De geschiedenis en de ‘onschuldige’ slaper

Tamara Lempicka Sleeper

Onschuldiger dan een slaper kan de mens zich niet voordoen, zou je denken. Dat was ook mijn mening tot ik las dat in de Franse senaat deze week de kwestie van ‘de onverantwoordelijkheid’ wordt behandeld met als doel ‘ervoor te zorgen dat een schuldige niet kan worden vrijgepleit wanneer hij of zij drugs gebruikt, wanneer hij of zij dronken wordt […] dat hij of zij op de een of andere manier zijn of haar onderscheidingsvermogen afschaft”.

Zo erkende de Kerk, na veel gehakketak en uitstel, in de middeleeuwen eindelijk de onverantwoordelijkheid van de slaper. Duik je dus even dieper in de geschiedenis dan kun je de vraag stellen hoe deze oude doctrinaire beschouwingen het recht inspireren tijdens dit parlementaire debat over strafrechterlijke onverantwoordelijkheid. Toch even aanleunen bij de oud-collegae van France Culture.

Jacob’s droom Jusepe de Ribera (1639) Prado museum Madrid.
Dans un article de la Revue de science criminelle et de droit pénal comparé, Nicolas Laurent-Bonne retraçait en 2013, les origines de ce débat sur l’irresponsabilité pénale, une enquête qui l’a mené au VIe siècle lorsque théologiens et canonistes s’emparaient de la responsabilité du dormeur, en oubliant largement la dormeuse, et sur la possibilité d’incriminer le rêve sexuel et la pollution nocturne, voir le crime de sang du somnambule. À quel point celui qui dort est-il comptable du voyage qu’il entreprend au cours de son sommeil ? (France Culture Irresponsabilité pénale:  coupables dormeurs du Moyen Âge)
Seurat Le dormeur

Lange tijd voor de theorievorming over het Freudiaanse onbewuste trachtte de christelijke kerk de ruimten die aan haar controle ontsnapten te beheren, te beginnen met de dromen van de monniken die hun veelvuldige betrachtingen van ‘concupiscentie’ (begeerten, vleselijke lusten) en het idee zelf van vleselijke relaties zo veel mogelijk moesten beperken. Ik herinner mij in de uitstekende biografie van Erasmus gelezen te hebben dat tijdens zijn kloostertijd zelfs het slapen niet geriefelijk mocht zijn uit vrees te snel in bekoring te komen:

Daar (in zijn cel) diende hij na een stil gebed en een korte meditatie om zeven uur meteen tussen zijn wollen onderlaken -want niets mocht geriefelijk zijn- en wollen deken te kruipen, languit op zijn rug, armen gekruist over de borst, in zijn witte onderhabijt en met een witlinnen doek om het getonsureerde hoofd gewikkeld. (Erasmus dwarsdenker, een biografie, Sandra Langereis 2021 De Bezige Bij A'dam p.188)
Catherine Duch

Reeds in de 6de eeuw trachtte Gregorius de Grote, de eerste paus, dit risicogebied van nachtelijke verontreiniging af te bakenen en benoemde hij de drie hoofdoorzaken: de schuldige gedachten die aan het inslapen voorafgaan, overdaad aan voedsel en dronkenschap, alsmede de natuurlijke zwakheid van de dromer. Hij schrijft voor welk gedrag moet worden aangenomen om dit te voorkomen, zoals u wellicht al hebt geraden: soberheid in alle dingen wordt sterk aangeraden. Maar “de natuurlijke zwakheid van het vlees” is niet te vrezen en verplicht de slaper niet zich bij het ontwaken te zuiveren. Als men zijn onbeheerste en oncontroleerbare nachtelijke omzwervingen met klem moet belijden, dan neemt men het degene die ze in de schoot van Morpheus heeft laten gebeuren, niet kwalijk. De dromer of erger nog, de slaapwandelaar, die in beginsel onverantwoordelijk is, wordt echter verantwoordelijk voor een fout van nalatigheid indien hij, zich bewust van dit risico omdat hij het reeds in het verleden heeft opgemerkt, niet alle nodige voorzorgsmaatregelen neemt alvorens zich in de slaap te wagen. (France Culture)

Geleidelijk wordt de slaper gelijkgesteld met de dementerende of met het kind: Bernardus van Clairvaux aan het begin van de 12de eeuw was van mening dat hun goede of slechte daden werden begaan terwijl zij verstoken waren van het gebruik van hun (vrije) wil. Zij kunnen dus niet veroordeeld worden voor daden of gedachten die opkomen wanneer zij zichzelf niet meer in de hand hebben. Niet in staat het verbodene waar te nemen, is men dan van oordeel dat de vrijheid van oordeel pas wordt herwonnen wanneer de slaper, of hij nu statisch of somnambulist is, wakker wordt. Deze opmerking geldt ook voor de slaapwandelaar, degene die praat in zijn slaap en bij die gelegenheid uiting kan geven aan de frustratie of de woede die hij overdag soms heel goed verbergt. (ibidem)

Śpiący Staś or Sleeping Staś by Stanisław Wyspiański, 1904
Na veel omzwervingen werd de leer in het begin van de veertiende eeuw vastgesteld en vormde zij grotendeels de inspiratiebron voor het burgerlijk recht op dit gebied. Ondanks alles blijft de kwestie van voorbedachte rade bestaan, aangezien het bewuste leven en zijn kwellingen reeds worden beschouwd als de drijvende kracht achter het leven dat nog niet bewusteloos wordt genoemd. De slaapwandelaar die als onverantwoordelijk wordt beschouwd, kan dat weer worden als hij, zijn zwakheid kennende, nalatigheid aan de dag legt om de schadelijke gevolgen te beperken: alleen en nuchter slapen, zonder wapens bij de hand en opgesloten in zijn kamer. Een beperkte hypothese die de rechter en de jury de opdracht geeft "elke simulatie te verijdelen".

Nicolas, Laurent-Bonne. « Les origines de l'irresponsabilité pénale du somnambule », Revue de science criminelle et de droit pénal comparé, vol.  3, no. 3, 2013, pp. 547-557.
Picasso Le Dormeur

Zelfs in de verkwikkende slaap werd dus het menselijk schepsel geplaagd door allerlei gewetensvragen. Met het oog op het uitlezen van onze herseninhoud zou je dus in de toekomst niet verbaasd moeten zijn dat je ’s morgens vriendelijk verzocht wordt even langs de gezaghebbenden langs te lopen gezien je dromen een ‘gevaarlijke’ kant uitgingen zoals bleek. In afwachting van dit vreslijk toekomstbeeld kun je best nu nog genieten van je dromen, soms de enige plaats waar nog niet iemand duidelijk maakt wat gepast en ongepast zou zijn. In die zin zijn ze nog even gevrijwaard van la ‘pureté dangereuse’ om het boek van Bernard-Henri Lévy te citeren.

Pieter Brueghel de Oudere