GROETEN UIT…

26786675

Lieve Vriendin,

De postkaart.
Groeten uit.

Je zult ze ver moeten gaan zoeken: groeten uit Oostende, dat kan nog, maar groeten uit Muizen of Erembodgem, ik denk niet dat ze nog in de handel te vinden zijn, tenzij in de verzameling van doorwinterde postkaartkenners.

Het waren de eerste bewijzen van degenen die ‘de stam’ verlieten en hun stambewoners met een postkaart daarvan een bewijs leverden.
Als je naar de wandelaars kijkt op de bijgevoegde kaart dan weet je dat ze uit diverse steden en dorpen komen, dat ze flaneren als een nieuwe stam: vakantiegangers aan zee.

Met enige tederheid kijken we naar de heren met strohoed en de dames met (ingekleurde) zomerjurken tot op de grond.
Ik weet nog dat jij ooit een televisiedocumentaire hebt gemaakt waarin postkaarten de hoofdrol speelden.

We hielden de postkaarten bij.
Op regendagen reisden we met ooms en tantes, met nichten en neven terug naar die verstarde blik op Knokke-Heist, wisten we opnieuw dat tante Henriette voor ons gebeden had en dat nog wel aan de voeten van onze-lieve-vrouw, bezochten we de Eifeltoren met nonkel Mon en luierden we in Cannes waar tante Julia en aanhang op doorreis was geweest.

Postkaarten doen me dus altijd aan regen op de ramen denken.
Net zoals knopen.
Want samen met de schoendoos postkaarten diende de ovomaltine doos gevuld met knopen om weg te vluchten van het gure weer buiten.

dyn004_original_600_391_jpeg__555351c83aa99eed698c10d6914e9a73

Met de knopen maakte ik dan een denkbeeldige landkaart waarin de personages uit de postkaarten als acteurs fungeerden.
Zo waren postkaarten met flaneerders een dankbare inspiratie, want je had de keuze uit de totaal onbekende heren en dames, de kinderen, de neergezegen wandelaars, de ijsjesverkopers of strandstoelverhuurders.

Maar dat waren zeldzame kaarten want de meeste postkaarten leken wel om vijf uur ’s morgens gefotografeerd, er was immers geen levende ziel op te bekennen.

dyn003_original_263_431_jpeg__86de1b455d0cc216bf539d67b19d3cf0

Rond nieuwejaar stroomden de kaarten toe met wensen voor een zalig kerstfeest (vrolijk kerstfeest, dat was te heidens vond mijn moeder) en vooral voor een gelukkig nieuwjaar.

Hierop verscheen de wereld in dikke sneeuwdekens gehuld, sledes, klokken, kerktorens, sprookjeskinderen, linten en pakjes, het jaar dat eraan zat te komen of net begonnen was, paste helemaal in disneyland.

Als ik op 1 januari buitenkwam, vond ik niets terug van al die zoete beelden.
De straat uit 1953 was nog steeds dezelfde straat als die van gisteren, oudejaar 1952.
Er kwam geen arreslee om de hoek van de Draaiboomstraat, geen herdertjes of koningen die terugkwamen van de stal met de heiland, alleen zatte Rik, net zo dronken als op de feestdagen van 1952, maar hij wenste je tenminste een zalig en gelukkig nieuwjaar.

Neen, dan maar terug naar groeten uit Kasterlee of controleren of de wandelaars op de dijk intussen al één millimeter gevorderd waren.
Dat waren ze niet.
Ook de processie in Scherpenheuvel bleef voor altijd ter plekke, de toevallige bezoekers kwamen nooit meer thuis, ze huisden in mijn schoendoos.

Als ik mijn bedje lag, kon ik wel met de postkaartbewoners praten, ook al bezochten ze Berlijn of leunden ze uit hun Volemdamse huisjes in hun typische klederdracht.

Toen ik zelf aan de zee was, keek ik aandachtig rond of er nergens een fotograaf me stiekm bij de wandelaars gevangen nam.
Ik wilde niet als eeuwige jongen in een vreemde schoendoos terechtkomen.