Je bedenkingen bij de baadsters en baders raken ook een ander teer punt aan: het Westerse wantrouwen tegenover het lichaam.

Ik verwijs naar je Camille Paglia die terecht dit wantrouwen tegenover het chtonische, het weke, het Dionysische benadrukt om van daaruit een soort ethiek op te bouwen waarin bijvoorbeeld het woord ‘onthouding’ één van de hoogste waarden wordt, niet uit respect maar uit onwennigheid, en laten we het maar angst noemen tegenover het lichamelijke.

Het loswrikken van seksualiteit uit het geheel van de lijfelijke ervaringen (niet de onderliggende organen maar onze huid is bijvoorbeeld het voornaamste seksuele orgaan!), het over-bepraten zoals Michel Foucault betoogt,
Sinds het begin van de achttiende eeuw worden we bestookt met wat ons allemaal kan overkomen als we ‘de seksuele besteding’ (Foucault) niet ‘zuiver’ houden. (zonder partner, zonder voortplanting)

Deze angsten die werden opgewekt, lijken in het medische denken van de negentiende eeuw de ‘naturalistische’ of ‘wetenschappelijke aflossing’ te zijn geweest van een christelijke traditie die de lust naar het gebied van dood en kwaad verwees.

Michel Foucault, Het gebruik van de Lust, geschiedenis van de seksualiteit, p.20, Sun Nijmegen, 1984

Heel mooi verbindt Foucault deze ‘problematisering’ met wat men ‘de bestaanskunsten’ zou kunnen noemen.

Daaronder moeten weldoordachte en welbewuste praktijken worden verstaan waarmee de mensen niet alleen gedragsregels voor zich vaststellen, maar proberen zichzelf te veranderen, hun eigen wezen te wijzigen, en van hun leven een kunstwerk te maken dat bepaalde esthetische waarden meedraagt en aan bepaalde stijlcriteria beantwoordt.
Deze ‘bestaanskunsten’ of ‘zelftechnieken’ hebben stellig gedeeltelijk aan belang en onafhankelijkheid ingeboet toen ze met het christendom in een pastorale machtsuitoefening werden opgenomen en vervolgens in educatieve, geneeskundige of psychologische praktijktypen.
Dat neemt niet weg dat de lange geschiedenis van deze bestaansesthetica’ s of zelftechnologieën stellig opnieuw zou moeten geschreven worden.

ibidem p.15-16

Misschien daarom de onbewuste afwezigheid van water, de diepe onbewuste angst van deze vrouwelijke materie, van dit eerste milieu waarin wij in het vruchtwater de tijd afwachtten om ‘ter wereld’ te komen. (zeker als je inderdaad aanneemt dat de meeste van de kunstwerken daaromtrent mannelijke verbeeldingen zijn!)

Ik stuur je als troost een mooi beeld van…Picasso mee.
De familie op het strand.
Hij ligt centraal, zijn arm over zijn geslacht, de vrouw zit dicht bij hem, raakt teder het kind aan, het kind is met zijn vingertje op weg naar zijn oor, en achter hen de immense zee, de moeder van alle leven.
Hun bestaan geduid: de kwetsbare man, de zorgende, aardse vrouw, het explorerende joch.

Zoveel huid, zoveel vlakte op de vlakte met als veilige achtergrond de zee.
Alsof ze daarstraks nog maar zijn aangespoeld.

Je hoort het ruisen tot in hun mooie lichamen.