mann-thomas-reisekoffer.jpg

Het duurde een tijdje vooraleer Thomas Mann vanuit zijn Zwitsers ballingsoord duidelijk stelling neemt tegen de Nazi’s. Hij koesterde lang de illusie dat de autoriteiten zouden begrijpen dat hij het systeem niet rechtstreeks aanviel of wilde ondermijnen, maar dat hij als vrije burger – en dit zeker als een vrije schrijver- de plicht had zich ongestraft over de fundamenten ervan uit te spreken, omdat hij in een traditie stond.
Ik put hier uit Margreet den Buurman’s biografie ‘Thomas Mann, schrijverschap tegen de vergankelijkheid’, uitgeverij Aspekt Soesterberg, 2010.

‘Hij probeerde beurtelings de autoriteiten gerust te stellen door hen duidelijk te maken dat hij apolitiek was en zich slechts met cultuur bezighield.’

‘Natuurlijk richtte hij zich tot een gehoor dat al lang niet meer bestond:  een welwillend gehoor dat beschaving en redelijkheid hoog in het vaandel heeft en uitgaat van democratische principes.’ (als ze er al iets van zouden begrijpen overigens! nvdr)

We zijn dan in 1934.  Even lijkt het dat de nazi’s ingingen op zijn brief maar in september 1935 wordt hun villa opnieuw in beslag genomen en zou ze in 1937 door de vereniging Lebensborn voor het kweken van raszuivere Ariërs gebruikt worden. Zelfs Himmeler zou een tijdje in hun villa resideren om daarna in 1940 in verschillende huurwoningen te worden ingedeeld.

2-format43.JPG

‘Op 3 februari 1936, toen Thomas Mann zijn stem tegen het nazisme nog steeds niet publiekelijk had laten horen en zijn uitgever Bermann onder vuur lag omdat hij in Duitsland bleef publiceren, hetgeen onder de omstandigheden zeker verdacht was omdat alles wat inmiddels niet was gelijkgeschkeld had moeten uitwijken naar het buitenland, schreef Ter Braak in Het Vaderland een scherp artikel, Gerucht om Thomas Mann.  Hij stelde hierin:

(…) ‘Men kan niet twee heren dienen ook al zou men alleen maar neutraal willen zijn en in zekere omstandiheden doet men er beter aan een verbod van zijn werken als een erezaak te beschouwen (…) Niemand verlangt van Mann dat hij zich solidair zal verklaren met een aantal auteurs (emigranten), waartegen hij terecht bezwaren zal hebben aan te voeren; maar wel verwacht de wereld van hem dat hij eindelijk duidelijke taal zal spreken, het laatste misverstand zal wegnemen;;, zelfs al mocht hem dat zijn lezers in Duitsland kosten.’

Zijn houding zorgde ook in het gezin voor conflicten.  Zoon Klaus liet hem vallen, dochter Erika nam het voor hem op maar bestookte hem met kritiek. Echtgenote Katia probeerde de gemoederen te bedaren en zei later dat het beter was geweest dat hij dadelijk stelling had genomen.
Ook de dubbelhartige houding van uitgever Bermann (Fischer uitgeverij) die gedoogde auteurs wilde blijven uitgeven in Duitsland  en voor een deel met de uitgeverij naar het buitenland wilde uitwijken, maakte het niet makkelijker.  Als Jood werd Bertelman daarbij niets in de weg gelegd door het regime zodat Leopold Schwarsschild, een gezaghebbende joodse socioloog,  hem als een soort ‘beschermjood’ of ‘excussjood’ ging beschrijven wat door de betrokkene niet in dank werd afgenomen.

mann-thomas-fotografie-in-sanary-sur-mer.jpg

Thomas Mann, Hermann Hesse en Anette Kolb nemen het in een artikel voor hem op maar dat vindt Erika dan weer een brug te ver. Ze vindt dat hij bij de afdeling Duitse literatuur van uitgeverij Querido in Amsterdam zijn werken kan publiceren waar naast Klaus ook al een aantal Duitse auteurs een onderdak hadden gevonden.
Op 19 janauari stelt ze haar vader een ulitmatum:  ofwel, hij moest zich loyaal aan de emigranten betonen, ofwel zou hij haar verliezen.
Natuurlijk reageert Katia tegen dit ultimatum, dat immers ook haar trof. De bekende uitleg:zij was het ook niet blij met het publieke protest maar anderzijds moest Erika erop vertrouwen dat haar vader wist wat hij deed. (163)

Thomas schreef een brief van 12 kantjes als antwoord aan Erika:  aan Eri, voor haar en voor de generaties na mij.

(…) ‘Men moet geduld met mij hebben, ikzelf moet het hebben, mijn eigenlijke morele vermogen handhaafde zich altijd hierbinnen. (…) Het heeft weinig zin de wereld aan te roepen tegen de verschrikking, zolang de Duitsers daar zelf niet innerlijk en grondig klaar voor zijn – en als niet alles mij bedriegt, zijn ze hier niet meer ver van verwijderd.’

mann1.jpg

Als er dan opnieuw een artikel van Leopold Schwarzschild verschijnt en deze zijn pijlen op Mann richt reageert daartegen Eduard Korrodi, hoofdredacteur van de Neue Zuricher Zeitung die het met een open brief opneemt voor Thomas Mann.

‘Hij stelde dat Schwarzschild de Duitse literatuur verwisselde met de joodse, en dat het werk van een belangrijke schrijver Thomas Mann immers nog steeds in Duitsland werd uitgegeven.  Hiermee plaatste hij hem buiten de emigrantenliteratuur, alsof hij het nazibewind was toegedaan.
Hierop kon Thomas Mann alleen maar duidelijk reageren.
Vooral de zin dat ‘ een deel van de emigranten Duitse literatuur gelijkstelde aan de joodse’ moet hem in het harnas hebben gejaagd.
Op 3 februari 1936 verscheen zijn reactie in de NZZ in de vorm van een uitvoerige open brief aan Eduard Korrodi.  Een fragment:

‘De Duitse jodenhaat echter, of die van de Duitse machthebbers, betreft in spiritueel opzicht helemaal niet de joden of niet hen alleen:  het betreft, zoals dit steeds duidelijker blijkt, de christelijke fundamenten uit de Romeinse beschaving in de oudheid: het is de poging (gesymboliseerd door het uittreden uit de Volkerenbond) van een afschudden van bindingen die de civilisatie betreffen, die een verschrikkelijke, onheilszwangere vervreemding dreigt te veroorzaken tussen het land van Goethe en de rest van de wereld.’

En dan zijn openlijke stelling tegen het nazibewind:

De diepe overtuiging, die door duizenden menselijke, morele en esthetische afzonderlijke waarnemingen en indrukken dagelijks wordt gestaafd en gevoed, dat er uit de huidige Duitse heerschappij niet goeds kan ontstaan, niet voor Duitsland en niet voor de wereld, – deze overtuiging heeft mij het land doen mijden, een land met een geestelijke traditie waarin ik dieper ben geworteld, dan degenen die sinds de afgelopen drie jaar aarzelen of ze de moed hebben om mij voor het oog van de wereld mijn Duitser-zijn te ontzeggen. En vanuit het diepst van mijn geweten ben ik er zeker van, dat ik voor tijdgenoten en latere generaties juist heb gehandeld mij bij diegenen te scharen voor wie woorden gelden van een waarachtige nobele Duitse Dichter:

“Wie echter vanuit zijn hart het slechte haat,
ook uit het vaderland zal het hem verdrijven,
indien het ginds wordt vereerd door een volk van knechten.

Veel wijzer is zich van het vaderland af te keren,
dan onder een onnozel geslacht
het juk te dragen van blinde volkshaat.”

Thomas_Mann_Nidden.jpg

Dat zijn verzen uit een sonnet van August von Platen (1796-1835) die Duitsland verliet omdat hij vervolgd werd vanwege zijn homosexualiteit.
In de Mozart-biografie van Einstein is het gedicht ‘Tristan’ opgenomen van dezelfde dichter, Mann’s favoriete dichter.
Volgens Klaus Harpprecht in zijn biografie over Thomas Mann was vooral het gedicht Tristan van Von Platen een van die gedichten die hem -zelf een dichter die hier vanwege schaaamte afstand van deed- zijn hele leven begeleidde.
In een mooie vertaling van Paul Claes drukt het de essentie uit van wat een kunstenaarsleven heet.  Ik heb het ook innig lief.

Wie de schoonheid heeft aanschouwd met ogen,
Voelt zich reeds ten dode opgeschreven,
Niets op aarde zal hij meer vermogen
Ook al moet hij voor de dood nog beven,
Wie de schoonheid heeft aanschouwd met ogen!

Eeuwig zal voor hem het lijden duren,
Want een dwaas slechts kan op aarde hopen
Dat hij zulke liefde kan verduren:
Wie de schoonheidspijl niet is ontlopen,
Eeuwig zal voor hem het lijden duren!

Ach, was hij maar als een bron bedorven,
Had hij gif uit elke lucht gezogen,
Was hij maar aan bloemengeur gestorven:
Wie de schoonheid heeft aanschouwd met ogen,
Ach, was hij maar als bron bedorven!

head_gesellschaft.jpg

Vergelijk deze vertaling met die van Victor van Vriesland

Wie de schoonheid zag met eigen ogen

Is reeds aan de dood ten prooi gegeven,
Deugt voor niets meer in het aards vermogen,
En toch zal hij voor de dood nog beven,
Wie de schoonheid zag met eigen ogen.

Eeuwig zijn voor hem der liefde smarten,

Want een dwaas slechts kan op aard’ verlangen
Te voldoen aan deze drang des harten:
Wie eens door het schone werd gevangen,
Eeuwig zijn voor hem der liefde smarten.

Ach, hij wil wel als een bron verzanden,

Had met de adem gif graag ingezogen,
Wil op bloemgeur bij de dood belanden.
Wie de schoonheid zag met eigen ogen,
Ach, hij wil wel als een bron verzanden.

Bosio-hyacinth-front.jpg

Wer die Schönheit angeschaut mit Augen,
Ist dem Tode schon anheimgegeben,
Wird für keinen Dienst auf Erden taugen,
Und doch wird er vor dem Tode beben,
Wer die Schönheit angeschaut mit Augen!

Ewig währt für ihn der Schmerz der Liebe,
Denn ein Tor nur kann auf Erden hoffen,
Zu genügen einem solchen Triebe:
Wen der Pfeil des Schönen je getroffen,
Ewig währt für ihn der Schmerz der Liebe!

Ach, er möchte wie ein Quell versiegen,
Jedem Hauch der Luft ein Gift entsaugen
Und den Tod aus jeder Blume riechen:
Wer die Schönheit angeschaut mit Augen,
Ach, er möchte wie ein Quell versiechen

1-Fleur-de-lys-Grand--.jpg