Thomas-Mann-und-Hermann-Hesse.jpg

Een ouder mens krijgt oog voor de  ‘opzij gelegde’ – boeken uit zijn collectie zoals ‘Herman Hesse, Thomas Mann, Briefwisseling, vertaald door W. Hansen en in 2004 uitgegeven door Atlas, Amsterdam/Antwerpen en op een boekenbeurs voor weinig geld verworven.

Mann vraagt Hesse, einde oktober 1931 om weer toe te treden tot de Pruisische Academie der Kunsten, afdeling Literatuur, genootschap dat hij op 10 november 1930 had verlaten, ‘…het enige officiële lidmaatschap waarmee ik me in mijn leven ooit heb ingelaten.’

Zijn motieven?

‘Ik heb het gevoel dat deze Akademie bij de volgende oorlog weer een flinke bijdrage zal leveren aan de schare van negentig of honderd prominente lieden die het volk, zoals ook in opdracht van de Staat in 1914, opnieuw over alle kwesties van levensbelang het volk zullen voorliegen.’

Thomas Mann vraagt hem in een innige brief op 27 november 1931 om op die beslissing terug te komen.

‘Zoals de dingen er nu in Duitsland voorstaan, beste Hesse, hoort u tot de Akademie. Voor haar zou het een onvoldoende te waarderen morele steun zijn als u, herkozen, weer lid zou worden, en het zou, als u het deed, een onbetwistbare correctie betekenen op een verkeerd oordeel over u en uw houding.’

Hesse wijst in zijn brief op de reactie van 93 prominente geleerden en intellectuelen in de herfst van 1914 tegen de beschuldigingen van een barbaarse Duitse oorlogsvoering in België.

Het antwoord op de vraag van Mann blijft echter net zo afwijzend.  Begin december 1931 heeft hij het over zijn diep wantrouwen jegens de Duitse republiek.

Die onevenwichtige en geestloze staat is ontstaan vanuit een vacuüm, vanuit de uitputting na de oorlog. De enkele goede geesten van de ‘Revolutie’ die dat niet was, zijn vermoord, en negentig procent van de bevolking keurde dat goed. De rechtbanken zijn onrechtvaardig, de ambtenaren onverschillig, het volk volkomen infantiel.’

Met ‘de goede geesten’ bedoelt hij Gustav Landauer (1870-1919) Kurt Eisner (1867-1919), Mathias Erzberger (1875-1921) Karl Liebknecht (1871-1919) Rosa Luxemburg (1870-1919) en Walther Rathenau (1867-1922).

‘Van elke duizend Duitsers zijn er ook nu nog 999 die niets van een oorlogsschuld willen weten, die de oorlog niet gevoerd, noch verloren hebben, noch het verdrag van Versaille hebben ondertekend, dat ze als een perfide donderslag bij heldere hemel hebben ervaren. Kortom, ik ben van de gezindheid die Duitsland beheerst even ver verwijderd als in de jaren 1914 en 1918 in plaats van het piepkleine stapje naar links die de mentaliteit van het volk heeft gezet, vele mijlen naar links gedreven.  Ik ben ook niet meer in staat enige Duitse krant te lezen.’

Het is goed te weten dat Hesse in de Eerste Wereldoorlog wegens zijn oproep tot begrip tussen de volkeren, door de Deutschnationalen werd aangeduid als ‘nestbevuiler en vaderlandsloze gezel’, bv. in het Köllner Tageblatt van 24 oktober 1915.

Bij het lezen van deze boeiende correspondentie wilde ik graag deze passage ‘uitlichten’ zoals ik dat weldra ook zal doen met het terugvinden van het eerste boek van Henry de Montherlant, ‘La relève du matin’ voor het grootste gedeelte tijdens die eerste wereldoorlog aan het front geschreven maar handelend over ‘la gloire de l’adolescence catholique et des maisons d’ éducation religieuse’ nu een zekere Vlaamse staatssecretaris het had over zijn droom om een elite-school te stichten, iets waar zowel de katholieken als de nazi’s hem zijn voorgegaan om maar te zwijgen van de Jezuieten.

kahlenberg.jpg