UITGELICHT (6) VANUIT ‘DE VEELTE’

20131107-17819-1.jpg

Als peuter en kleuter had ik een vrij primitief inzicht in ‘hoeveelheid’, ik noemde het begrip ‘de veelte’, wat je in volwassen termen ‘een verzameling’ zou kunnen noemen. Ik herinner me heel vroege ervaringen van een zeker welbehagen bij het zien van een collectie kleurpotloden die in een mooie (metalen) doos naast elkaar lagen. Een welbehagen dat je net zo goed had bij een half pak chocolade, onderverdeeld in een aantal vast aan elkaar hangende reepjes of een blad dezelfde postzegels om uit te komen bij de drang van de mens om collecties aan te leggen.


Het ging in eerste instantie niet om ‘het bezit’ maar om een leuk gevoel, dat welbehagen, een zekere ordening te ervaren in ‘de veelte’. Dat welbehagen had met ‘schoonheid’ te maken die een geordende ‘veelte’ kon oproepen: zich herhalende patronen die je in de architectuur of binnenhuisinrichting als in een kunstwerk zou kunnen toepassen.
Primitiever was de drang om ‘de veelte’ te kunnen abstraheren door de onderdelen te tellen. Tellen. Een drang die diep tot in het onderbewustzijn kan doordringen zodat bepaalde mensen voortdurend bijna dwangmatig de werkelijkheid willen tellen (bomen, handelingen) als de drang van het kapitalisme om bezit te vergaren, en ‘dat kan tellen’ als lijfspreuk aan te nemen.

dn9436-1_650.jpg


Tellen zou een bijna exclusief menselijke eigenschap zijn.  Al wil ik hier dadelijk het voorbeeld van woestijnmieren (Cataglyphis fortis) vermelden die naast lichtinval en uitgeademde koolstofdioxyde van het nest met het tellen van hun stappen de kortste weg terug naar huis vinden.
De broeders en zusters-primaten kunnen met enige oefeningen tot zes of zeven tellen en ik vermeld H. Kalmus in zijn artikel ‘Animals as Mathematicians’ in Nature:

‘Er bestaat weinig twijfel dat sommige dieren, zoals eekhoorns en papegaaien, kunnen tellen (…) Het vermogen om te tellen is vastgesteld voor eekhoorns, ratten en bestuivende insecten.  Sommige van deze dieren en andere dieren kunnen aantallen herkennen in patronen die verder hetzelfde zijn.  Andere dieren kan worden aangeleerd om reeksen akoestische signalen te herkennen en zelfs te reproduceren.  Een enkeling kan zelfs worden getraind om het aantal elementen (punten) in een visueel patroon met tikken weer te geven (…) Door het ontbreken van het gesproken getal en het geschreven symbool kunnen veel mensen het beeld van dieren als wiskundigen moeilijk accepteren.’

Chimpansees kunnen aantallen op een computer intoetsen die overeenkomen met het aantal bananen in een doos.
Experimenten in Japan leerden chimpansees getallen van 1 tot 6 herkennen door op de juiste toets te drukken als op een computerscherm een bepaald aantal voorwerpen werd getoond.

dn26094-1_1200.jpg


Nu zou je je kunnen afvragen waarom de menselijke soort zo’n grote groep ‘tellende wezens’ kent (waarbij ik mezelf reken) die ook het behagen in het spelen en het begrijpen van ‘de veelte’ bezitten maar verdere wiskundige bekwaamheden missen om door te dringen in de geheimen van de wiskunde.

Dat tellen niet alleen met zichtbare materie heeft te maken maar zeker ook met muziek en dans maakt duidelijk dat de bekwaamheid tot het hanteren van die wiskunde blijkbaar ook op andere manieren kan aangebracht worden dan wat wij in vroegere dagen hebben meegemaakt waarin de vreugde van tellen en aanverwanten verdween in de eindeloze abstracties waarin het verband met het bestaande, met het wezenlijke, totaal verloren was gegaan.
Nog steeds zie ik die splitsing in wiskundige bokken en schapen waardoor het odium dat alleen nerds zich in dit geheime land kunnen bewegen bevestigd zou worden.
Hier en daar waren er gidsen die toch de zware deuren op een kier konden zetten en  de onkundige teller op zijn/haar manier levenslang zin gaf om weer terug te keren naar die schoonheid.
Of zou het toch ook wel een beetje aan die ongelofelijke pretentieuze zekerheid van de wiskunde zelf kunnen liggen als je bijvoorbeeld deze bewering van Sir Michael Atiyah leest:

‘Bij elke belangrijke stap vereist en stimuleert de natuurkunde de introductie van nieuwe wiskundige middelen en concepten. Ons huidig begrip van de natuurkundewetten, met hun extreme precisie en alomvattendheid, is alleen mogelijk in wiskundige bewoordingen.’

Ze willen niet alleen ‘de veelte’ maar bezitten ook de passie voor de volledigheid, zegt Clifford Picover in ‘Het wiskunde boek’ waaruit ik hier heb geput en dat mij ’s avonds weer op mijn plaats zet voor ik de nacht in ga, de plaats van de liefhebber waarmee de wetenschap weinig kan beginnen al kan bewondering toch ook een mooi opstapje zijn op het achterbalkon van de wiskundetrein.

 

71372300.jpg

 

 At home, from early childhood, Jacob was fascinated by patterns—the play of sunlight on ripples in a pond, the march of shadows across a wall. Kristine Barnett ran a daycare in small-town Indiana while her husband, Michael, worked in retail. One day, she saw that Jacob, then three years old, had organized hundreds of crayons into the colours of the rainbow, in order. Michael was slack-jawed. How did he even know the order of the colours? When his father asked the question, Jacob, who was not speaking, turned a nearby water glass until it splashed a rainbow across the tabletop. It was his way of answering.

UITGELICHT (5) LA RELEVE DU MATIN (3)

 

 

ST-GER-expo-grande-guerre-2.jpg

Onder noot VI ‘Nous ne sommes pas dans la littérature’ beschrijft Montherlant achteraan in ‘La relève de matin’ een eerste bijeenkomst van oud leerlingen en hun meesters na de grote oorlog, 25 janvier 1920.
Il y avait là les jeunes générations, les survivants, et les morts.’
Hij drukt er zijn toespraak af om te bewijzen hoe sterk zijn boek bij de werkelijkheid aansluit.

‘Si je ferme les yeux et me représente une classe de philosophie en 1912, voici ce que je vois:
Au premier banc: Bernard Audollent, mort; Marc de Montjou, mort; Henri Faure, mort; Louis Roblin.
Au second banc: André laboureur, mort; Henri Macke, mort; Pierre Geay.
Au troisième banc: Marcel Villé, mort; celui qui vous parle; Henri Boudent: mort.
Ainsi des dix garçons de cette classe sept sont morts.  Des trois survivants deux ne survivent que parce qu’ ils n’ ont pas fait la guerre.
De ceux qui sont partis, je suis le seul qui soit revenu.  En me choissant pour parler au nom de mes anciens camarades, on n’ a pas voulu me faire honneur.  On a pris le seul qui reste.
De cette vie des hautes classes en 1912, je m’ imagine parlant pendant trois heures.  Je demeure indécis et impuissant en me disant que je dois en parler pendant trois minutes.’

Nog meer dan zijn betoog in de verschillende onderdelen van ‘La relève du matin’ is de werkelijkheid van deze beschrijving een getuigenis van de onvoorstelbare wreedheid waarmee de Grote Oorlog een generatie heeft weggemaaid, een leegte heeft geschapen waarin het mogelijk werd een nieuwe waanzin op te starten die de volgende generatie lege banken zou creëren.
Je begint zijn verdriet over dit boek in het voorwoord van 1933 beter te begrijpen.

ob_fb1529_2824160.jpg

Henry de Montherlant avait dix-huit ans quand éclata la guerre. “Le collège et la guerre sont pour moi d’un seul tenant”, dit-il. C’est toute une époque où il a connu avec des garçons, une existence primitive et ces sentiments si rudes, ils feront le fond de ses premiers ouvrages. Libéré, c’est à la gloire du collège de Sainte-Croix, où il avait pris son départ, qu’il consacre La Relève du matin. Sans larmes, il y honore les tombeaux de ses camarades, il replace dans ce collège tous ceux que la mort en a chassés. Sa virilité pourtant y cède à des expressions d’une sensibilité moins tendue. Si les tout jeunes garçons, il les fait parler avec une surprenante autorité, les accents les plus tendres et les couleurs moins vives trouvent leur place dans ce livre où quelques enfants de chœur élèvent un chant mal assuré.’

(Maurice Martin du Gard, augustus 1923)

Jeunes-gens-enthousiastes-2-aout-1914.jpg

UITGELICHT (4) RAINER MARIA RILKE EN KLARA KRISTALOVA

what_he_said_by_zwurbel-d50f268.jpg

Hier begon het mee: een klein boekje met citaten van Rainer Maria Rilke, ‘Denn Bleiben ist nirgends’, uitgegeven bij Insel Taschenbuch en voor zes euro bij Amazone te koop, waarop wachten, -neen, geen link, tik zelf maar amazone.de in.  Zes euro, en dus daarbij een kaart zoals hierboven die niets aan duidelijkheid overlaat en toen ik te rade ging bij Youtube, een bos stemmen, een miljoen landschappen, de ene stem al melancholischer dan de andere, en het sneeuwde, regende, de zon ging op en onder, het was nacht en …enfin de foto’s zijn bekend en daarom niet minder mooi, maar niet vandaag, gelieve het prentje hierboven gewoon als ‘illustratie’ te beschouwen want zegt de dichter:

‘Nicht an die Dinge mehr Bedeutung geben, als sie sich selber nehmen’ en ‘mehr’ staat dan cursief.

Dat is alvast heel mooi want we barsten van ‘Bedeutungen’, er gaat geen dag voorbij of iemand heeft voor een verschijnsel een ‘Bedeutung’ gevonden.  Had ik toch maar verder over Montherlant geschreven, maar eerlijk gezegd, het ontbrak mij aan moed, ik ben tenslotte een bang mens en we zijn niet meer in 1916-1921 maar bijna honderd jaar verder en elke dag is er wel ergens getoet of ge-kunst(eld) om die oorlog te herinneren, te gedenken, te, ja wat ‘te’?

Rainer Maria neemt me bij de hand.  Verder dus. ‘das Leid nicht von aussen sehen, es nicht abschätzen und gross nennen: das “grosse Leid”. Maar ik zie bootjes vol mensen, verwoeste huizen, te veel voor een mens-met-enige-emotie, en dan doe ik wat ik vaker doe:  ik ren naar de galleries in New York, kies een stadsgedeelte, druk op bijvoorbeeld Lehmann Maupin en bij de artiesten de prachtige naam: Klara Kristalova.

KK_LM18909_Keyhole_Woman_01_hr3.jpg

‘Keyhole Woman’, een van de mooie crackle-glazed stoneware figures die ze vorig jaar tentoonstelde in de gallerie Lehmann Maupin. Nieuwsgierig zoek ik naar haar bio: 1967, Czechoslovakia, studeerde at the Royal University College of Fine Art in Stockholm en wordt een ‘skilled and imaginative storyteller genoemd wiens figuren uit de sprookjes, dromen en natuurlijk nightmares zijn weggelopen. In de krantenartikels wil iemand iets gaan uitleggen over de manieren waarop zij haar vrouw-zijn uitdrukt in haar werk, maar Rilke kijkt streng en ik geef die Dinge nicht mehr Bedeutung als sie sich selber nehmen: Keyhole Woman’. Maar ik vind ze mooi.  Mag dat?

KK_LM15516_Slow_Silent_Song12.jpg

 Dit is ‘slow silent song’ en de naam vertelt wat ik voel: slow, silent, song. Ik weet dat met mij honderden onmiddellijk zo’n slow silent song in hun zielen hebben wonen, maar:

Sie wissen ja nicht, ob Ihr Herz nicht mit ihm gewachsen ist, ob die grosse Müdigkeit nicht das Wachstum des Herzens ist, Geduld, Geduld und nicht urteilen im Leiden, nie urteilen, solang es über einem ist, man hat kein Mass (maat) dafür, man vergleicht und übertreibt.’

Natuurlijk kun je vertellen dat iemand bij wie geen ‘ingang’ is gevonden omdat de geliefde geen ogen in zijn ziele-kop heeft een slow silent song een mogelijke reactie is, een lijfelijke verbinding is immers geen waarborg voor toegang tot het immense van een vrouwenziel. (ik ben een fan van loslopend wild, meer, meer aub, vrouwen ga desnoods rond met de schaal, bedel, maar zet de wereld op haar vrouwenkop)

 

KK_LM19156_Twins_01_hr3.jpg

‘Twins’. Leg dat glazig handje ook maar in de mijne, aan de andere kant is er een veelvoud aan warme handen maar tegelijkertijd ben je nog altijd op zoek naar de ontmoeting met jezelf, je eeuwige andere kant die zoek is, te laat thuiskomt, zijn mond niet kon houden, en ga zo maar verder.

‘Big girl now’ dat was de naam van haar tentoonstelling in New York. Ook dat gevoel kennen wij met zijn allen:  je bent een grote jongen, een big girl now en hoe oud ook je blijft dat wezen waarover Montherlant vertelde.  Je bent nog vaak zes, zeven, en dan weer twaalf en dertien. Dat zie je niet in de spiegel, maar kijk: Klara Kristalova heeft die andere spiegel voor ons neergezet. En als ik Rilke en Kristalova nog mag bedanken dan zit mijn taak erop.  Het is tijd voor een vieruurtje.  Met zicht op de tuin als het buiten al te fris mocht zijn. Merels, mussen, vinken en duiven. En Mieke houdt zich vast aan de takken van de bomen. The sunny side.

1620280178KK_LM15430_On_the_Sunny_Side_012.jpg

 

UITGELICHT (3) LA RELEVE DU MATIN (2)

autochrome-1914-1918-enfant-jouant-durant-la-guerre-children-amidst-the-destruction.jpg

In kleine lettertjes, onder de titel ‘La gloire du collège’: ‘A la génération qui est morte, n’ yant que des souvenirs du collège.’


Het was de sleutel om de veelvuldige raadsels in de talrijke onderdelen van La relève du matin te helpen ontraadselen. Voor een groot gedeelte aan het front geschreven ging het niet over die onbegrijpelijke oorlog zelf maar over de gevolgen voor hen die na die oorlog aan het leven begonnen: kinderen, jongeren.

‘Montherlant est allé, de livre en livre, au plus vif de ce que l’on pourrait appeler la vérité intérieure de la guerre. (Emmanuel Godo, Montherlant ou l’ effort de fidélité au songe de la guerre’)

Hier, in La relève du matin,  zijn die innerlijke ervaringen geplaatst rond ‘la question de la jeunesse’ en dat onder het teken van Hermes, god van de adolescentie en de (morgen)schemering.

La société devra prendre conscience non seulement de la dette qu’elle a contractée à l’égard de sa jeunesse mais encore de la place nouvelle qui devra lui être faite dans la paix retrouvée.’ (ibidem)

Zij die gaan vechten zijn hebben hun krachten niet alleen gebruikt om om de samenleving van hun ‘vaders’ te gaan verdedigen, ze zijn er ook van losgekomen, geëmancipeerd, om naar een nieuwe orde te zoeken die hun vaders niet eens kennen.

« Ô parents ! Tous ces fils de votre chair qui ne sont pas les fils de votre âme ! »

Hij verzet zich tegen de strekking alsof deze doden van achttien twintig jaar dociele agenten waren ‘de la perpétuation d’un ordre. Het zijn ‘les aînés van een jeugd die zich met werkelijkheden supérieures de la guerre zal moeten bezighouden.

Lansiaux_enfants_br.jpg


En natuurlijk is er de onverschilligheid.  In zijn tekst ‘En mémoire d’un mort de dix-neuf ans’ schrijft hij:

‘Deux années ! Ramsès dans ses bandelettes de nard, Mausole couché dans le porphyre ne sont pas plus profond sous l’oubli que ne le sont ces jeunes morts de la guerre. N’ayant fait de mal à personne, ils n’ont pris place dans aucune vie.’

En in ‘Le concert dans un parc’:

Les hommes, dans leur course, se passent l’un à l’autre l’indifférence. Ce n’est certes pas un flambeau. Mais c’est un pain, et qui permet de vivre »

De relatie met die jonge doden?  E. Godo schrijft: ze niet vergeten; ni les enrôler de force dans un service post mortem au nom de valeurs caduques.  Ne pas faire comme si leur souffrance et leur mort n’ imposaient pas aux survivants une remise en question de leur monde:

‘Ô larmes du commandant Madelin, quand Paul Drouot le vit ramener sur le brancard! Ô larmes de ce garçon, mon cousin, quand, blessé deux fois, il repartait pour la troisième et dernière fois, et que sa mère vit des larmes dans ses yeux ! Ah, quelle paix et quel bien faudra-t-il au monde pour compenser ces larmes d’enfants et ces larmes d’hommes ! Elles font en vous quelque chose qui crève, se déchire, une fibre qui casse… La sueur de sang du Christ ne tomba pas plus lourde sur la conscience humaine.’

De consequenties voor de opvoeders van die nieuwse jeugd zijn niet mis. (in dit geval  ‘de priesters’) Ze moeten in de geest van die jongens (met als kernpunt, de magie van de dertienjarige jongen) niet het conforme bevestigen maar ‘créer de la crise’ in de geesten die verlangen naar ‘des fièvres qu’ à la folie et au genie.  Vooral niet aan normaliteit of evenwicht hebben ze nood:

‘La guerre a rouvert à une échelle inimaginable le désir des fièvres et des enthousiasmes : que la paix n’aille pas le recouvrir en faisant comme si rien ne s’était passé. Sinon la phrase de Jérémie retrouvera une cruelle actualité : « Les petits enfants demandaient du pain, et il n’y avait personne pour le leur rompre »

1511527907

 Dit brood moet niet de honger stillen maar hem vergroten  om hun verlangen gestalte geven, zonder limieten. De oorlog moet iedereen die zich nu om de jeugd bekommert geleerd hebben dat het geen leeftijd is om achteloos voorbij te laten gaan, mais bien l’ acmé (hoogtepunt) de la vitalité humaine. 

‘Je n’ ai jamais rencontré de personnalités plus profondes que chez les enfants.’
‘Ces enfants ne sont pas seulement nos héritiers ; ce sont eux les vrais héritiers de la guerre. Les conséquences de 1870 sont apparues quinze ans plus tard. Tandis que j’écris, dans des milliers d’infimes vivants, des millions de choses fructifient en silence ; la France, le monde de demain se composent imperceptiblement. Nous poussons avec douleur, dans le chaos et les ténèbres, une sape difficile, vers un plein jour ignoré que connaîtra seule la relève du matin.’

Godo:
‘La guerre doit être lue comme une épiphanie de la jeunesse obligeant l’ordre social à repenser ses préséances dans le rapport entre les générations. Elle joue à la manière d’un miroir grossissant, révélant aux yeux les plus prévenus le trésor caché que représente cette jeunesse désireuse de tout autre chose que de la normalité tranquille que lui prépare la vie en société. Tel est le défi que la guerre pose à la paix à venir : saura-t-on non seulement entendre mais satisfaire les aspirations de la jeunesse à une vie plus conforme à son bouillonnement intérieur ? C’est cette question inquiète qui traverse toute l’œuvre de guerre de Montherlant, que l’on ne saurait réduire à ce que Valléry-Radot appelait, à propos de La Relève du matin, une « symphonie héroïque »’

En Montherlant geeft zijn visie op die éducation chrétienne die zijn gesprekspartner (l’ abbé) zegt uit te oefenen:


Mais qu’ est-ce qu’une éducation chrétienne? Je vais vous dire ma pensée.  je crois que c ‘est celle qui donne pour toujours, avec fraicheur d’ émotion devant les formes sensibles de catholiscisme, un tact spontané à reconnaitre, dans l’ extrême complexité du monde, l’ acte ou le sentiment qui est selon son génie. Génie tou caché, subtil système de prohibitions et de tolérances – règles absolues et sans appel, règles souffrant l’ infraction, infractions à la lettre qui ne le sont pas à l’ esprit, – l’hérédité et l’ amour même ne suffiraient pas à vous découvrir. Il y faut tout un jeu inconscient de réactions et de déclics réflexes, que seul peut créer l’habitude personelle: une seconde nature autonome, tellement profonde qu’ elle se passerait des pratiques et au besoin se passerait de la foi.’

Het antwoord van de abbé is begrijpelijk kort.

L’ABBé: Oh! Oh!

Ik laat de lezer graag zelf verder lezen in de hoop dat zijn relève du matin hem enige durf mag geven de angsten van dit tijdperk een beetje los te wrikken al zal ik een oh! oh! best begrijpen.

Kid-World-War-I-04.jpg

 

UITGELICHT (2) LA RELEVE DU MATIN (1)

Montherlant_par_J-Emile_Blanche_1922.jpg

‘Tout n’ est pas mauvais dans La relève du matin.’
Zo begint het voorwoord uit  het genoemde boek van Montherlant, editie 1933 waar het oorspronkelijk in 1920-1921 verscheen.
Een auteur die zijn eigen boek, dertien jaar na verschijnen bekritiseert.
‘Quand j’ en fus à relire certaine Gloire du College (een onderdeel van dit boek) si grand fut mon dégoût que je faillis en supprimer les trois quarts.’
Maar…

‘Il n’ est peut-être pas une seule ligne de ce morceau que je ne me sente capable de remplacer aujourd’hui par un trait qui soit à la fois plus bref, plus précis, et plus fort.’
Hij verbindt er een anekdote uit zijn kindertijd aan toen zijn moeder hem als jongetje zag ineenkrimpen:

‘…elle me vit crisper les traits et les poings en regardant le ciel, et comme elle me demandait la raison, moi de répondre: ‘Je voudrais arrêter les nuages, et je ne peux pas.’
Torrent de l’ âme qui vous arrêtera?

Een anekdote van il ya quelque mois, vult deze ervaring aan.
Een vader, moeder en zoontje moeten wegens geldnood hun appartement verlaten en zullen het met één kamertje van een hotel moeten stellen in de toekomst.
Hij beschrijft beide ouders, vader simple de coeur, maman grossière ménagère, sale, pretentieuse et fétide.  L’ enfant, mômichon d’une treizaine d’ années, steeds bezig met lesjes van buiten te leren.

Nog even de sfeer van de omgeving: ‘corps non lavés, vêtements et ligne impregnés par ces corps, fumée de tabac refroidie, fenêtres hermétiquement closes dans tout l’ appartement, malgré le temps radieux, le tout mélé et comme coagulé par un infect fumet de graillon, une sorte de graisse de fricot suspendue dans l’ air, et dont j’ imaginais qu’ elle avait déposé sur tous les objets, au point que, d’ avoir touché seulement le bouton, de porte, ou le dos du fauteuil d’ osier claudicant, mes doigts avaient dû recueillir cette odeur de bouillon qui est l’ odeur typique de la pauvreté.’ (!)

Ik wil je het vervolg besparen waarin de vrouw in bekeuzelde peignoir ajoutait au dénûdement de cet intérieur cette abjection qui pouvait être évitée, cette complaisance dans l’ immonde, qui soulevait le coeur, et ruinait la pitié.
Maar…

De auteur staat met de man voor de deur van de eetkamer waar het kind zijn les zat te leren en nu weg is en:

Soudain, mes yeux se fixèrent sur le livre qu’il avait laissé, un petit volume cartonné, mi-vert foncé, mi-vert d’eau – une veille connaissance, – et je lus le titre: Virgilii Maronis Opera.
In deze donkere ellende een boekje met het werk van de latijnse dichter Vergilius Maro.
Het hele huis gered, geen soepgeur meer, un reflet de soleil dans une prison. En:  de lueur  de culture et de vie spirituelle ‘était donnée par un gamin décrie.

800px-Georgicon1602.jpg


Het is het beeld van deze dertienjarige, die ondanks de armoede en het uitzichtloze van het bestaan van Vergilius houdt waarmee hij (volgens de auteur) zal kunnen ontsnappen uit het voor hem geprogrammeerde noodlot, dat de auteur terug naar de kern van zijn betoog zal brengen zoals in La relève du matin dertien jaar eerder beschreven.
Hij noemt zich geen citoyen du monde, noch een “Européen”.
Maar…


‘C ‘est en Français, en Français de mars 1933 (attention à la date !) que je disais dans les pages qui anciennement terminaient cette préface: en prévision d’ épreuves possibles, ne touchons à rien de ce qui, un jour, pourra donner de la force aux gens de ce pays.’

Want al heeft hij geen zoon, mon pays m’ a tenu lieu de fils.
Hij beseft dat zijn geschriften ‘gevaarlijk’ zijn parce qu’ elles “prévoyaient le pire”.
La France de temps moderne a choisi le mode de vie qu’ elle préfère. Ce qu’elle veut c ‘est porter tous les ‘n’ années au Minotaure quinze cent mille de ses jeunes gens, pourvu que, grâce à ce tribut, le reste du temps elle puisse ne pas s’ en faire.

Al jaren zwijgt hij over het essentiële van wat hij wilde zeggen en hij vreest dat hij nog maar alleen sprookjes en sonnetten zal kunnen schrijven.

‘D’ ailleurs ces sacrifices, ne touchant qu’ a mes écritures, restent comme elles dans la secondaire de ma vie.  Laissons donc cela.’
Geschreven in Alger, maart 1933.

Een vreemde bijgevoegde inleding in deze editie van dat jaar.
Is de tijd hem voorbijgesneld?

‘Entre vingt et vingt-quatre ans, nous savions bien tout ce qu’il y a dans l’ adolescence “d’inachevé et d’inemployé, d’ inégal et d’ incertain, d’infructueux et d’ insatisfait”. Seulement, savions-nous que tout cela nous ligotait encore, et nous paralysait, et que, c’ était notre livre qui en était la meilleure preuve? Ainsi la maladie de la jeunesse est partout dans La Relève: l’ auteur la décrit chez les autres, mais elle est en lui et il l’ ignore.  En corrigant aujourd’hui ce livre, il ne faillait pas toucher trop à cela.’
En of Vergilius het zal halen tegen de gebeurtenissen van na 1933 is een open deur instampen.

Toch wil ik graag even verwijlen in een volgende bijdrage bij dit werk dat hij achteraf probeert te kleineren en met jeugdige ziektekiemen te overladen.
Alsof hij bang is geworden van zijn ingenomen stelling, en toegegeven als je even terugdenkt aan die jaren die op 1933 volgen, zul je die angsten best kunnen begrijpen.

boy-in-a-sailor-suit.jpg

UITGELICHT (1) HERMAN HESSE EN THOMAS MANN

Thomas-Mann-und-Hermann-Hesse.jpg

Een ouder mens krijgt oog voor de  ‘opzij gelegde’ – boeken uit zijn collectie zoals ‘Herman Hesse, Thomas Mann, Briefwisseling, vertaald door W. Hansen en in 2004 uitgegeven door Atlas, Amsterdam/Antwerpen en op een boekenbeurs voor weinig geld verworven.

Mann vraagt Hesse, einde oktober 1931 om weer toe te treden tot de Pruisische Academie der Kunsten, afdeling Literatuur, genootschap dat hij op 10 november 1930 had verlaten, ‘…het enige officiële lidmaatschap waarmee ik me in mijn leven ooit heb ingelaten.’

Zijn motieven?

‘Ik heb het gevoel dat deze Akademie bij de volgende oorlog weer een flinke bijdrage zal leveren aan de schare van negentig of honderd prominente lieden die het volk, zoals ook in opdracht van de Staat in 1914, opnieuw over alle kwesties van levensbelang het volk zullen voorliegen.’

Thomas Mann vraagt hem in een innige brief op 27 november 1931 om op die beslissing terug te komen.

‘Zoals de dingen er nu in Duitsland voorstaan, beste Hesse, hoort u tot de Akademie. Voor haar zou het een onvoldoende te waarderen morele steun zijn als u, herkozen, weer lid zou worden, en het zou, als u het deed, een onbetwistbare correctie betekenen op een verkeerd oordeel over u en uw houding.’

Hesse wijst in zijn brief op de reactie van 93 prominente geleerden en intellectuelen in de herfst van 1914 tegen de beschuldigingen van een barbaarse Duitse oorlogsvoering in België.

Het antwoord op de vraag van Mann blijft echter net zo afwijzend.  Begin december 1931 heeft hij het over zijn diep wantrouwen jegens de Duitse republiek.

Die onevenwichtige en geestloze staat is ontstaan vanuit een vacuüm, vanuit de uitputting na de oorlog. De enkele goede geesten van de ‘Revolutie’ die dat niet was, zijn vermoord, en negentig procent van de bevolking keurde dat goed. De rechtbanken zijn onrechtvaardig, de ambtenaren onverschillig, het volk volkomen infantiel.’

Met ‘de goede geesten’ bedoelt hij Gustav Landauer (1870-1919) Kurt Eisner (1867-1919), Mathias Erzberger (1875-1921) Karl Liebknecht (1871-1919) Rosa Luxemburg (1870-1919) en Walther Rathenau (1867-1922).

‘Van elke duizend Duitsers zijn er ook nu nog 999 die niets van een oorlogsschuld willen weten, die de oorlog niet gevoerd, noch verloren hebben, noch het verdrag van Versaille hebben ondertekend, dat ze als een perfide donderslag bij heldere hemel hebben ervaren. Kortom, ik ben van de gezindheid die Duitsland beheerst even ver verwijderd als in de jaren 1914 en 1918 in plaats van het piepkleine stapje naar links die de mentaliteit van het volk heeft gezet, vele mijlen naar links gedreven.  Ik ben ook niet meer in staat enige Duitse krant te lezen.’

Het is goed te weten dat Hesse in de Eerste Wereldoorlog wegens zijn oproep tot begrip tussen de volkeren, door de Deutschnationalen werd aangeduid als ‘nestbevuiler en vaderlandsloze gezel’, bv. in het Köllner Tageblatt van 24 oktober 1915.

Bij het lezen van deze boeiende correspondentie wilde ik graag deze passage ‘uitlichten’ zoals ik dat weldra ook zal doen met het terugvinden van het eerste boek van Henry de Montherlant, ‘La relève du matin’ voor het grootste gedeelte tijdens die eerste wereldoorlog aan het front geschreven maar handelend over ‘la gloire de l’adolescence catholique et des maisons d’ éducation religieuse’ nu een zekere Vlaamse staatssecretaris het had over zijn droom om een elite-school te stichten, iets waar zowel de katholieken als de nazi’s hem zijn voorgegaan om maar te zwijgen van de Jezuieten.

kahlenberg.jpg