miro15.jpg

Tien jaar geleden begon ik aan dit blog.
Eerder als een poging om beelden en teksten die ik graag verzamelde mee te delen dan wel om mijn eigen doen en laten, althans wat het dagelijkse gebeuren betreft, te vermelden.
Het is nog een atavistische familietrek, dit ‚meedelen’ dit overbrengen zonder te veel een leraar te moeten zijn, geen onderwijzer, eerder een wegwijzer, één van de vele wegwijzertjes, die je naar mooie letteren en boeiende beelden mochten leiden.
Ik lees net in ‚Het innerlijk blauw’ een keuze uit Gide’s dagboeken 1918-1939, dat zijn grootmoeder langs moeders kant het beste wat ze te vertellen had aan haar kinderen en kleinkinderen tot het einde van haar leven wilde bewaren.

‚Toen ze voelde dat het plechtige ogenblik naderde, verzamelde zij ze allemaal om zich heen, maar op dat moment raakte haar tong verlamd en kwam er in plaats van een klinkende toespraak alleen een langgerekte kreet uit haar mond.  Zo’n harde schreeuw, zei Albert toen hij met deze herinnering vertelde, dat hij tot achter in de tuin te horen was.’ (20 oktober 1927)

Lijkt deze gebeurtenis thuis te horen in een Italiaanse film, ik denk dat zowel muziek, de schone letteren als de beeldende kunsten en de boeiende wetenschappen (ik lees nu over wiskunde en kosmologie) allerlei toonaarden van deze kreet ten gehore brengen en wij deze meerstemmigheid uit het verleden als compositie, verhaal of beeld kunnen terughoren zoals we het verre licht van sterrenstelsels in de densiteit van miljarden jaren geleden zelfs nu nog kunnen waarnemen.
Omdat ik mezelf eerder thuis voel bij de ‚verlamde’ tong dan bij de gezellen die oratoria, zelfportretten in olie op linnen, en vuistdikke romans tot ver achter de tuinen hoor- en zichtbaar kunnen maken, wil ik mijn kreetje bij de ver- en bewondering klasseren aangevuld met enkele eigen liedjes voor het slapengaan.

Gebeurt het lullen over kunst beter bij enkele stevige pinten en borrels, toch heb ik beetje bij beetje ontdekt dat zij alles met de pogingen tot het bewegen van ‚verlamde tongen’ heeft te maken.
Mijn sympathie voor de duif is misschien bekend zeker als ze zich als symbool voor ‚de Geest’ voordoet, de kracht die bange mensen dank zij de door haar bezorgde vurige tongen naar buiten drijft en hen in alle talen verstaanbaar maakt.
Het mag duidelijk zijn dat inspiratie (in-spirare) de eerste noodzaak is naast het trans-spirare om met de ingeving aan het werk te gaan. Verlamde tong of niet, ze zal spreken met inbegrip van de inspanning die net zo noodzakelijk is om verstaanbaar (gehoord) te worden.

Een ander aspect is dat kunst aan onze zijde staat bij bij de breuklijnen die onze korte levens isoleren van wat wij het verleden noemen, een kracht die zich elk ogenblik aan ons voltrekt en ons voor de spiegel vooral ’s morgens duidelijk wordt. Zij maakt ons duidelijk dat het voorbije bij ons blijft horen net zoals het toe-komende. Verbinding. Geneesmiddel ook tegen zeeziekte wanneer het zwalpen op het vlot ons de hoop op de kust ontneemt al zal de tocht belangrijker zijn dan het aanmeren.

Lipking_Plein_Air_16x20-large.jpg


Terwijl het Paas-oratorium hier draait, lees ik Eichendorff: ‚Je hoeft maar het toverwoord te zeggen en de wereld begint te zingen.’
Een verdachte bezigheid, dit ‚toveren’, en het woord ketterij zal niet lang uitblijven want het ‚scheppen’ is toch een goddelijke bezigheid, nietwaar?
Giordano Bruno wordt verbrand omdat hij de scheppende kracht van de mens, de natura naturans al te zeer geprezen had. Savonarola laat aan het einde van de vijftiende eeuw in de strijd tegen het adeltrotse en kunstminnende geslacht van de Medici in Florence schilderijen van Botticelli verbranden.  Artistieke creativiteit brandmerkt hij als teugelloos en zondig.
(Rüdiger Safranski, Het Kwaad, 185)

Dat uit het niets’ scheppen heeft niet alleen van buitenaf een zondig reukje, maar ook in zichzelf een merkwaardige negativiteit. ‚Creatio ex nihilo’, uit het niets dus geeft elke scheppingsdaad de ervaring van het niets en het nietige. Wie bij het witte vel papier heeft gezeten, kent dit gegeven. Ook Cees Nootenboom in zijn ‚Een lied van schijn en wezen’ waarin de lezer getuige wordt van de geleidelijke vorming van een vertelde wereld en kan mee maken hoe die geboorte van de vertelling voortdurend gevaar loopt vanwege het niets.

‚In de moderne tijd, sinds de politiek in nog sterkere mate ons ‚lot’ is geworden, zijn pogingen de kunst om te smeden tot een politiek instrument niet uitgebleven.  Ook zonder ideologische bevoogding dient het maatschappelijk nut als maatstaf voor de kunst en wordt ze op haar verantwoordelijkheid gewezen.  Kunstenaars hebben ofwel aan die eis maatschappelijk nuttig te zijn toegegeven, of ze hebben hem afgewezen, maar in elk geval konden ze er niet onverschillig voor blijven.’ (ibidem p.192)

Ja, de vraag of kunst geen elitaire luxe is kan je je stellen.  Graag de jonge Hofmannsthal die daarover schreef:

Maar velen moeten onderin sterven,
waar de zware riemen der schepen schampen,
anderen wonen bovenin bij het stuur,
en kennen de vogelvlucht en het Rijk der sterren.

Laten we hier, zoals het hoort, de deuren open staan en de tocht der vele mogelijkheden het huis verfrissen en de bemoeiallen buiten waaien. Ik neem het op voor het vrij ‚nutteloze’, dat wat er op het onverwachte toe doet, dat inderdaad enige inspanning vraagt of veelvoudige beschouwing mogelijk maakt. Nogmaals Hofmannsthal:


Veel lotgevallen ontstaan naast de mijne
het bestaan haspelt ze allen door elkaar,
en mijn deel is meer dan dit leven
slanke vlam of smalle lier.


De heer Tolstoi hing zijn lier vlak voor zijn dood aan de wilgen en ging zich maatschappelijk nuttig maken maar ik denk dat de zanger moet zingen, de schilder schetsen en kleuren al zal het onderwerp van het gezang en het penseel er zeker toe kunnen doen in zoverre zij de plooi van de maker meekrijgen, en zelfs al zal de lamme tong alleen nog kunnen schreeuwen, ook deze rauwe klank kan de enige verklanking zijn van het onmogelijke.

Bashkirtseff_Printemps_Spring_or_April-large.jpg


Natuurlijk draag ik de diepe angstsporen voor het monomane denken dat zich blijkbaar goed voelt in de lik op stuk tijden, de no nonsens ethiek en de kille bouwwerken waarin elke decoratie een zonde blijkt te zijn. De functionaliteit van de school voor het bedrijfsleven is nog zo’n uitwas van de creatiefloze ondernemer die denkt met goed getrainden zijn tekort aan innovatie en durf te kunnen maskeren. Schola is vrije tijd: of bevrijde tijd waarin je nieuwsgierig wordt gemaakt.
Zaten we hier thuis in de psychische rats met onszelf, kind of kleinkind, dan klonk er maar één kreet:  ga naar de bibliotheek, zoek een aantal boeken over je miserie en lees.  Met andere woorden:  verlaat je eigen beperking, laat de geest weer gaan waar hij wil en als de lamme tong je dwarszit, dan molenwiek je met je armen en benen, of je schrijft in het zand, of je zegt met Nabokov:

‚Een werk van fictie bestaat voor mij eigenlijk alleen voor zover het me, dat wil ik onverbloemd zeggen, esthetisch een heerlijk gevoel verschaft, dus de gewaarwording op de een of andere manier, ergens met andere zijns-toestanden verbonden te zijn.’

Die andere-zijns-toestanden hebben te maken met de ontsnapping aan je dagelijkse zelf door de beperkingen eerst en vooral op te heffen via de wegen die anderen al voor jou hebben bewandeld en tenslotte zelf aan het werk te gaan, nederig maar moedig om de lamme tong aan het werk te zetten en een eigen geluid(je) weer te geven en het toe te voegen aan de grote levensstroom waarin we ons kunnen baden, laven of laten vervoeren (in alle betekenissen van het woord) en waarin een veelvoud aan stemmen ons verbindt met degenen die waren en zullen zijn. De ware muziek der sferen, met dank aan Pythagoras en Max Wildiers.

 

met museum 1922.jpg