BRIEF AAN EDVARD (SLOT)

 

dyn003_original_509_405_jpeg_20344_d734c0f85a188a0c03b5829a983cfd3b

 

dyn003_original_509_415_jpeg_20344_fd68a87316a5250f186f19f76ad3d392

Waarde Edvard,

Helemaal boven de intussen bekende Karl Johan straat, nu in lentefeer, en daaronder, het maanlicht over Oslo Fjord, beiden duidelijk verwant met de invloeden van het impressionisme, sfeer die je in Parijs bij meerdere collegae mocht opsnuiven.

dyn002_original_509_275_jpeg__87d9af93d75a07f2704291996f43c916

Uit dezelfde tijd (1890-er) komt dit wondermooie doek: de kus.
Sommigen beschrijven het blauw als een ‘erotische’ kleur, maar voor mij die de schemering liefheeft, is dat ‘blauwe uur’ waarover ik enkele jaren geleden schreef, een duidelijk cocon waar innigheid thuishoort na het straffe licht van de voorbije dag.
Toedekken.
Wat je liefhebt, dek je toe.
Het slapende kind, de geliefde.
Elkaar toedekken. Zonder meer.

Datzelfde mooie licht vind je terug bij de Van Gogh-doeken ‘het nachtelijk licht’ een tentoonstelling die momenteel in Amsterdam loopt: ook hij was een meester in het ont-dekken van de onderste lagen in ons gemoed en denken.

Herinner je, ‘meester, mag het licht aan?’
Of als je door de donkerte reist per trein en de verlichte ramen de innigheid verraden van mensen die al thuis zijn gekomen.

Ook hier, op dit doek, de verlichte etalages, maar hun uitstraling haalt het niet bij de innigheid achter het gordijn.
De buiten- en de binnenwereld die jij, Edvard, zo mooi wist te verzoenen.

dyn002_original_437_331_jpeg__3d80aa8d53097c9c9483068ff2ed1cab

In ‘the day after’ echter is alle innigheid weg, al bespeur ik toch nog enig zelf-medelijden in de warme bruine tonaliteiten van kledij en kamer.

De flessen op tafel zeggen genoeg.
Zo’n days-after zijn ook jou niet gespaard gebleven.
Het grote vergeten door de bedriegelijke drank, de drukkende eenzaamheid, de Duitsers die in 1940 Noorwegen bezetten.

dyn003_original_466_265_jpeg_20344_672d7872817e983a85c9444b2145df62

In 1906 kreeg je van Max Reinhardt de opdracht een decoratieve fries te tekenen voor het Duitse Theater.
Je had al eerder een decorontwerp gemaakt voor de productie ‘Spoken’ van Hendryk Ibsen (van wie je overigens een erg mooi portret schilderde)
Deze fries moest een zaal in het theater decoreren.
Je koos daarvoor de geliefden en toeristen op het Asgardstrand, plaats waar je een buitenverblijf had gekocht waar je ’s zomers ging werken.
Het werden samen twaalf doeken, maar ook hier was de ontvangst eerder koeltjes.
Na enkele jaren werden de friezen verwijderd.
Jij vond overigens dat je voor zo’n groot werk (in volume) eerder weinig werd betaald.

dyn007_original_538_314_jpeg__56af94fe546aaa793a5228dcfdab778c

Meer succes had je bij de decoratie van de Aula in de universiteit van Oslo waarvan één van de friezen ‘De zon’ alle duisternis die er bestond voor altijd wegstraalde.

‘Geschiedenis’ en ‘Alma Mater’ waren twee aanvullende friezen waarin je bijna kinderlijk de zo gemiste moeder en vaderfiguur weergaf.

dyn009_original_509_203_jpeg__bb47e102c132e6013686ee21303295cb

In Ekely, een voorstad van Oslo trok je je terug.
Je leefde er helemaal alleen. Slechts het gezelschap van enkele honden kon je bekoren.
Rond die tijd, 1910-1912 begonnen mensen je werk te her- en erkennen.

dyn002_original_451_349_jpeg__4c526d829b8172b02c1b67b7ee9bd57d

Zelf hou ik heel veel van dit zelfportret uit 1940.
Al in 1930 begon je oogproblemen te krijgen door een gesprongen adertje , en tien jaar later was de toestand zo erg dat je je werk aan friezen en muurschildeingen moest staken.

Alsof je te veel of te diep had gekeken, en niet alleen in het glas, maar in de ziel, dat onzichtbare ik van ons allen.
Niet doenbaar voor het oog van een sterveling.
Wel was er dat jaar (1940) je eerste tentoonstelling in Engeland, en je succes daar stond in schril kontrast met de ontvangst in Duitsland waar je weldra bij de ‘entartete’ kunstenaars werd gerekend.
82 van je schilderijen werden in 1937 uit de Duitse musea gehaald, maar kwamen wel terecht in de collecties van prominente nazi’ s.

Het zelfportret komt uit de tijd dat de Duitsers Noorwegen bezet hebben en een marionettenregering hebben geïnstalleerd.
Je kijkt niet bepaald vriendelijk, hoe zou je ook kunnen, maar het kontrast tussen de warme tonen waarin jij baadt en de koude buiten zegt genoeg.

Bij je dood op 23 januari 1944 schonk je je werk, meer dan duizend schilderijen en 20.000 schetsen aan de stad Oslo waar in 1963, bij het herdenken van je honderdste geboortejaar, het Münch-museum zijn deuren opende.

Overigens ben je nooit gestorven.
Dicht bij de radiator in het warme huis blijf je ons aankijken.( daarom kijk je weg, maar je ziet ons wel staan met dat andere oog)
Over de twee eeuwen heen geslagen reikt je blik makkelijk tot in onze 21ste eeuw.