Marc Chagall De dichter

Dichters van bijna honderd zou je eerder als zwijgzaam of ingekeerd willen catalogeren, maar als ik aan de Amerikaanse dichter Stanley Moss denk, jaargang 1925, dan ervaar je wel het uitzicht op bijna vier generaties, weet je dat hij de tweede wereldoorlog heeft meegemaakt, hoor je zijn Joodse achtergrond –“Ik schrijf Joods in een Christelijke taal”– en voel je zijn drang naar ‘openbaring’ die vaak botst met de afwezigheid van diezelfde openbaring. Met het onderstaande gedicht ‘The Ferryman’ (De Veerman) leerde ik hem kennen en ten zeerste waarderen.

Camille Corot The Ferryman

The Ferryman

I wanted to speak to the Ferryman.
I called directory inquiry, information,
on my smartphone. I was given a number,
a revelation. I swore to Hermes,
Gods’ messenger, not to show or share
that sacred number with any human, king or serf.
I called, digital ladies’ voices answered:
“He’s busy.” “Unavailable.” “Occupied.”

I remember the bloody and high voltage occasions
when the Ferryman was so close
I could smell and taste his breath.
After he came close to me
cat scans of my head showed I had an artifact,
a souvenir, a presence in an inoperable place,
camped under my hippocampus.

I’ve seen the Ferryman in paintings
and poetry, but never man’s face to man’s face.
Yes, I’ve known him all my life.
Death fathers everyone. I am his child.
Many in my neighborhood thought I was
an arrogant “black prince” and bugger.
Arrogant? I’m ashamed to tell the truth.
A!er World War II, I often wore black,
I limped like Richard III. Talk about the Styx,
my heart called for a horse, a horse.

I try to sing a hymn made out of holy facts.
Every sparrow knows Christ walked on water.
The Ferryman poled his ferry on dry land.
Dead drunk, I’ve seen him and his ferry in the sky
along the shoreline of Paradise.

Right now I see his ferry in the pond below my window,
the Ferryman in a rocking chair is bored with me.
He’s waiting, yawning, smoking a cigar.
He blows clouds of smoke rings
across the lawn over a great red oak.
I call him respectfully. He won’t speak to me.
Margie, my last dog, barks,
“Get the hell out of here!”
Does he ever ferry dogs, loving cats?
Rocking seems to entertain him.

I’m caught not saved, even though I praise
King David, Santa Teresa de Ávila
San Juan de la Cruz, the Ferryman who has
no name I know will eventually take me
by pole and his demon wings,
to an island where skeletons dance.
Now I think his accented Greek voice
is loud and clear. He’s poling. He shouts my name,
I’m hiding. Clear across the Hudson Valley
I hear “Repent, repent.” He’s the double
of the statue of the murdered Commendatore
in Don Giovanni. I answer, “Your excellence,
Ferryman, statue, I invite you to dinner.”
I’ve set the table with wine glasses,
New York State, Dutchess County red wine,
Hudson blue linen napkins,
knives, knives, knives, knives, no forks or spoons.
I know in a little while the Ferryman
will take me across the Styx in the company
of the four seasons, made human:
winter, spring, summer and autumn.
Summer wears a wreath of roses crowned with laurel,
Spring wears a waistcoat of budding dandelions,
Autumn, a coat of fallen maple leaves and grapevines,
wrinkled Winter has snowflakes in his hair and beard.
He wears ice snowshoes. I pretend to sleep.

From 'Not Yet ' by Stanley Moss. Seven Stories Press. Copyright © 2021 by Stanley Moss.
Joanna Karpowicz „Anubis w łódce”, 53 x 65 cm, akryl na płótnie, 2013
De Veerman
Een gedicht van Stanley Moss

Ik wilde de Veerman spreken.
Ik belde afdeling inlichtingen, informatie,
op mijn smartphone. Ik kreeg een nummer,
een openbaring. Ik bezwoer Hermes,
Gods boodschapper, dit heilige nummer 
met geen enkel mens, koning of horige, te delen.
Ik belde, "digitale damesstemmen" antwoordde:
"Hij is bezig." "Niet beschikbaar." "Bezet."

Ik herinner me de bloedige gebeurtenissen onder hoogspanning
toen de Veerman zo dichtbij was
dat ik zijn adem kon ruiken en proeven.
Nadat hij dicht bij me kwam
toonden cat-scans van mijn hoofd dat ik een artefact had,
een souvenir, een aanwezigheid op een niet te opereren plaats,
gekampeerd onder mijn hippocampus.

Ik heb de Veerman gezien in schilderijen
en poëzie, maar nooit van mens tot mens.
Ja, ik ken hem al mijn hele leven.
Dode vaders van iedereen. Ik ben zijn kind.
Velen in mijn buurt dachten dat ik
een arrogante "zwarte prins"  en een klootzak was.
Arrogant? Ik schaam me om de waarheid te zeggen.
Na de Tweede Wereldoorlog, droeg ik vaak zwart,
Ik hinkte als Richard III. Over de Styx gesproken,
mijn hart riep om een paard, een paard.

Ik probeer een hymne te zingen, gemaakt van heilige feiten.
Elke mus weet dat Christus over water liep.
De Veerman zette zijn veerboot op het droge.
Stomdronken heb ik hem en zijn veerboot in de lucht gezien.
langs de kustlijn van het paradijs.

Op dit moment zie ik zijn veerboot in de vijver onder mijn raam,
de Veerman in een schommelstoel verveelt zich met mij.
Hij wacht, geeuwt en rookt een sigaar.
Hij blaast wolken van rookringen
over het gazon over een grote rode eik.
Ik roep hem eerbiedig. Hij wil niet met me praten.
Margie, mijn laatste hond, blaft,
"Maak dat je wegkomt!"
Heeft hij ooit honden overgezet, liefhebbende katten?
Schommelen schijnt hem te vermaken.

Ik ben gevangen niet gered, ook al prijs ik
Koning David, Santa Teresa de Ávila
San Juan de la Cruz, de Veerman die geen naam heeft, 
waarvan ik weet dat hij me uiteindelijk zal meenemen
met zijn hand en zijn duivelse vleugels,
naar een eiland waar skeletten dansen.
Nu denk ik dat zijn stem met een Grieks accent
luid en duidelijk is. Hij polst mij. Hij roept mijn naam,
ik verberg mij. Duidelijk over de Hudson Vallei
hoor ik "Heb berouw, heb berouw." Hij is de dubbelganger
van het standbeeld van de vermoorde Commendatore
in Don Giovanni. Ik antwoord: "Uwe excellentie,
Veerman, standbeeld, ik nodig u uit voor het diner."
Ik heb de tafel gedekt met wijnglazen,
rode wijn uit de staat New York, Dutchess County,
Hudson blauwe linnen servetten,
messen, messen, messen, messen, geen vorken noch lepels.
Ik weet dat over een poosje de Veerman
mij over de Styx zal brengen in het gezelschap
van de vier seizoenen, door mensen gemaakt:
winter, lente, zomer en herfst.
Zomer draagt een krans van rozen, gekroond met laurier,
Lente draagt een jas van ontluikende paardenbloemen,
Herfst, een mantel van gevallen esdoorn-bladeren en wijnranken,
de gerimpelde winter heeft sneeuwvlokken in zijn haar en baard.
Hij draagt ijs-sneeuwschoenen. Ik doe alsof ik slaap.
The Ferryman of the Moselle Dominique-Paul Peyronnet
Stanley Moss was born in Woodhaven, New York, in 1925 and studied at Trinity College and Yale University. In 1969, he published his first poetry collection, The Wrong Angel (Anvil Poetry Press). Eight years later, he founded the nonprofit poetry publisher The Sheep Meadow Press. According to John Ashbery, “Stanley Moss is American poetry’s best-kept secret, better known as the innovative publisher of other poets than for his own highly charged, stingingly beautiful lyrics.”

Bibliography

It's About Time (Carcanet Press, 2015)
God Breaketh Not All Men’s Hearts Alike: New & Later Collected Poems (Seven Stories Press, 2011)
Rejoicing: New and Collected Poems (Anvil Press Poetry, 2009)
New & Selected Poems 2006 (Seven Stories Press, 2006)
Songs of Imperfection (Anvil Press Poetry, 2005)
A History of Color: New and Collected Poems (Seven Stories Press, 2003)
Asleep in the Garden: New and Selected Poems (Seven Stories Press, 1997)
The Intelligence of Clouds (Harcourt, 1989)
Skull of Adam (Horizon Press, 1979)
The Wrong Angel (Anvil Poetry Press, 1969)
Not Yet: Poems on China etc. (Seven Stories Press.) 2021
I write Jewish in a Christian language. Also, I write Christian, Buddhist, Taoist, atheist, baby talk and dying-old-man talk.” Moss’s grim comedy (“I am a lie-down comedian”) and his morbid asides owe something not only to Jewish talk and writing, but also to his generation, which knew World War II. An early poem addresses, simultaneously and shockingly, slaves, death camp survivors and “unhappy lovers”: “You who are free, / relax, your stomachs will soon settle./ Isn’t it May? Aren’t you happy as larks?” The wish for revelation, the tone and the posture of a teacher or prophet, collide in Moss’s best moments with the absence of revelation, the lack of clear answers. Other poems offer eager, or overeager, advice: “Laughter is human, so is weeping.” “I babble, trying to honor the language.”
Foto door Kat Jayne
PSALM

God of paper and writing, God of first and last drafts,
God of dislikes, god of everyday occasions—
He is not my servant, does not work for tips.
Under the dome of the roman Pantheon,
God in three persons carries a cross on his back
as an aging centaur, hands bound behind his back, carries Eros.
Chinese God of examinations: bloodwork, biopsy,
urine analysis, grant me the grade of fair in the study of dark holes,
fair in anus, self-knowledge, and the leaves of the vagina
like the pages of a book in the vision of Ezekiel.
May I also open my mouth and read the book by eating it,
swallow its meaning. My Shepherd, let me continue to just pass
in the army of the living,
keep me from the ranks of the excellent dead.
It’s true I worshiped Aphrodite
who has driven me off with her slipper
after my worst ways pleased her.
I make noise for the Lord.
My Shepherd, I want, I want, I want.
Foto door Pixabay
Psalm

God van papier en schrijven, God van eerste en laatste schetsen,
God van antipathieën, God van alledaagse gelegenheden...
Hij is niet mijn dienaar, werkt niet voor fooien.
Onder de koepel van het Romeinse Pantheon,
draagt God in drie personen een kruis op zijn rug
zoals een ouder wordende centaur, handen gebonden op zijn rug, Eros draagt.
Chinese God van onderzoeken: bloedonderzoek, biopsie,
urine-analyse, geef me de graad van eerlijk in de studie van donkere gaten,
eerlijk in anus, zelfkennis, en de bladeren van de vagina
zoals de bladzijden van een boek in het visioen van Ezechiël.
Moge ik ook mijn mond openen en het boek lezen door het te eten,
de betekenis ervan doorslikken. Mijn Herder, laat mij gewoon doorgaan
in het leger van de levenden,
houd mij uit de rangen van de voortreffelijke doden.
Het is waar dat ik Aphrodite aanbad
die mij verdreven heeft met haar pantoffel
nadat mijn slechtste manieren haar behaagden.
Ik maak lawaai voor de Heer.
Mijn Herder, ik wil, ik wil, ik wil.
Foto door Kosygin Leishangthem

Despite his sometimes portentous tones, Moss’s alter egos are gritty or playful: circus clowns, a satyr, a centaur. One of the earliest, “Scarecrow,” amounts to a modest self-portrait: “I should be grateful if my poems / Keep some shape, out in the open field.” Those shapes can incorporate rhyme and meter, sometimes comically or self-consciously (Donald Trump’s “golden hair” has “the gold dust dandruff of a billionaire”), though Moss’s calmer poems use an ambling free verse. He sees himself repeatedly in dogs, who cannot lie, as he looks upward for God, who would not lie, and then back at other human beings, who lie all the time. “I think I lived between always and never,” he muses. “I wanted to forget that. I was like a dog, / chin on a rock, looking up at the sky.”

He is also a poet of family, one lucky enough to see four generations: his parents, his own cohort, his children and the generation after that. Moss devotes several poems to the Chinese-American children of family friends; he has tried earnestly to show his affection, though he might have tried harder to avoid clichés about things Chinese (“An ancient story is told in calligraphy”). A lament for his mother ends arrestingly: “Now the world’s poor are before me./ How can I lift them one by one in my arms?” His versions of his father are more frequent, stranger and far more distressing: “I never thought I’d dig your grave with laughter.”

Now as in decades past, Moss shows the real, uninhibited gift of creation, the drive to set down what he discovers and envisions. He does not often entertain the judging, shaping spirit that comes later, that does not write but rewrites, challenges and removes, rejecting a good phrase in order to find something better. When that spirit does visit him, Moss writes work that could keep. When it does not, he offers an honest, determinedly literary record of a passionate, fortunate, well-traveled life.

(Stephen Burt NY Times Feb 26 2017)

Joost Langeveld Origami 800 x 600
Paper Swallow

Francisco Goya y Lucientes,
I dedicate this paper swallow to you and fly it
from the balcony of San Antonio de la Florida
past the empty chapels of the Four Doctors of the Church.
My praying hands are fish fins again,
one eye a lump of tar, the other hard blood,
my flapping lids sewed down to my cheekbones.
Time, the invisible snake, keeps its head
and fangs deep in the vagina of space.
Reason blinded me, banished me.
I fight the liar in me, selective desire,
my calling nightmares ‘dreamless sleep.’
Blind, coño, I made a musical watch,
the image of Don Quixote points the hours,
Sancho the minute hand. I hear the right time
when I listen to my watch play church bells.
Mystery this, mystery that.
I have another watch—wolves howling and dogs barking.
Now the invisible snake swims in the Ebro.
I look out of my window to see time
as if it were not in my mouth
and all my other two-timing orifices.
Don Francisco, I swear at the feet of the dead who maim me
and the living who heal me that the least sound,
a page turning, whips me. I owe my blindness,
this paper swallow, to you, because I lived
most of my life, a marrano, in your deaf house.
I pull open one of my eyes like the jaws of a beast.

Goya y Lucientes, Francisco de (1746-1828) A Way of flying

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.