Waarde Vriend in de verre landen,

Zelfs een antiquair met ruimte voor fantasie en melancholie, hoop en herinnering dus, heeft nood aan stilte en open lucht.

Ook als de wereld op je afstormt via kranten en berichten, via schilderijen en zilverwerk, langs vervlogen mensen die alleen hun serviezen hebben achtergelaten, is de kleine ruimte van je werkkamer of de grotere ruimte van je huis niet meer voldoende.

De geest moet kunnen waaien waar hij wil.
En hij wil de luchten zien, de zachte glooiing van het landschap.

Onze hersenen hebben nood aan diepte in het waarnemingsveld.
En al is enige tijd deze diepte virtueel op te roepen of te vervangen door lectuur en muziek, de fysica eist ook haar rechten.

Ik ben dus een week naar het land.
En ik laat graag de foto’ s achter van Jan von Holleben die van zichzelf zegt:

‘Ich mag schöne und heitere Fotografie, trotzdem ernst, aber nicht dramatisch. ‘

In zijn veel geprezen ‘Dreams of flying’ stelt deze zeer jonge fotograaf (1977) zijn kinderwensen voor in een aantal hoogst aangename foto’s die hij samen met kinderen maakte.

Ik verwijs graag naar zijn eigen website waarin en de interviews en de foto’s zijn te bewonderen.

Tegelijkertijd met het geslaakte gilletje van ‘wat leuk’ heb ik er toch een pak bedenkingen bij.
Ik waardeer het spel, het werken met een wegwerp-camera, met het directe zonder al te veel liflafjes, maar de hedendaagse kunst moet het blijkbaar meer hebben van ‘vondsten’ dan van ‘ideeën’.

Zijn werk is een ‘vondst’, een prachtige vondst inderdaad, maar als je het geheel van zijn werk gaat bekijken, zul je waarschijnlijk dat tekort aan ideeën ook waarnemen.

Ik weet dat een 29jarige nog alle krediet moet krijgen, maar het is gewoon een bevindingen om op het terrein van ‘de vondst’ te blijven.

Veel hedendaags werk, zeker installaties, moeten het van die ‘vondst’ hebben, en net zo vlug als een vondst geen vinding en nog minder een be-vinding is, waait hij weg zonder een spoortje achter te laten.
We zeggen dan: mooi gevonden, en dat is het dan.

Zijn werk verwijst naar andere kunstenaars die inderdaad de kindertijd als fundament hebben of hadden, ik denk aan Bernard Faucon, maar in tegenstelling met Faucon wil hij zijn spel rechtvaardigen met ‘het mag vooral niet moeilijk zijn’, iets wat ik begrijp in verhouding met de pseudo-moeilijkheden die de zogenaamde meer-overwogenen met zich zouden meedragen.

Dat hij van spelen houdt, kan ik alleen maar bewonderen, maar net zoals kinderen zijn uitgespeeld, valt hij volgens mij te vlug in slaap en blijft er in de ‘dreams’ te weinig flying over, maar waarschijnlijk zijn dat de oprispingen van een zestig plusser die weet dat flying ook iets met een tekort aan vleugels of vliegkracht heeft te maken, en dan onzachte landingen je deel zijn, of wie weet: het enige wat ons rest.

Maar onze samenleving houdt van ‘invallen’.
Laten we dus het woord ‘vallen’ in dat woord maar niet vergeten zonder daarom de droom op te geven.

Op een dag zal ik kunnen vliegen.
Ik doe het nu beperkt voor een week, met de ogen en het hart.
Weet je waarde vriend, het hart kan soms zo moe zijn.
Moe door de zwaarte.
Daarom deze mooie foto’ s, een nodig tegenwicht, want ze bestaan dus nog, die 29jarigen die blijven geloven dat het kan.

Kijk bij links voor zijn website.
Tot volgende week.