l’ attente qu’on est amoureux, attendre celui qu’on aime.
Het uur van de verwachting.

Ook de Amerikaanse dichteres Carolyn Forche heeft een mooie en erg lange tekst geschreven over dat blauwe uur.
Toch een fragmentje:

Pigeons furl the silk of their oilslick
wings and doze on the limed shoulders
of forgotton generals, while the last

commuters descend to the subways,
where they’ll sway above their papers,
reflections streaming through the rapid

dark. Christened bleue by the French,
this is the hour when evening raises
its azure wand and the light smolders,…

Ik zwijg over de boeken in diverse talen waarin het gevoel van het blauwe uur beschreven wordt.

De combinatie sneeuw en het blauwe uur blijft voorlopig jouw voorrecht, waarde vriend.

Al is alles al gebeurd, de combinaties zijn zo talrijk en divers dat ze ons telkens weer nieuw lijken terwijl wij maar ouder worden.

(de mooie foto is van ‘Luminus’)


het blauwe uur (504)

de nachtegaal
zingt intens…
een lichte sneeuw

uguisu no ki harite
naku ya
tabira yuki

Issa

Tabira yuki is bijna niet te vertalen, het is een uitdrukking voor zachte zwevende sneeuw.

Mijn beeld is harder en toch ook zwevend.
Kijk naar de ijspinnen.
Ze zijn hard, dolken bijna.
Maar het avondlicht vangen ze ook op.

Toen ik hen fotografeerde dacht ik aan die tegenstelling: het koude wapen en de tinteling van het avondlicht.

De avond blauwt de sneeuw.
Het is een heel kostbaar moment, de blauwe sneeuw-uren.
Zou er literatuur bestaan over die avonden?

Op de volgende prent is het iets later.
Door de late sneeuwval blijft het langer licht en krijgt het blauwe een nooit geziene intensiteit.
In het westen vergaat de dag met een bijna gelaten schoonheid.
De kale takken filteren nog eens het licht zodat het blauw loodblauw wordt, eventjes maar, voor het zwarte van de nacht de sneeuw weer zijn witheid teruggeeft.

Dat is de zang van de nachtegaal.
In onze streken komt hij pas einde april terug, maar in de Japanse literatuur is hij volop een lentevogel, vaak met sneeuw gecombineerd.
Ik herinner mij:

Schoon de nachtegaal
op de pruimenbloesems zingt
toch buigen zij onder de sneeuw.

Je kent zeker het gevoel.
Laat nu iedereen zijn tater houden, de woorden met ijspinnen doorboord geven geen kik meer.
Het blauwe uur duurt kort.

Frazel niet over ‘romantiek’, zwijg over ‘spleen’, het blauwe uur was er, en ik heb het gezien en probeerde het te vangen.

En om weer nuchter te worden, Issa:

“De eerste sneeuw”
zei ik, maar ik
ging slapen.

hatsu yuki
ya to wa ii
nagara neru shian

Zie je hem staan?
Hij ziet de sneeuw en begint aan een haiku, ‘de eerste sneeuw’.
Maar hij is te moe en gaat slapen.

Ook dat verdient navolging.


vijf sneeuwfiguren (503)

met zijn vijven

We waren met zijn vijven.
We zijn thuis en toch achtergebleven.
We keken eerst met zijn vijven naar binnen.

Toen hebben ze onze hoofden gedraaid
zodat we voor de rest van de koude dagen de weg bekijken.

We zijn sneeuw.
En we zijn er niet lang.

De anderen zijn van vlees en bloed,
en ook hun dagen zijn geteld.

Zij tellen in weken, maanden, jaren.
Wij tellen niet.
Wij zijn er.

Ook als wij weer water worden en ondergronds gaan
zijn wij niet weg.

We duwen de bloemen omhoog.

Is nu de zon onze vijand -denken ze-
enkele weken later helpt zij ons weer wakker worden. -weten we-
Wees dus niet bang om ondergronds te gaan.

Al het verdwijnen is slechts schijn.


het geluid van de sneeuw (502)

Lieve vriend,

Wat trekt ons zo aan als we een sneeuwlandschap bekijken?
Jaja, ik ken de cliché’ s, het zuivere, het ongerepte, de egaliteit, enz. enz.

De meeste cliché’ s zijn dan nog ergerlijk waar ook, maar ikzelf vind de geluiden zo mooi als het gesneeuwd heeft.
Er zal wel een fysiologische verklaring voor bestaan: het weerkaatsen op een bevroren oppervlak, maar stemmen in een sneeuwlandschap hebben iets heel speciaals: ze klinken ronder, weerkaatsen inderdaad, maar zijn tegelijkertijd beslotener.
Kinderen die in de sneeuw spelen maken op een andere manier lawaai dan kinderen in een zomerspeeltuin.

Je hoort de geluiden in een koker, een grote ronde koker waarboven de loodgrijze hemel zich spant, en de kromming onderaan door oneindig wit wordt ingenomen.

Daarom stuur ik je een mooie prent mee van de Japanse kunstenaar Koson Ohara (1877-1945).
De vertaling zou kunnen zijn: sneeuw op de brug, maar als je ’t in ‘t Japans hoort: Yanagibashi, dan is het of dit geluid zich in diezelfde koker bevindt.

Er is nog water, althans het is niet bevroren dus ondergesneeuwd, maar ‘t heeft zijn blauwe kleur behouden.
Over het bruggetje begeven zich twee personages naar huis.
Kijk naar hun paraplu’s: eentje rond, eentje over het hoofd, als een dakje.

En het zou Japan niet zijn als ze ook niet over de sneeuw heel mooie haiku’s of andere korte gedichten met weinig woorden en veel inhoud hadden gemaakt.

Dit is een mooie Engelse versie, en helemaal moeilijk wordt het om langs die omweg naar het Nederlands te vertalen want in het Japans voelt “filling the house” heel anders aan, wordt het: wat het object huis betreft, gevuld, en je hoort het al, het is krukkentaal.

De taal is zoals de sneeuw.
Wil je ze vangen, dan smelt ze in je hoofd, lost ze op.

Toch maar een poging:

Sneeuw’s schittering
verlicht het huis,

de stilte

Wij kennen het begrip schoon-heid, maar in feite zou er stilte-heid moeten staan, een soort Russische duratief, het is altijd stil als ik naar de sneeuw kijk.

Ik begin de problemen van internationale verdragen te begrijpen als ik nog maar enkele woorden in onze eigen moedertaal probeer te stamelen.

Hiernaast nog zo’n pareltje dat ik niet waag te vertalen, probeer het zelf maar.

De verzen zijn van de Japanse haiku-schrijver Santoka (1882-1940)

Het geheim van hun lichtgevende kracht is niet te achterhalen, noch te imiteren.
Van de sneeuw alleen al vond ik er dadelijk zo’n 348.

Een erg mooi is van de beroemde dichter Issa (1763-1827)

Voor de deur
maakt mijn wandelstok
een rivier van smeltende sneeuw

(er stond eerst “smeltende sneeuwrivier, maar dichter bij het Japans zou rivier van smeltende sneeuw zijn.)

Dat klinkt in het Japans zo (rangschikking is willekeurig)

waga yuki
mo tsurete nagare
yo chikuma kawa.

Lees dat maar eens heel zachtjes terwijl het sneeuwt.

Ik verlaat jullie enkele dagen.
Laat de stilte tot volgende maandag ook maar eens over deze geschriften neerdalen zodat iedereen zich in de sneeuw zelf kan vergewissen van zijn fragiele schoonheid.

In het landhuis zal ik met mijn ogen de landschappen drinken.