Lay your sleeping head, my love,
Human on my faithless arm;
Time and fevers burn away
Individual beauty from
Thoughtful children, and the grave
Proves the child ephemeral:
But in my arms till break of day
Let the living creature lie,
Mortal, guilty, but to me
The entirely beautiful.

Soul and body have no bounds:
To lovers as they lie upon
Her tolerant enchanted slope
In their ordinary swoon,
Grave the vision Venus sends
Of supernatural sympathy,
Universal love and hope;
While an abstract insight wakes
Among the glaciers and the rocks
The hermit’s carnal ecstasy.

Certainty, fidelity
On the stroke of midnight pass
Like vibrations of a bell
And fashionable madmen raise
Their pedantic boring cry:
Every farthing cost,
All the dreaded cards foretell,
Shall be paid, but from this night
Not a whisper, not a thought,
Not a kiss nor look be lost.

Beauty, midnight, vision dies:
Let the winds of dawn that blow
Softly round your dreaming head
Such a day of welcome show
Eye and knocking heart may bless,
Find our mortal world enough;
Noons of dryness find you fed
By the involuntary powers,
Nights of insult let you pass
Watched by every human love.

January 1937
Copyright 1976

W.H. AUDEN


Op een vooruitspringend grondje ligt links de stervende Adonis met het bovenlichaam tegen een verhoging voor een boom, waarvan slechts de stam en een klein deel van de kruin is weergegeven. Het naar achteren vallende hoofd met geopende mond is naar de beschouwer gekeerd; de rechterarm hangt slap omlaag, de linkerhand ligt in de schoot. Venus, die van rechts komt aangesneld, houdt de rechterhand voor zich uit en de linker met gespreide vingers achterwaarts omlaag. Achter haar daalt uit de wolken een gevleugelde Amor neer, die wenend zijn knuisten tegen het gezicht drukt. Achter Venus een everzwijn in profiel naar rechts. Adonis, die op pijl en boog ligt, is gekleed in een hemd met omgeslagen mouwen, dat om het middel is samengegord, en heeft een mantel, waarop hij ligt en waarvan een deel over linkerschouder en -arm loopt. Van de rechterschouder gaat de riem van de koker met pijlen, waarvan slechts het bovendeel zichtbaar is, schuin naar rechts; de voeten steken in sandalen. Venus’ haar, bij de slapen in vlechten opgenomen, wordt samengehouden in een knot op het hoofd. Zij is vrijwel naakt, de op de rug fladderende mantel loopt over beide armen en bedekt de schoot.(rijksmuseum Amsterdam)