4257274782

De twaalfde van achttien kinderen zijn was in de middeleeuwen niet zo opmerkelijk.  Ulman Stromer op Driekoningen 1329 in je stad geboren in een zakelijke omgeving zou uitgroeien tot papierfabrikant, koopman en politieker. Met zijn broers Peter en Andreas leidde Ulman sinds 1370 de ouderlijke firma die zich tussen 1375 en 1434 over heel Europa uitstrekte.

Hiernaast zie je de papiermolens  als één van de voornaamste onderdelen van de Stromers-firma. (je vindt ze ook rechtsonder de mooie stadstekening in de vorige aflevering)

Ulman zou in de pestepidemie van 1407 sterven.  De molens gingen in 1449 in vlammen op maar werden later terug opgebouwd.

Er is terloops een vermelding van de grote ‘Judenschulden-Tilgungen’ die 1385 en in 1391 doorgingen en waarbij Ulman Stromer nauw betrokken was als raadslid. Koning Wenzel zette alle Joden in de stad zonder enige reden in de gevangenis.  Ze konden zich vrijkopen tegen de som van 80.986 gulden.  Tijdens jouw bestaan zou je stad nog een stapje verder gaan.  Jouw dooppeter, drukker en uitgever Antonius Koberger publiceerde op eigen kosten  in 1485 het werk van de Spaanse Franciscaan Alphonso de Spina  (een bekeerde Jood) ‘Fortalitium Fidei’ waarvan het derde gedeelte tegen de Joden was gericht.

De humanist Willibald Pirckheimer -jullie hebben nog in het achterhuis van de Pirckheimers gewoond zei men, al bleek dat een  verzinsel van 18de eeuwse geschiedschrijvers, maar Willibald zou wel je allerbeste vriend worden – stelde voor een petitie tot de keizer te richten om de Joden uit de stad te zetten wat enkele jaren later ook werkelijk zou gebeuren. Op Laetare-zondag (!) 1499 werden de bannelingen door een gewapende escorte begeleid gedwongen de stad te verlaten.  De meesten vestigden zich in Neustadt, anderen verhuisden naar Frankfurt-aan-de-Main en enkelen trokken naar Praag. Vreemd genoeg vond ik van deze uitzetting alleen gegevens in Jewish Encyclopedia van 1906.  In jouw bio wordt in alle talen over deze uitzetting gezwegen. Het zou tot in 1824 duren voor de eerste Jood zich weer in de stad mocht vestigen.  3490531848

‘The municipal council of Nuremberg, not satisfied with having expelled the Jews from the city, endeavored to make their sojourn in the vicinity impossible. It protested when a Jew was made a citizen of Fürth. The citizens of Nuremberg were not allowed to buy meat from the Jews of Fürth, and trade with Jews was finally forbidden altogether (1533).

Six years later, July 30, 1539, Nuremberg citizens were even forbidden to borrow money from the Jews, under penalty of a fine of ten gulden. These severe measures seem to have been relaxed after a time, however, for the Jews resorted to the gardens outside the city to make purchases and sales. Under-Maximilian II. they were permitted to buy all their food supplies at the public fairs near Nuremberg, though this permission was rescinded on June 17, 1693.

They were permitted soon after to deal in the city itself on condition of reporting to the guard on entering the city, whereupon the guard detailed a musketeer to accompany each Jew during the day. The attendance of this escort was called a “lebendiges Geleite”; after a time an old woman was substituted in place of the musketeer. On the Jews’ departure from the city the guard levied a toll upon the goods purchased. No Jew was permitted to appear in the market between eleven and one o’clock in the day.

The various edicts intended to regulate the behavior of the Jews during their stay in the city were issued in the years 1721, 1723, 1732, 1774, 1777, 1780, 1787, and 1791. The desire is apparent in all these to admit the Jews to the city, although under the most severe conditions; for evident reasons, since the “lebendiges Geleite” system alone brought in an average revenue of 3,589 gulden a year.’ (Jewish Encyclopedia 1906)’