Je zou Ray Johnson zijn eigen one-man underground kunnen noemen.
Hij werkte net zoals Burckhardt in de art scène van N.Y. downtown, maar in plaats van als een bohémien te leven vertrok zijn kunst vanuit zijn adresboekje.

Toch startte hij heel anders.
Hij studeerde aan het Black Mountain college in Noord Carolina toen de Kooning daar nog les gaf, en woonde toen in the East Village.
In 1968 verliet hij plots deze plaats en ging in een klein huisje op Long Island huizen waar hij hermetische, minaturistische kunst produceerde en zijn carrière door de telefoon en langs correspondentie uitbouwde.

”Although he matured in an era of triumphalist painting, his specialty was detail-obsessed collage. He was a clipper, a sorter, a calculator, an accumulator, a reviser, a connecter of dots. And in this labor-intensive tabletop mode he produced two separate bodies of work.”

Een van die body’s uitte zich met efemere mail-art.
Zijn vroegste verstuurde stukken waren eenmalige collages en tekeningen, aaneengehouden met verbale en visuele woordspelingen.
Later fotokopieerde hij zijn oorspronkelijke creaties en verzond hij ze als kettingbrieven, meestal naar mensen uit de kunstwereld, mensen die hij nooit gezien had en vroeg hen deze brieven weer door te sturen naar andere ontvangers.
Zijn werk was in feite een soort email avant la lettre.
Door zijn mensen aan elkaar te linken zette hij zijn eigen naam wel voor iedereen centraal.

Tezelfdertijd was hij bezig met kleine mixed-media constructies die niemand te zien kreeg.
De meesten hadden roem en bekende figuren als onderwerp
Daarna maakte hij complexe reliëf-constructies die collage elementen met cartoon-patronen mengden, bizarre zelfportretten inbegrepen, en lijsten met hand geschreven namen.

The names make up a kind of high-art, low-art social register, in which artists known, unknown and sort of known rubbed shoulders with movie stars and pop singers: Sal Mineo, Agnes Martin, John Wayne, Hedda Sterne, Hedda Hopper, Peggy Lee. And the lists were repeatedly updated, in works that took decades to finish, if Johnson ever considered them finished.

In de 1960’s stelde hij geregeld ten toon, maar nadat hij de stad had verlaten werd hij bekend doordat hij zijn kunst niet toegankelijk voor dealers maakte, door ze van gekke codes te voorzien en ze uit te rusten met allerlei toegangsregels.
Dat was zijn one-man wereld, de kunstenaar die zijn eigen markt manipuleerde, een job die meestal door kunstdealers werd uitgevoerd.

Since his death — like Burckhardt’s, a suicide by drowning — Johnson’s feverishly populous, deeply isolationist art has emerged from seclusion, though not from obscurity. It still deflects easy approach. Constructions that at first seem charming and witty can grow barbed and dour with study. And in both size and graphic presentation, the work is perversely, determinedly discreet.

Toen zijn kunst enkele jaren na zijn dood werd tentoon gesteld verdronk ze in de reusachtige afmetingen van het Whitney museum.
De meeste van zijn werken waren niet groter dan een stukje papier, een briefomslag.
Grafstenen van een koortsig leven?