Ik weet niet of François Boucher geglimlacht had, mocht hij zijn schilderij de badende Venus nu zien hangen in het Louvre terwijl onder dit tafereel het bordje “sortie de secours” is opgehangen.

Ik weet het, je moet naar het kunstwerk kijken, maar waar ik ook kom, telkens zie ik eerst dergelijke dingen, gekke associaties, bijzondere details, kortom van de prikkeldraad met de dubbele AA tot in het Louvre waar de badende Venus altijd weg kan mocht zij het klassieke hazenpad moeten kiezen voor welke onbeschaamde blikken dan ook.

Van die ene badende naar de andere “badenden” want de picturale expressie is nogal voor de badkamer-taferelen geweest, al was de wasplaats wel ruim bemeten zeker als ze in open natuur plaatsvond (ik denk aan de badenden bij de ruïnes!)

Je zou denken dat de achttiende eeuw een voorbeeld van lichaamshygiëne was als je dit zou afleiden uit het aantal afbeeldingen van (meestal) badende wezens van het vrouwelijk geslacht.

Ik weet het, een man in bad, het is geen gezicht en daarom hierbij heel kleintjes één van de weinige schilderijen waarin zo’n wezen aanstalten maakt tot baden.
In de Griekse oudheid hield men het daarom terecht bij mooie jongens maar dat is inderdaad lang geleden.
De schoonheid blijft zich vermommen.

Het is gek, maar de “badenden” zijn nooit aan het baden.
Water ontbreekt vrijwel altijd op deze taferelen.

Ik hoor je al roepen: je vergeet Bonnard, en inderdaad, hij heeft een soort wezen in bad neergelegd, maar dat is meer een rechtlijnige zonder aangezicht die de badkuip vult, en al acht ik Bonnard zeer, zijn bad-verbeelding liet hem toch even in de steek toen hij deze mevrouw in het water borstelde.

Maar ga zelf maar na, er wordt vrijwel nergens een wassende of badende activiteit uitgeoefend.
Men is op weg naar, ligt op het zand, leunt tegen de rotsen, kortom men is vrijwel naakt, vrouwelijk en kromt de rug.

Waarschijnlijk was in de achttiende eeuw het badwezen ook niets anders dan deze activiteit.
Mannen stonken.
Vrouwen probeerden zich te fatsoeneren, iets wat naareglang het inkomen min of meer lukte.

Je zou dus kunnen zeggen dat badenden eerder mannelijke verbeeldingen waren waarin het zich reinigen slechts diende om het geliefde wezen van kleren te ontdoen.
Zo, nu zijn we helemaal in de achttiende eeuw.

Daarbij komt dat schilders en beeldhouwers wel konden pronken met zwierige kledij, plooien en kantjes, soirées, mantels en brokaat, maar…het water stelde hen voor heel andere problemen.

Goed, de zee was groot, kon golven, schepen kon je stormen laten trotseren, beekjes ruisten bij voorkeur in de verte en nachtelijke plassen en plaatselijke meertjes waren ook erg in wegens hun egale tonaliteit.

Opspattend water, of druppels die langs de mooie schouders en borsten glijden, het zou iets worden voor de fotografie en het filmwezen van de twintigste eeuw.

Maar kijk nu naar Ingres mooie badende hiernaast.
Wie naar Parijs reist kan in het Louvre een prachtige overzichtstentoonstelling van deze schilder gaan bekijken.

Maar, waar is het water, meneer Ingres?
Kijk, het komt in een heel fijn straaltje aan haar voeten uit een gouden leeuwenkopje gestroomd.

Ze moet dus maar even haar linkerbeen op de grond zetten, het rustbed verlaten en ze staat in het water.

Ingres schildert haar op haar rug terwijl de meeste mannelijke soortgenoten haar vooraan zouden portretteren.

Wacht ze op iemand, of wacht ze tot het bad is vol gelopen?
Ze kijkt alvast niet naar het water.

Er is ook iets met haar hals, denk ik.
Haar nek is in verhouding te lang zodat het hoofd een beetje een rare draai maakt.
Maar dat is een detail, het gaat om die prachtige rug, dat landschap waarop iemand zijn naam kan schrijven, of waarachter de geliefde zich kan verschuilen om dan zachtjes haar schouder te kussen terwijl hij haar voorzichtig omarmt.

Dat afgewend zijn is dus niet een pseudo-kuise oplossing, het is integendeel bijna een uitnodiging om haar heel zachtjes aan te raken.

Zoals water over je huid loopt.
Of sneeuw het landschap vult

Je zegt geen woord,
maar je lippen kussen haar
op de ronding van haar schouder.

Je blijft samen zitten op het zachte bed.
Je luistert naar het water.

Buiten bestaat niet meer.
Alles is nu binnen.