Natuurlijk heeft de afwezigheid een grote melancholie in zich: af-wezig zijn staat vrij dicht bij af-lijvig.

Het gaat om het niet meer waarnemen van degene die je lief was, of in wiens gezelschap je graag verbleef, of die pas door zijn/haar afwezigheid laat aanvoelen wie hij/zij was.

Tegelijkertijd is de afwezigheid vals.
Wie er niet (meer) is ontsnapt aan de wetten van het dagelijks doen en laten.
Hij ontsnapt aan het banale.
De afwezigheid vergroot iemands vroegere aanwezigheid, vervalst de proporties, wekt verlangens op die eenmaal gestild vrij lachwekkend kunnen overkomen.

Zoals de stilte ons bewust maakt van het geluid -luister één minuut in de nachtelijke stilte, en je zult versteld staan hoeveel geluiden je waarneemt- zo is de afwezigheid een suggestieve term om het aanwezige op te roepen.

Fruit in een schaal, een stoel, een appel met mes op een bordje.
Bloemen.

Misschien is hij net opgestaan, weggegaan nog voor hij de appel heeft gegeten.
Riep het kind in zijn bange droom?
Was hij te laat voor de trein?

Over de stoel hangt een theedoek.
Achter gelaten nadat hij in de keuken nog de afwas heeft gedaan?
Of is hij niet zo ver gekomen en was zijn plotseling vertrek bittere noodzaak, liet hij de theedoek op de stoel achter net voor hij zijn jas aantrok?
Een teken van afwezigheid, deze te grote zakdoek waarmee je op het schip de mensen op de kade vaarwel wuift.

Alleen de glans vertelt over de stilte.
De glans op het hout waarin de roerloze dingen zich vaag weerspiegelen.
En de kleuren.
De kleuren van de bloemen die er een beetje verlept bijstaan.

Zijn de appelen vers geplukt?
Was hij deze morgen nog in de boomgaard, en liet hij de appelen achter als groet, als eet-dit-tot-mijn-gedachtenis?

En wordt het ook herfst aan zee, de plaats van de eeuwige grote-vakantie?
Zie je hem over de zee in zichzelf kijken.

Misschien gedachteloos, een deel van het strand, de laatste bader voor de najaarsstormen de kustlijn weer schoon vegen?

Maar zou het kunnen dat de schilder-voor hij het huis verliet- op zoek was naar de voorbije jongen?
De jongen die hij was.
Toen hij nog ogen had om naar de zee te kijken?

De jongen uit de jaren twintig.
De jongen met dat blauwe badpak.

Man en jongen zijn gemakkelijk bij elkaar te brengen in die alles verterende afwezigheid.

Komt zijn achterkleinkind thuis van de eerste schooldag, alles nieuw, de geur van potloden en schriften nog in haar haren.

Het huis zonder haar herademt.

De jongen en de schilder hebben elkaar gevonden.
Een naam op een steen.
Eeuwige vergunning.
Toen eeuwigheid nog te koop was.