P5310003.jpg

Wil je de maat van de voorbije jaren?  Kijk dan naar de lege kamer, ontdaan van meubelen en versierselen, met de afdrukken van ons uitzicht op vergezichten en gestileerde dromen als stofschaduwen op de lege muren.
Ook de leegte heeft haar eigen schoonheid: het huis herleid tot vloer, wanden en zoldering, en gelukkig het licht.
In die staat kwam je ook de eerste keer het huis binnen, nu meer dan dertig jaar geleden.  
Een huis, een verzameling kamers tenslotte, dringt langzaam je bestaan binnen.  Het laat zich niet gemakkelijk veroveren. Voor je met meubelen begint te sleuren moet je goed naar het huis luisteren: kan ik deze oude boekenkast aan jou toevertrouwen, een lage buffetkast, een piano, tafels en stoelen? Je schikt ze, verandert de schikking, zeult ze naar een andere kamer met net dat licht waarin ze inderdaad kunnen ‘baden’.
Mensen vieren er kerstmis, verjaardagen, verschuilen zich, luisteren naar boekenstemmen en kijken naar beelden uit het aquarium met een menigte  vissen uit ’s heren landen’ zou mijn grootmoeder zeggen.
Je wacht er op de morgen, verwelkomt en neemt afscheid, je kinderen en kleinkinderen worden er volwassen, je schrijft er en je droomt er, nachtmerries en slow-motion romantiek. Echt begrijpen doe jet het niet:  het blijft mysterie.
Je voelt dat aan den lijve als je met je dochter huizen afstruint en al hebben ze alles wat er in een Immo-droom nodig blijkt te zijn, eens de aarding ontbreekt met de nieuwe bewoner helpt geen driedubbel glas of uitgekiende robotica.  Huizen zijn menselijk: je moet elkaar toelaten.

Natuurlijk is dit een mooie leegte.  Er hangt nog een stevige zweem van toekomst in de aangegane werken al spreidt dat begrip zich wellicht ook over de volgende levens. Toch voel je al wat Hans Andreus vertelt in zijn vers over ‘de lege kamer’. Eindigheid heeft ook zijn leertijd nodig.  In de leegte weerspiegelt zich je eigen afscheid, wordt bezit tot doenbare proporties herleid.

P5310007.jpg

De lege kamer blijft de lege kamer.
 
Alleen ikzelf er in en niemand opent
 
de deur, geen vrouw of vriend, geen vreemde.
 
Ik heb dit eerder meegemaakt maar nu
 
ben ik al zoveel jaren ouder
 
en valt het zoveel moeilijker te geloven
 
dat dit weer overgaat, dat ik zal lopen
 
misschien niet vrij van deze zieke man maar toch
 
weer in het licht waarvan ik heb gehouden.

(Hans Andreus ‘Om de mond van het licht’ 1973)

P5310001.jpg