UITGELICHT (13) LEON JAMIN: L’ ETE A BANNEUX

P6090011.jpg

Léon Jamin was het zesde kind van 14 broers. Hij was leerling van Evaristo Carpentier en Adrien de Witte aan de Luikse academie.
Verschillende tentoonstellingen tijdens de jaren 1920-1930 in Brussel en Luik.
Maakte studiereizen in Spanje en de Provence. Werk van hem bevindt zich in het ‘Musée de l’ Art Wallon’te Luik.

Als post-impressionist werkt hij zowel in de Kempische als in de Ardense landschappen waar hij met Carpentier rondtrekt.
We weten dat hij in en om het Limburgese Genk bij de derde golf schilders hoorde die zich daar soms voor enige tijd nestelden.
In zijn tekst ‘Genk door schilderingen. Landschapsschilders in de Limburgse Kempen (1840-1940) geeft Kristof Reulens een mooi samenvattend overzicht van hun artistieke en andere activiteiten. (pdf internet)
Hij was een regelmatige bezoeker van Hôtel de la Cloche.
In 1933 schilderde hij voor de toenmalige kapelaan Louis-Marin Jamin het drieluik van de verschijningskapel te Banneux.

Dit mooie werk, olie op houten plaat, is onderaan rechts getekend en achteraan gecontra-signeerd en gedateerd 1935 en betiteld door de schilder: L’ été à Banneux.
Hedendaags profielkader.

Ver weg van de drukte van het Maria-oord deze boerderij met grote boom waaronder de koeien schaduw zoeken.
Het is zomer. De luchten ijlblauw, het gras vergeelt, de bomen diepgroen bieden nog soelaas. Het zal middag zijn, korte, kleine schaduwen.
De schilder geeft door zijn standpunt een mooie diepte weer waarin de weide, het gebouw en de bomen tot aan de lucht lopen.
Stevige penseeltrekken voor de lommerrijke boom, zachte tonen voor de luchten en de weide. De figuratie lost op in het spel van licht en donker.
Het licht in verschillende zomerse tonaliteiten van ijl blauw tot donkergroen is de hoofdpersoon in dit werk.

werk: 33 x 45 cm, met kader: 48 x 60 cm
in perfekte staat

intussen verkocht
timelessartcollection.eu

P6090012.jpg

UITGELICHT (12) ZEGGEN WAAROP HET STAAT: THOMAS MANN

mann-thomas-reisekoffer.jpg

Het duurde een tijdje vooraleer Thomas Mann vanuit zijn Zwitsers ballingsoord duidelijk stelling neemt tegen de Nazi’s. Hij koesterde lang de illusie dat de autoriteiten zouden begrijpen dat hij het systeem niet rechtstreeks aanviel of wilde ondermijnen, maar dat hij als vrije burger – en dit zeker als een vrije schrijver- de plicht had zich ongestraft over de fundamenten ervan uit te spreken, omdat hij in een traditie stond.
Ik put hier uit Margreet den Buurman’s biografie ‘Thomas Mann, schrijverschap tegen de vergankelijkheid’, uitgeverij Aspekt Soesterberg, 2010.

‘Hij probeerde beurtelings de autoriteiten gerust te stellen door hen duidelijk te maken dat hij apolitiek was en zich slechts met cultuur bezighield.’

‘Natuurlijk richtte hij zich tot een gehoor dat al lang niet meer bestond:  een welwillend gehoor dat beschaving en redelijkheid hoog in het vaandel heeft en uitgaat van democratische principes.’ (als ze er al iets van zouden begrijpen overigens! nvdr)

We zijn dan in 1934.  Even lijkt het dat de nazi’s ingingen op zijn brief maar in september 1935 wordt hun villa opnieuw in beslag genomen en zou ze in 1937 door de vereniging Lebensborn voor het kweken van raszuivere Ariërs gebruikt worden. Zelfs Himmeler zou een tijdje in hun villa resideren om daarna in 1940 in verschillende huurwoningen te worden ingedeeld.

2-format43.JPG

‘Op 3 februari 1936, toen Thomas Mann zijn stem tegen het nazisme nog steeds niet publiekelijk had laten horen en zijn uitgever Bermann onder vuur lag omdat hij in Duitsland bleef publiceren, hetgeen onder de omstandigheden zeker verdacht was omdat alles wat inmiddels niet was gelijkgeschkeld had moeten uitwijken naar het buitenland, schreef Ter Braak in Het Vaderland een scherp artikel, Gerucht om Thomas Mann.  Hij stelde hierin:

(…) ‘Men kan niet twee heren dienen ook al zou men alleen maar neutraal willen zijn en in zekere omstandiheden doet men er beter aan een verbod van zijn werken als een erezaak te beschouwen (…) Niemand verlangt van Mann dat hij zich solidair zal verklaren met een aantal auteurs (emigranten), waartegen hij terecht bezwaren zal hebben aan te voeren; maar wel verwacht de wereld van hem dat hij eindelijk duidelijke taal zal spreken, het laatste misverstand zal wegnemen;;, zelfs al mocht hem dat zijn lezers in Duitsland kosten.’

Zijn houding zorgde ook in het gezin voor conflicten.  Zoon Klaus liet hem vallen, dochter Erika nam het voor hem op maar bestookte hem met kritiek. Echtgenote Katia probeerde de gemoederen te bedaren en zei later dat het beter was geweest dat hij dadelijk stelling had genomen.
Ook de dubbelhartige houding van uitgever Bermann (Fischer uitgeverij) die gedoogde auteurs wilde blijven uitgeven in Duitsland  en voor een deel met de uitgeverij naar het buitenland wilde uitwijken, maakte het niet makkelijker.  Als Jood werd Bertelman daarbij niets in de weg gelegd door het regime zodat Leopold Schwarsschild, een gezaghebbende joodse socioloog,  hem als een soort ‘beschermjood’ of ‘excussjood’ ging beschrijven wat door de betrokkene niet in dank werd afgenomen.

mann-thomas-fotografie-in-sanary-sur-mer.jpg

Thomas Mann, Hermann Hesse en Anette Kolb nemen het in een artikel voor hem op maar dat vindt Erika dan weer een brug te ver. Ze vindt dat hij bij de afdeling Duitse literatuur van uitgeverij Querido in Amsterdam zijn werken kan publiceren waar naast Klaus ook al een aantal Duitse auteurs een onderdak hadden gevonden.
Op 19 janauari stelt ze haar vader een ulitmatum:  ofwel, hij moest zich loyaal aan de emigranten betonen, ofwel zou hij haar verliezen.
Natuurlijk reageert Katia tegen dit ultimatum, dat immers ook haar trof. De bekende uitleg:zij was het ook niet blij met het publieke protest maar anderzijds moest Erika erop vertrouwen dat haar vader wist wat hij deed. (163)

Thomas schreef een brief van 12 kantjes als antwoord aan Erika:  aan Eri, voor haar en voor de generaties na mij.

(…) ‘Men moet geduld met mij hebben, ikzelf moet het hebben, mijn eigenlijke morele vermogen handhaafde zich altijd hierbinnen. (…) Het heeft weinig zin de wereld aan te roepen tegen de verschrikking, zolang de Duitsers daar zelf niet innerlijk en grondig klaar voor zijn – en als niet alles mij bedriegt, zijn ze hier niet meer ver van verwijderd.’

mann1.jpg

Als er dan opnieuw een artikel van Leopold Schwarzschild verschijnt en deze zijn pijlen op Mann richt reageert daartegen Eduard Korrodi, hoofdredacteur van de Neue Zuricher Zeitung die het met een open brief opneemt voor Thomas Mann.

‘Hij stelde dat Schwarzschild de Duitse literatuur verwisselde met de joodse, en dat het werk van een belangrijke schrijver Thomas Mann immers nog steeds in Duitsland werd uitgegeven.  Hiermee plaatste hij hem buiten de emigrantenliteratuur, alsof hij het nazibewind was toegedaan.
Hierop kon Thomas Mann alleen maar duidelijk reageren.
Vooral de zin dat ‘ een deel van de emigranten Duitse literatuur gelijkstelde aan de joodse’ moet hem in het harnas hebben gejaagd.
Op 3 februari 1936 verscheen zijn reactie in de NZZ in de vorm van een uitvoerige open brief aan Eduard Korrodi.  Een fragment:

‘De Duitse jodenhaat echter, of die van de Duitse machthebbers, betreft in spiritueel opzicht helemaal niet de joden of niet hen alleen:  het betreft, zoals dit steeds duidelijker blijkt, de christelijke fundamenten uit de Romeinse beschaving in de oudheid: het is de poging (gesymboliseerd door het uittreden uit de Volkerenbond) van een afschudden van bindingen die de civilisatie betreffen, die een verschrikkelijke, onheilszwangere vervreemding dreigt te veroorzaken tussen het land van Goethe en de rest van de wereld.’

En dan zijn openlijke stelling tegen het nazibewind:

De diepe overtuiging, die door duizenden menselijke, morele en esthetische afzonderlijke waarnemingen en indrukken dagelijks wordt gestaafd en gevoed, dat er uit de huidige Duitse heerschappij niet goeds kan ontstaan, niet voor Duitsland en niet voor de wereld, – deze overtuiging heeft mij het land doen mijden, een land met een geestelijke traditie waarin ik dieper ben geworteld, dan degenen die sinds de afgelopen drie jaar aarzelen of ze de moed hebben om mij voor het oog van de wereld mijn Duitser-zijn te ontzeggen. En vanuit het diepst van mijn geweten ben ik er zeker van, dat ik voor tijdgenoten en latere generaties juist heb gehandeld mij bij diegenen te scharen voor wie woorden gelden van een waarachtige nobele Duitse Dichter:

“Wie echter vanuit zijn hart het slechte haat,
ook uit het vaderland zal het hem verdrijven,
indien het ginds wordt vereerd door een volk van knechten.

Veel wijzer is zich van het vaderland af te keren,
dan onder een onnozel geslacht
het juk te dragen van blinde volkshaat.”

Thomas_Mann_Nidden.jpg

Dat zijn verzen uit een sonnet van August von Platen (1796-1835) die Duitsland verliet omdat hij vervolgd werd vanwege zijn homosexualiteit.
In de Mozart-biografie van Einstein is het gedicht ‘Tristan’ opgenomen van dezelfde dichter, Mann’s favoriete dichter.
Volgens Klaus Harpprecht in zijn biografie over Thomas Mann was vooral het gedicht Tristan van Von Platen een van die gedichten die hem -zelf een dichter die hier vanwege schaaamte afstand van deed- zijn hele leven begeleidde.
In een mooie vertaling van Paul Claes drukt het de essentie uit van wat een kunstenaarsleven heet.  Ik heb het ook innig lief.

Wie de schoonheid heeft aanschouwd met ogen,
Voelt zich reeds ten dode opgeschreven,
Niets op aarde zal hij meer vermogen
Ook al moet hij voor de dood nog beven,
Wie de schoonheid heeft aanschouwd met ogen!

Eeuwig zal voor hem het lijden duren,
Want een dwaas slechts kan op aarde hopen
Dat hij zulke liefde kan verduren:
Wie de schoonheidspijl niet is ontlopen,
Eeuwig zal voor hem het lijden duren!

Ach, was hij maar als een bron bedorven,
Had hij gif uit elke lucht gezogen,
Was hij maar aan bloemengeur gestorven:
Wie de schoonheid heeft aanschouwd met ogen,
Ach, was hij maar als bron bedorven!

head_gesellschaft.jpg

Vergelijk deze vertaling met die van Victor van Vriesland

Wie de schoonheid zag met eigen ogen

Is reeds aan de dood ten prooi gegeven,
Deugt voor niets meer in het aards vermogen,
En toch zal hij voor de dood nog beven,
Wie de schoonheid zag met eigen ogen.

Eeuwig zijn voor hem der liefde smarten,

Want een dwaas slechts kan op aard’ verlangen
Te voldoen aan deze drang des harten:
Wie eens door het schone werd gevangen,
Eeuwig zijn voor hem der liefde smarten.

Ach, hij wil wel als een bron verzanden,

Had met de adem gif graag ingezogen,
Wil op bloemgeur bij de dood belanden.
Wie de schoonheid zag met eigen ogen,
Ach, hij wil wel als een bron verzanden.

Bosio-hyacinth-front.jpg

Wer die Schönheit angeschaut mit Augen,
Ist dem Tode schon anheimgegeben,
Wird für keinen Dienst auf Erden taugen,
Und doch wird er vor dem Tode beben,
Wer die Schönheit angeschaut mit Augen!

Ewig währt für ihn der Schmerz der Liebe,
Denn ein Tor nur kann auf Erden hoffen,
Zu genügen einem solchen Triebe:
Wen der Pfeil des Schönen je getroffen,
Ewig währt für ihn der Schmerz der Liebe!

Ach, er möchte wie ein Quell versiegen,
Jedem Hauch der Luft ein Gift entsaugen
Und den Tod aus jeder Blume riechen:
Wer die Schönheit angeschaut mit Augen,
Ach, er möchte wie ein Quell versiechen

1-Fleur-de-lys-Grand--.jpg

UITGELICHT (11) OSCAR WILDE: CANZONET

full16996294.jpg


De negentiende eeuw maakte in haar beeldentaal voortdurend gebruik van elementen uit de sagenwereld.  Het modernisme van deze eeuw waar in korte tijd van middeleeuwse landschappen naar industriële omgevingen  werd gewisseld, met daarbij grote mutaties op filosofisch-wetenschappelijk terrein, kon haar angsten kwijt in een geïdealiseerde droomwereld waarin neo-gothiek, de prerafaëlieten en beeldentaal uit de Grieks-Romeinse godenwereld aanwezig waren. Vooral de opkomende middenklasse was een grage afnemer van deze esthetica terwijl sociale protesten tegen uitbuiting en armoede slechts naar het einde van deze merkwaardige eeuw zichtbaar werden.

 

William_McTaggart_-_Spring_-_Google_Art_Project.jpg

De melancholie, het verliezen van onschuld, het verdwijnen van het idyllische landschap (dat nooit bestaan had) richtte de aandacht op het individu.  Als enkeling was er misschien nog ontsnappen mogelijk. De overaccentuering op kledij, het ridiculiseren van de nouveau riches, de verschijning van de snob of dandy, waren vooral in een standenmaatschappij als de Engelse pogingen om de hypocrisie en de vereenzaming tegen te gaan of minstens te signaleren.

Het zijn heel algemene bedenkingen bij de mooie tekst van Oscar Wilde: ‘Canzonet’.  Hij schreef het gedicht in 1888.  Het verscheen in Art en Letters van april, het jaar trouwens van het ontstaan van het mooie verhaal ‘The happy Prince and other Tales’.

I have no store
Of gryphon-guarded gold;
Now, as before,
Bare is the shepherd’s fold.
Rubies nor pearls
Have I to gem thy throat;
Yet woodland girls
Have loved the shepherd’s note.

Then pluck a reed
And bid me sing to thee,
For I would feed
Thine ears with melody,
Who art more fair
Than fairest fleur-de-lys,
More sweet and rare
Than sweetest ambergris.

What dost thou fear?
Young Hyacinth is slain,
Pan is not here,
And will not come again.
No horned Faun
Treads down the yellow leas,
No God at dawn
Steals through the olive trees.

Hylas is dead,
Nor will he e’er divine
Those little red
Rose-petalled lips of thine.
On the high hill
No ivory dryads play,
Silver and still
Sinks the sad autumn day.

 

The_Death_of_Hyacinthos.gif


Er treden griffioenen op, (Saab gebruikte zo’n griffioen in zijn logo! En ja, ook de vlag van Wales herbergt er eentje.) gevleugelde draken die het goud zouden bewaken. (onvertaalbaar de 3 mooie g-woorden: gryphon-guarded gold: griffioens-geketend goud?) en de arme herder moet het zonder robijnen of parels doen nu hij weer eens -de schuld van de meisjes?- platzak is. Dus wordt een rietstengel geplukt om de bevallige oortjes met een mooie melodie te vullen, mooier dan de mooiste fleur-de-lys (Frans lelie-ymbool) en zoeter en zeldzamer dan de zoetste ambregris.  
Ik weet niet of Oscar Wild besefte dat ambregris uit de darmen van een potvis wordt gewonnen maar blijkbaar is het een kostbaar ingrediënt voor de aanmaak van de zoetste (duurste) geuren in de parfummerie.
En waar heeft hij(zij) schrik voor? De jonge mooie Hyachint is neergeslagen (door Apollo), Pan is afwezig en komt niet meer terug, en geen gehoornde Faun is er in de gele weilanden te zien. Geen god bij dageraad komt steels langs de olijfbomen.
Hylas is dood. Hij was de mooie vriend van Herakles maar werd op tocht naar het Gulden Vlies door nimfen in het water gelokt! Hij zal dus jouw rozenblaadjes-lippen niet meer vergoddelijken. Op de hoge heuvel spelen geen ivoorkleurige dryades meer, boomnimfen die eeuwig leven of net zo lang als de boom waarin ze huizen.  Zilver en stil zinkt de droevige herfstdag weg.

P953_299181.jpg


Nu de mythologie niet meer werkt blijft de minnnaar alleen. Een gevoel van alle eeuwen.
Je moet de mooie tekst vaak lezen, de melodie erin ontdekken, iets wat blijkbaar zelfs hedendaagse muzikanten hebben gedaan.

Of Wilde deze dames had toegejuicht weet ik niet.  Laten we het gewoon houden bij wat hij zelf over muziek zei:“You don’t love someone for their looks, or their clothes, or for their fancy car, but because they sing a song only you can hear.” Tja.

 

Nature___Flowers_Hyacinth_flowers_at_home_065854_.jpg

 

UITGELICHT (10): KAIROS EN CHRONOS

700x400_fill_Kairos2_700x400.png

Kairos: het juiste moment om iets voor elkaar te krijgen. 
Als god was Kairos het jongste goddelijke kind van Zeus.
Kairos wordt afgebeeld zonder kleren en kaal, afgezien van een haarlok op zijn voorhoofd. De betekenis hiervan is dat je een kans kunt grijpen als je hem vooraf aan ziet komen, maar achteraf is er geen manier om hem weer terug te halen. Net als Hermes wordt hij vaak afgebeeld met vleugels aan zijn voeten, omdat de gelegenheid snel weer voorbij is.

Hij is altijd jong en mooi, want er is steeds weer een nieuwe gelegenheid die schoonheid voort kan brengen en met de schoonheid vergaan ook de kansen. Hij heeft vaak een scheermes of een weegschaal bij zich, wat benadrukt dat de gelegenheid een kritiek moment is: scherp onderscheidend en doorslaggevend voor het vervolg. (Wikipedia)
Filosofisch zet Joke Hermsen hem tegenover Chronos, de kloktijd waar onze digitale beschaving op en naar leeft.

Eigenlijk was Kairos een strategie om los te komen van die andere Griekse God van de tijd, Chronos geheten die de uren telt en onverstoorbaar wegtikt en daarmee orde en structuur in de wereld aanbrengt, maar ons ook het patroon van de eeuwige herhaling oplegt.  Waar Chronos staat voor continuïteit, betekent Kairos juist een tijdelijke onderbreking ervan.  Tijdens dat interval vergeten we als het ware de kloktijd en komen we in een andere tijdervaring terecht.

250647064_ca29bc0095_b.jpg


Ik vat de ideeën uit het hoofdstuk samen:

In de Griekse mythologie was Kairos de jongste en meest rebelse kleinzoon van Chronos, die voor verandering en inzicht zorgt en daarom als een jonge gespierde god wordt afgebeeld. Chronos is de oud man, zandloper in de hand: elk uur, elke minuut is gelijk aan ieder ander uur en minuut. Hij is de praktische tijd waarmee we de wereld inrichten.
De Duitse filosoof Paul Tillich  schrijft in Philosophie und Schicksal (1961) dat deze tijd geen recht doet aan het veranderlijke karakter van de wereld noch aan onze subjectieve ervaring van de tijd. Iedereen weet dat een uur, naar gelang omstandigheden, leeftijd of plaats niet even lang schijnt te duren.

Wat zich in het Kairos-moment als ‘gebeurtenis’ openbaart is niets minder dan de authenticiteit van het Dasein (Heidegger in Zijn en tijd in 1928) dat wil zeggen de meest authentieke zijnsgesteldheid van de mens, omdat pas dan zijn ‘in de wereld zijn’ aan de ‘volheid’ van de tijd verbonden wordt.  Heidegger heeft het over de Anfängliche Zeit, de tijd die nieuwe mogelijkheden voor ons vrijlegt, omdat in het Kairos-moment van ‘de tussentijd’ een breuk of cesuur met de Chronos-tijd plaatsvindt.
(denk aan Archimedes die heureka, heureka roepend door de straten van Syracuse liep toen hij de wet van de opwaartse kracht van een lichaam had ontdekt; de kairos-tijd is dus het beste moment om een keerpunt op welk gebied dan ook in gang te zetten.

 Ook het toeval, de serendipiteit valt onder de kairos. Hermsen haalt Alexander Fleming aan die bij toeval de penicilline ontdekt bij het opruimen van zijn labo en schimmels op een kweekplaat waarneemt die groei van bacteriën afremden. Toeval en geluk, ja maar ook zijn intuïtie, alertheid en schranderheid die hem in staat stelden oog te hebben voor het onverwachte en de kans te grijpen die hem op dat moment geboden wordt.
Zich op het “juiste” moment weten te verbazen is de eerst stap van de geest naar de ontdekking.’ een uitspraak van Louis Pasteur.
Of deze kairos een plaats krijgt in de wetenschappelijke opleidingen durf ik betwijfelen.

72782071_69272909.jpg

De kloktijd is in toenemende mate de economische tijd geworden.  Deze heeft ons van een meer subjectieve, creatieve en vooral diepzinniger benadering van tijd vervreemd.

Vaak werd Saturnus met Kronos gelinkt, de tijd immers eet zijn eigen kinderen op, de minuten, uren, dagen maanden en jaren. Ivan Akimov beeldt hem hier af als een gevleugelde oude man, zeis in de hand die alles neermaait.  Hier verwoest hij de liefde uitgebeeld door de kleine Cupido, de zoon van Venus, godin van schoonheid en diezelfde liefde. (zie ook de andere afbeeldingen die hetzelfde thema hebben.)

Ivan_Akimov_Saturn.jpg


‘Het politieke potentieel van deze kariotische tijd zit hem zowel in het ontmaskeren of onthullen van wat er in de geschiedenis bedekt en aan het oog onttrokken wordt als in het alert en adequaat reageren op de toevalligheden en mogelijkheden die zich nu aan ons voordoen.(…)
We zijn op zoek naar nieuwe vormen van samenleven en naar nieuwe, harmoniserende verhoudingen teneinde de wereld bewoonbaar en de aarde leefbaar te houden.’

De vraag wordt duidelijk:  Hoe moeten wij ons tot de technoglogie verhouden, om te voorkomen dat deze met ons aan de haal gaat?  Welke houding moeten we ten aanzien van de digitalisering innemen om ervoor te zorgen dat deze niet onze levens gaat beheersen?’

‘Kairos, een nieuwe bevlogenheid, Joke J. Hermsen Atheneum Polak, Amsterdam 2014)

UITGELICHT(9) HET EXPERIMENT

 

Projekt_MW_5d_2009_10.JPG

La raison seule nous apprend à connaître le bien et le mal. La conscience qui nous fait aimer l’un et haïr l’autre, quoique indépendante de la raison, ne peut donc se développer sans elle. Avant l’âge de raison, nous faisons le bien et le mal sans le connaître; et il n’y a point de moralité dans nos actions, quoiqu’il y en ait quelquefois dans le sentiment des actions d’autrui qui ont rapport à nous. Un enfant veut déranger tout ce qu’il voit: il casse, il brise tout ce qu’il peut atteindre; il empoigne un oiseau comme il empoignerait une pierre, et l’étouffe sans savoir ce qu’il fait. (J.J Rousseau: Emile)

Jean Jacques wist het al, dacht hij: de rede en de rede alleen brengt ons het besef van goed en kwaad bij, en met het aanbrengen van die rede kun je niet vroeg genoeg beginnen want de mens is van nature goed en we schermen hem dus best af van de boze buitenwereld zodat hij door de rede zijn ‘primitieve’ goedheid kan ontwikkelen in alle rust, beschermd tegen het boze-van-buiten-uit.

De invloed van deze ideeën strekt zich blijkbaar tot vandaag uit, en betreed je het broze pad van de opvoeding of de ideeën daaromtrent dan blijkt bescherming meer dan ooit het te halen op avontuur, dialoog, uitdaging.

Het was dus schrikken geblazen toen in de uitzending van Koppen een experiment uit de jaren zestig werd herhaald en de brave burgerkinderen zo waar niet vies waren van enig meeheulend en onderdrukkend gedrag als ze zich in de spreekwoordelijke rug gedekt voelden door de macht, niet gehinderd door ‘la raison’ die hen toch al jaren was ingelepeld.
Schrok ikzelf eerder van het feit dat er dus rekenoefeningen tegen de klok gangbaar zijn, sportief dat wel maar in mijn oude ogen ‘bangelijker’ dan het maken van een combinatie tussen ‘bruin’ en ‘vuilnisman’, in een opgefokt klimaat van het experiment duidelijk meer uitgelokt dan voortdurend aanwezig.
De missionerende uitspraken van de intussen bejaarde moeder-van-het-experiment (‘dit land heeft hulp nodig) brachten eerder de charmant naieve kant van de dame dan de bedenkelijke toestand van onze samenleving aan het licht.

DSC04280-1024x768.jpg

Er heerst in de buitenwereld van pers en andere communicatie al een tijdje een soort masochisme van ‘wij-doen-te-weinig-ons best, stoute ons) en elke lichte golf van welk oud of nieuw verzonnen experiment en enquête moet de ondergang van het avondland bewijzen en ons met een soort ‘zie-je-wel’ opzadelen, een emotie die het midden houdt tussen ‘eigen schuld’ en ‘zie-je-wat-ervan-komt’: scholen die op instorten staan, sex op veertien jaar, geen wiskundige interesse, schoolmoeë kinders die de centrale examencomissie verkiezen boven de school, kandidaat-leraren die massaal afhaken, en de geachte lezer kan zeker nog wel een tiental aanvullingen formuleren.

Een collega van dit blog voerde dit experiment uit begin jaren zeventig van de vorige eeuw.  De klas bestond uit jongens van dertien, veertien jaar. Ware het nu de jaren zeventig of de eenzijdige jongensbende, maar de tweede dag toen de verdrukten aan de macht kwamen, sprong er iemand recht en die riep:  ‘ik doe hier niet meer aan mee!’ nochthans een blauwogige-aan-de-macht.  Dat was voor de begeleider toen het bewijs dat ze op het goede spoor zaten: tegen de macht durven opkomen zonder al te veel eigenbelang. (ik denk hier terug aan het meisje dat wenend in de gang zat, de eerst dag, een hoopvol teken dat het nog niet zo slecht gaat met de jochies!)

dior-baby-enfants-ss-printemps-ete-2015-9.jpg

Want daar gaat het om.  Op de eerste plaats tegen iedereen in durven opkomen voor jezelf en de andere verdrukten.  Duidelijk laten zien waar je voor staat. Wellicht waren de kinderen van 2015 daar te jong voor, maar als je bedenkt dat het experiment zich in een school afspeelt, een plaats waar je niet uit vrije wil naar toe gaat, waar het vaak elke dag knokken is, waar het woord terrorisme ook al door kinderen in praktijk wordt gebracht dan begin je te beseffen:  het is dus des mensen.  Vraag maar aan kleuterjuffen wat zij soms op de speelplaats of zelfs in het kleuterklasje meemaken.  Wij zijn bange mensen van nature.  Onze drang naar zelfbehoud is ingeboren. Wij willen overleven, dat zit in onze genen.  Wij zijn niet fraai, niet al te sociaal.  Eerder beperkt in empathie als we zelf niet eens de kansen krijgen om te mogen zijn wie we (maar) zijn.

En jawel dat ‘racisme’ is zeker ingeboren, daar zit nu net het probleem. Jean Jacques moet maar eens zijn mond houden.  De werkelijkheid  heeft het meer bij The Lord of the flies te zoeken dan bij dames-met-een missie. Wij worden elk uur van de dag met nieuws gebombardeerd op alle mogelijke schermen en voor zoveel informatie zijn wij niet gebouwd, wij kruipen weg al doen we ons moediger voor dan we in werkelijkheid zijn.  Natuurlijk hebben we te doen met de gestapelde mensen in bootjes, met alle mogelijke slachtoffers van machtigen en meerderen maar we moeten de afbetalingen regelen, de kinderen een toekomst geven, voor onze oude ouders zorgen, het nieuw samengestelde gezin onderdak bieden, een nieuw doel vinden en een betere job, de naderende dood trotseren, vriendelijk en voorkomend zijn, honderd faceboek vrienden hebben, ons om het milieu bekommeren en…
Dat is het vertrekpunt en niet de opgestoken vingertjes (het oergevoel in de wijsvinger) van alle redacteuren en boetepredikers maar een plaats voor de wee- en deemoedigen, al zit in dat laatste te veel ‘onderworpenheid’ naar mijn gevoel.

Herken en erken je dat vertrekpunt dan pas kan er iets worden opgebouwd waarin respect voor elkaar en bijstand werkelijke begrippen worden.  Want er is ook een grote rijkdom aanwezig in al dat menselijk potentieel. Nu houden de meesten hun adem in want elke persoonlijke beweging kan een mediastorm teweeg brengen, een twitter fluitconcert een google moordpartij in wat Joke J. Hermsen ‘het tijdperk van digitale transformatie’ noemt. (Kairos, een nieuwe bevlogenheid)

Schule-Kunst-Museum-2013-15-1024x627.jpg

‘De Franse filosoof Michel Foucault heeft in zijn laatste colleges die hij in 1983-1984 aan de universiteit van Berkeley hield het kairotische ogenblik van Isocrates verbonden aan het Griekse begrip parresia, dat vrijmoedig, oprecht en waarheidsgetrouw spreken betekent. Deze vorm van waarheidsspreken  -‘le dire vrai’ – betekende voor hem dat de spreker eerlijkheid, subjectiviteit en waarheid verkiest boven het herhalen van clichés, dat hij of zij zich kritisch durft uit te spreken tegen de heersende opinies en de morele plicht stelt boven het eigenbelang. ‘Parresia’ houdt ook in dat de spreker in het verwoorden van zijn of haar ‘waarheid’ risico’ s moet durven nemen en de eigen sociale positie op het spel wil zetten.  In plaats van reeds geaccepteerde meningen te vertolken die de eigen positie binnen de maatschappij bevestigen, moet de spreker op het juiste moment de moed opbrengen zijn of haar ‘waarheid’ te vertolken die niet alleen voor verandering van inzicht maar ook voor de noodzakelijke heterogeniteit of pluraliteit binnen een samenleving kan zorgen.’ (ibidem)

Meer nog dan de voortdurende zedenprekerij zal dus een ruimte nodig zijn voor dit gedurfde spreken dat meer dan eens zal indruisen tegen onze door angst ingenomen stellingen.  Een school kan zo’n plaats zijn waarin de werkelijkheid van alle deelnemers, jong of oud, aan bod komt, waar oor is voor verzuchtingen, genade voor mislukkingen, respect voor pogingen en humor ter herkenning.

Met bewondering voor degenen die er dag in dag uit naar toe gaan en er zelfs blijven.

istock_000019164839medium-web_0.jpg

 

UITGELICHT (8) Kroost- en Troostrijke gedachten

Freud_the_village_boys_1942.jpg

De dorpsjongens van Freud in hun gestuikte volwassenheid, zonder de franjes die kerk, staat en ouders in de nabije kroost projecteren. Er is ‘de portret-houding’, ja zelfs het pelsje waarop de baby ooit in zijn naaktheid zich presenteerde.

Er zijn de anderen, soms alleen de ogen, het ‘komen kijken’ waarmee wij hen afweren: je komt nog maar net kijken, en waarmee waardering en jaloezie zich in elkaar verstrengelen.

Lucian-Freud-Boys-Head.jpg

Er zijn ook gedeelde herkenningen: afgewend van de wereld en haar verwachtingen, een moeheid die ons verenigt. Je kunt makkelijk schuldbewustzijn wakker maken, bepaalde -ogen, -euten, en -aters zijn daar bedreven in terwijl net barmhartigheid het zou moeten halen:  we zijn elkaar bekend. We verschillen in jaren en hebben minder of meer ervaring, maar vergis je niet zoals Erik Ericson schreef: het zijn geen grote burgers in hun kleine wereld waarin we Disneyland en Plopsaland situeren maar kleine burgers in dezelfde grote wereld waarin wij van hun verwondering kunnen leren en zij de onze als geruststelling mogen ervaren als we gezamenlijk aan dezelfde moeheid lijden.

Pierre_Auguste_Renoir_Jeune_garcon_sur_la_plage_d_Yport.jpg

Auguste_Renoir_-_Fernand_Halphen_as_a_Boy_-_Google_Art_Project.jpg

Renoir met zijn ‘jeune garçon sur la plage d’ Yport’  en zijn portret van Fernand Halphen als jongen had nog net de kans om niet met het begrip ‘jeugd’ te moeten worstelen.  Hier staan ‘les garçons, ‘ kleren bedacht door de toenmalige gegoede kinder-industrie, matroosjes die tot in de late jaren vijftig hun opwachting bleven maken, maar tegelijkertijd stralend van zelfzekerheid: je doet me wat.

(Fernand (1872-1917) studeerde bij bekende musici, schreef een symfonie en kamermuziek en sneuvelde op de slagvelden van de eerste wereldoorlog. Het andere matroosje was de tienjarige Robert Nunès, neefje van Pissaro en zoon van de burgemeester van Yport.  Zijn zusje Aline werd ook door Renoir geportretteerd.  Het jonge meisje met de parasol. )

De bekende complotten die wij als opvoeding catalogiseren: do ut des en vice versa zonder daarover oordelen of zedenpreken te moeten uitstorten. Een balans. Zoals Kairos net als Chronos een balans bij heeft: de werkelijkheid heeft haar gewicht en wie denkt dat het om zwaarte en belangrijkheid gaat moet maar eens in de ogen van Alice kijken of naar het wezen van de jongen uit 1956 toen wij dezelfde leeftijd hadden om te beseffen dat hun wonder- en donderland aan het onze grenst.

 

alice-and-okie.jpg

 

freud_ex_2010_3_92.jpg

 

UITGELICHT (7) VOOR DE SCHILDERS KOMEN

P5310003.jpg

Wil je de maat van de voorbije jaren?  Kijk dan naar de lege kamer, ontdaan van meubelen en versierselen, met de afdrukken van ons uitzicht op vergezichten en gestileerde dromen als stofschaduwen op de lege muren.
Ook de leegte heeft haar eigen schoonheid: het huis herleid tot vloer, wanden en zoldering, en gelukkig het licht.
In die staat kwam je ook de eerste keer het huis binnen, nu meer dan dertig jaar geleden.  
Een huis, een verzameling kamers tenslotte, dringt langzaam je bestaan binnen.  Het laat zich niet gemakkelijk veroveren. Voor je met meubelen begint te sleuren moet je goed naar het huis luisteren: kan ik deze oude boekenkast aan jou toevertrouwen, een lage buffetkast, een piano, tafels en stoelen? Je schikt ze, verandert de schikking, zeult ze naar een andere kamer met net dat licht waarin ze inderdaad kunnen ‘baden’.
Mensen vieren er kerstmis, verjaardagen, verschuilen zich, luisteren naar boekenstemmen en kijken naar beelden uit het aquarium met een menigte  vissen uit ’s heren landen’ zou mijn grootmoeder zeggen.
Je wacht er op de morgen, verwelkomt en neemt afscheid, je kinderen en kleinkinderen worden er volwassen, je schrijft er en je droomt er, nachtmerries en slow-motion romantiek. Echt begrijpen doe jet het niet:  het blijft mysterie.
Je voelt dat aan den lijve als je met je dochter huizen afstruint en al hebben ze alles wat er in een Immo-droom nodig blijkt te zijn, eens de aarding ontbreekt met de nieuwe bewoner helpt geen driedubbel glas of uitgekiende robotica.  Huizen zijn menselijk: je moet elkaar toelaten.

Natuurlijk is dit een mooie leegte.  Er hangt nog een stevige zweem van toekomst in de aangegane werken al spreidt dat begrip zich wellicht ook over de volgende levens. Toch voel je al wat Hans Andreus vertelt in zijn vers over ‘de lege kamer’. Eindigheid heeft ook zijn leertijd nodig.  In de leegte weerspiegelt zich je eigen afscheid, wordt bezit tot doenbare proporties herleid.

P5310007.jpg

De lege kamer blijft de lege kamer.
 
Alleen ikzelf er in en niemand opent
 
de deur, geen vrouw of vriend, geen vreemde.
 
Ik heb dit eerder meegemaakt maar nu
 
ben ik al zoveel jaren ouder
 
en valt het zoveel moeilijker te geloven
 
dat dit weer overgaat, dat ik zal lopen
 
misschien niet vrij van deze zieke man maar toch
 
weer in het licht waarvan ik heb gehouden.

(Hans Andreus ‘Om de mond van het licht’ 1973)

P5310001.jpg