Of hij dan onmiddellijk terugdacht aan Sint-Petersburg?
Neen.
Terugdenken gebeurt op een ogenblik van inkeer, van bewustzijnsvernauwing.
De straten van het provinciestadje waar je geboren bent zijn ook niet te linken aan de stilte in het Sint-Jansbos, en wie dacht er tenslotte aan de duizenden jongens die hier en in de wijde omgeving elkaar te lijf gingen, geboekstaafd als het Von Runstedt-offensief.

Nochtans als je in de diepte van de foto kijkt, moet je hen horen lopen.
Of ze wachten in hun schutterskuilen, luisteren naar het vallen van de sneeuw en of de naderende stemmen een Schwabische tongval hebben of de rauwe Zuiderse tonen van New Orleans.

Je bent tenslotte Spielberg niet al loop je over de locatie waar het echt gebeurde, al is het geroep van kinderen in de verte een associatie met het walgelijk gejammer van de stervenden.
Mutti, o Mutti, Mother, o Mother.

Dus is Sint Petersburg nog verder weg, de locatie waar je boek begint, je lievelingsdichter woonde, de Neva onder het ijs door naar de Finse golf stroomt terwijl op haar witte huid de tramlijn naar de andere oever loopt.

Je over-overgrootvader zag er de eeuw kantelen, maar toen was de eerste maart 1881 al geschiedenis.
De dag waarop een dertienjarige bakkersjongen het leven liet toen terroristen van Narodnaja Volja (Wil van het Volk) een bom lieten ontploffen om de tsaar te doden.
Hij, de over-overgrootvader, stond er als dertienjarige vlakbij, en voelde de sneeuw trillen toen een tweede ontploffing Alexander II, uitgestapt om te kijken of hij hulp kon bieden, dodelijk verwondde.
En een derde dertienjarige, Nicolaas, de kleinzoon van de stervende tsaar zag zijn grootvader hevig bloedend het Winterpaleis binnenbrengen.
Hij stond op het punt om te gaan schaatsen.

Het was de dag van de drie dertienjarigen.
Een toevallig passerende bakkersjongen, je over-overgrootvader die een week eerder in Petersburg was aangekomen en de dertienjarige Nicolaas die in 1918 onder een regen kogels zou sterven, zijn dertienjarige zoon in de armen, terwijl jouw grootvader vier jaar eerder onder één van de Luikse forten zou bedolven worden.

En op die eerste maart verschuif jij de geschiedenis naar de tweede wereldbrand en hoor je de jongens roepen, de hospik uit Nebraska vraagt een jeep, de jongen uit München roept op zijn moeder.

En dat gebeurde in die stilte die op deze foto aanwezig is, en ik verzwijg het onzegbare want de dood stinkt, en zelfs het mooiste sneeuwlandschap zal het jongensbloed niet stoppen, integendeel: zichtbaarder dan ooit loopt het, drupt het, bevriest het weldra onder de hompen armen en benen die zo-even nog bij een jongeman hoorden.
Met die hand stak hij een sigaret aan.
Met dat been liep hij de heuvel op.

Tussen 1881 en 2006 liggen 125 jaar.
Moet er toch niets gevierd of herdacht worden?

In die ogenblikken tussen het kijken naar de weg en de klik van het foto-apparaat vullen miljoenen levens de voorbije 125 jaar.
Ik sta aan de rand.
De lange weg is leeg.

Begrijp je dat met zoveel mensen in mijn hoofd ik hoorbaar hijg.
Zoals de chauffeur van de ziekenjeep die naar Bastogne rijdt.
Zoals de bevende Duitse jongen die oog in oog met een Amerikaanse leeftijdgenoot staat, net voor het schot klinkt.

Klik, zegt het foto-apparaat.

Tussen Sint-Petersburg en dit Waalse dorpje, tussen 1881 en 2006, zal het altijd blijven sneeuwen.

De tram host de Neva over, het zware Krupp-kanon schiet het Luikse fort aan diggelen en in de sneeuw liggen twee jongens die niet meer thuiskomen.

Ik ben dan één jaar oud.