TO THE LIGHTHOUSE.jpg

 

Ze sloeg het blad om. Er waren nog maar een paar regels, zodat ze het verhaal kon uitlezen ook al was het al over bedtijd. Het werd laat. Dat zag ze aan het licht in de tuin; het verbleken van de bloemen en een grijze tint in de bladeren spanden samen om bij haar een gevoel van ongerustheid te wekken.  Eerst kon ze niet bedenken waarom.
Toen herinnerde ze zich: Paul en Minta en Andrew waren nog niet thuis.  Ze riep weer het beeld op van het groepje dat op het terras voor de buitendeur naar de lucht had staan kijken.

Je herkent het: de kleuren verbleken, het donker vergrijst de tuin. De grote kinderen zijn nog niet thuis.  Ze waren naar zee, krabben vangen en zo. Langs hoge smalle rotspaadjes lopen en een van hen zou uitglijden.  Hij zou te pletter vallen.
Maar ze laat niets merken aan de kleinste jongen voor wie ze een bed-verhaaltje voorleest.
En ze sprak de laatste woorden uit alsof ze die zelf had bedacht.

‚En nu is het uit,’ zei ze en ze zag in zijn ogen de belangstelling voor het verhaal wegebben; er kwam iets anders voor in de plaats, iets vreemds, bleeks, als de weerschijn van licht dat hem opeens een starende verwonderde uitdrukking gaf.  Ze draaide zich om en keek over de baai en ja hoor, daar was het licht van de vuurtoren dat regelmatig signalen over de golven uitzond, eerst twee korte flitsen en dan één die langer duurde.  Het licht was aangestoken.  Dadelijk zou hij haar vragen: ‚Gaan we naar de vuurtoren?’ En zij zou moeten zeggen: ‚Nee, morgen niet; vader vindt het niet goed.’  Gelukkig kwam Mildred binnen om hem te halen en de bedrijvigheid leidde hem af.  Maar toen Mildred hem de kamer uitdroeg, bleef hij achterom kijken en ze wist zeker dat hij dacht, we gaan morgen niet naar de vuurtoren; dat zal hij zijn hele leven onthouden.

Vaak gaat de auteur de woorden voorbij. Ze laat niets blijken van haar eigen ongerustheid, ze merkt ook de stilte op van het kind en vult zijn gedachten in. Ze weet dat er ervaringen zijn die zich op jonge leeftijd in onze geest prenten en ze extrapoleert ze zoals ze zelf herinneringen heeft aan haar kleine kindertijd die haar ook levenslang zijn bijgebleven.
Ze ruimt op. Zijn uitgeknipte plaatjes. Kinderen vergeten nooit iets.

Het was een opluchting dat ze naar bed gingen want dan hoefde ze met niemand rekening  te houden.  Nu kon ze zichzelf zijn, alleen. En er was één ding waar ze nu vaak behoefte aan had: denken; of eigenlijk niet eens denken.  Zwijgen, alleen zijn.

Nu de drukte wegviel, het gedoe (uitbundig,oogverblindend en luidruchtig) was er die wigvormige kern van duisternis, iets wat voor de anderen onzichtbaar was.
Het gebied van innerlijke ervaringen leek nu grenzeloos en ze weet dat ook de andere bewoners van het huis van mening zijn dat onze verschijningsvormen, de dingen waaraan men ons herkent, gewoonweg kinderlijk zijn.

Daaronder is alles donker, rekbaar, peilloos diep; maar nu en dan komen we aan de oppervlakte en dat is waaraan men ons kent. Haar horizon scheen haar eindeloos toe. Daar waren alle plaatsen die ze nooit had gezien; de vlakten van India; ze voelde hoe ze het zware leren gordijn van een kerk in Rome opzij duwde.  Die donkere kern kon overal komen, want niemand zag haar.  Ze konden haar niet tegenhouden, dacht ze triomfantelijk.

Je ontdoen van je persoonlijkheid zodat alle ergernis haast en drukte van je afvalt.  Zie je haar zitten breien terwijl het licht van de vuurtoren zich in hetzelfde ritme blijft herhalen?
Ze kon zich op zo’n momenten aan één ding hechten.  Haar lichtstraal bijvoorbeeld. En het zinnetje dat in haar hoofd zat, herhaalde ze: kinderen vergeten niets, kinderen vergeten niets.  Het zal ophouden, het zal ophouden.  Het zal komen, het zal komen

en waaraan ze dan plotseling toevoegde: We zijn in Gods hand.
Maar meteen daarop kon ze het van zichzelf niet uitstaan dat ze dat had gezegd.  Wie had dat gezegd?  Zij niet, ze was verleid tot het zeggen van iets dat ze niet meende.
Ze keek op van haar breiwerk en ving de derde lichtstraal op en het was net of haar ogen de blik van haar eigen ogen ontmoetten en haar hoofd en haar hart doorzochten, zoals zij ze alleen kon doorzoeken, en die leugen, iedere leugen uitwisten. Ze prees zichzelf door het licht te prijzen, zonder ijdelheid, want ze was streng, ze was bezig met zelf-onderzoek, ze was net zo mooi als het licht.

Hoe je je tot onbezielde dingen kunt aangetrokken voelen: bomen, water, bloemen. Het gevoel dat ze een expressie van jezelf werden

jezelf kennen, in zekere zin jezelf waren.  Je voelde daardoor een irrationele tederheid (ze keek naar het langdurige licht) als voor jezelf.  Een nevel steeg op en ze keek en keek met haar pennen in rust; de nevel kronkelde omhoog uit het diepste van haar gemoed, steeg op uit het meer van haar ziel, een bruid op weg naar haar geliefde.

Herken je die stilte?

vanessa-bell-virginia-woolf-in-a-deckchair-1912-1349361049_b.png