Foto door Ravi Kant
Charles Boyle was born in Leeds, and worked in for a long time in publishing, including fourteen years at Faber and Faber. He is the author of six collections of poetry: Affinities (1977), House of Cards (1983), Sleeping Rough (1987), The Very Man (1993; all Carcanet), Paleface (1996), and The Age of Cardboard and String (2001; both Faber), the last of which he is probably best known for. Reviewing in the Guardian, Nicholas Lezard called the book “quite beguiling: completely unpretentious yet still resonant and lyrical; linguistically precise and emotionally evasive, often at the same time.” 

Boyle has also published a novella, 24 for 3 (Bloomsbury, 2008) under the pseudonym Jennie Walker, and a book of photographs and brief texts, Days and Nights in W12, under the pseudonym Jack Robinson. The Manet Girl, a collection of stories, was published under his own name in 2013 by Salt Publishing. In 2007, as a result of his difficulty in getting 24 for 3 published, Boyle established CB Editions, a small press dedicated to novellas, translations, and writing in other genres often neglected by mainstream publishers. (The poetry archive, John Green)

Merkwaardig in deze staat van dienst is wel dat hij na zes dichtbundels (1977-2001) ophield met poëzie schrijven. Sinds het eerste jaar van dit nieuwe millenium heeft hij dus geen versregel meer geschreven. (Poems can be written in the little gaps of time that 9-to-5 jobs allow. Especially after I had children, I considered earning a living more important than writing poems.) Met daarbij de vrees hetzelfde gedicht te schrijven dat eerder al door hem geschreven is. Hij noemt het: “een vriendschappelijke scheiding” van de Muze. Als founder-editor van zijn kleine CB-editions had hij ook wel de handen vol om van het hoofd nog te zwijgen.

'I wasn’t good enough. I wanted to get a new tone and a new range of material into the work, and I didn’t have the technique, the ability. Writing more of what I’d already written, variations on poems already in print, was pointless – firstly because there was no thrill in this, secondly because it wasn’t as if this was an income-generating activity that I needed to sustain to keep myself in cigarettes.'
Foto door Negative Space

Vorig jaar, 2021, verscheen ‘The Disguise’ Poems 1977-2001, een selectie uit de zes bundels door Christopher Reid , Carcanet. Manchester. In enkele dagen van Amazon NL naar je thuisadres voor iets meer dan 20 euro. Enkele gedichten hier met poging tot vertaling als kennismaking. Ook uit mijn persoonlijke collectie.

Charles Boyle established a reputation as a sharp, wry, disabused observer of social mores. Paleface, published by Faber, was shortlisted for the Forward Prize, and The Age of Cardboard and String, also from Faber, was shortlisted for the T.S. Eliot Prize and the Whitbread Award. But in 2001 the well ran dry. Since the first year of the twenty-first century he has not put poetic pen to paper even once. 

The poems remain vital and fascinating, but they have about them also a kind of archaic cast: here we find the quintessential white male Englishness from the late twentieth century on display as if in a museum. Here too is the excitement of abroad (North Africa especially), and there are ghosts, absences, exile and evasions: in hindsight, these poems offer clues to their own disappearance after thirty notable years spent partly in the sun. (aldus de uitgever)
Foto door Charlotte May
Moving in

The shape of the key is still strange in my hand.

Inside, all’s silent in shadow: a sense
of violating stillness as in a tomb.

We wander through, touching dust, pausing
to look, to listen, to watch each other’s faces.

On the south side we find, as promised, the balcony,
you open the shutters, letting daylight in

on faded chairs, the worn carpet, a magazine.
There are pictures of flowers and eastern girls.

All this will have to go, you say.  Less sure
than you, I fear displacing the old echoes.
eigen foto Gmt
Naar binnen

De vorm van de sleutel is nog steeds vreemd in mijn hand.

Binnen is alles stil in schaduw: een gevoel
van gewelddadige stilte als in een tombe.

We dwalen rond, raken stof aan, pauzeren
om te kijken, om te luisteren, om elkaars gezichten te bekijken.

Aan de zuidkant vinden we, zoals beloofd, het balkon,
je opent de luiken, laat het daglicht binnen

op verschoten stoelen, het versleten tapijt, een tijdschrift.
Er zijn foto's van bloemen en oosterse meisjes.

Dit moet allemaal weg, zeg je.  Minder zeker
dan jij, vrees ik de oude echo's te verplaatsen.
Arlington Mansions

Towards midnight on my 30th birthday
I was teasing a 5-amp fuse wire
between a pair of recalcitrant screws,
remembering in the dark
April 1961: Yuri Gagarin, first man alive
to see the whole blue ball in space,
and myself aged 10 in the back of a car
being driven east.

A dog came scratching for food.
A bowl of cold chicken curry later,
I half-led, half-pushed it back home
to the gaga lady upstairs –
the Flower Girl, the Millionairess,
former star of the silent screen- 
who lived on chocolate and cigarettes.

Sshhh, she whispered, one finger on her lips,
the same sound of the sea
I could hear beyond Flamborough Head.
Foto door Julia Volk
Arlington Mansions

Tegen middernacht op mijn 30ste verjaardag
was ik een 5-amp zekering aan ’t trekken
tussen een paar recalcitrante schroeven,
en herinnerde ik mij in het donker
april 1961: Yuri Gagarin, de eerste levende man
die de hele blauwe bol in de ruimte zag,
en ikzelf 10 jaar oud, achterin een auto
die naar het oosten reed.

Een hond kwam scharrelen naar eten.
Een kom koude kip curry later,
ik half geleid, half geduwd
naar de gaga-dame boven-
de Flower Girl, the Millionairess,
voormalige ster van het stille scherm-
die van chocolade en van sigaretten leefde.

Sshhh, fluisterde ze, een vinger op haar lippen,
hetzelfde geluid van de zee
dat ik voorbij Flamborough Head kon horen.
Foto door cottonbro
Fault Line

There was so much right on both sides,
Ken said, we could each found a church,
and the people who stuck by whichever holy writ
would be people he wouldn’t mind meeting.

At the time, I was kneeling on the floor
with a self-assembly bookshelves kit,
wondering why they’d given me only nine nuts
for ten bolts, and just when he’d said that,

about the two churches, I realised
that the alarm bell on the used-car garage
which had been ringing since Friday night
had stopped. For the first time for years

I felt a shiver run through me
and into the ground. Then Ken was saying,
in his seen-it-all, done-it-all voice,
Have you ever watched a priest, a priest

in full regalia, in tears? Weeping’s
the word, not crying, and the snotty grey handkerchief
he keeps up the sleeve of his vestment
can’t stem the waters of Babylon.
Waters of Babylon Ninth Taboo

Er was zoveel goeds aan beide kanten,
zei Ken, dat we elk een kerk konden stichten,
en de mensen die zich aan de heilige schriften hielden
zouden mensen zijn die hij  best wilde ontmoeten.

Op dat moment zat ik geknield op de vloer
met een doe-het-zelf bouwpakket boekenplanken,
verwonderd waarom zij mij maar negen moeren
voor tien bouten hadden gegeven, en net toen hij dat had gezegd,

over de twee kerken, realiseerde ik mij
dat de alarmbel van de tweedehands autogarage
die al rinkelde sinds vrijdagnacht
gestopt was. Voor de eerste keer sinds jaren

voelde ik een rilling door me heen gaan
tot in de grond. Toen zei Ken
met zijn alles-gezien, alles-gedaan stem:
Heb je ooit een priester, een priester

in vol ornaat in tranen gezien? Huilen is
het woord, niet wenen, en de snotterige grijze zakdoek
die hij in de mouw van zijn gewaad bewaart
kan het water van Babylon niet tegenhouden.

I’m in Waterstones, where they know about these things,
I’m trying to buy a book with the word Tree
in its title, I forget the author, it’s something
I’ve been told I must read by someone I trust,
over a week ago now, and the girl at the desk,
the cashier, pretty, brunette, is on the phone
to a friend, who is making some difficulty about tonight’s
arrangements, nine o’clock in the Yorkshire Grey,
and while nestling the phone to her cheek, between her ear
and left shoulder, a trick I could never manage,
is taking money from the person, woman, in front of me,
giving one pound and five pee change, then dropping the book,
six hundred pages at least, with a palm tree, black
palm tree, not the same tree at all, and embossed
gold letters on its cover, into a purple plastic bag,
adding bookmark, receipt, a smile, a frank
and beautiful smile, still insisting that Stephen and Julia
are leaving tomorrow, it could be their last chance ever.

Ik ben in Waterstones, waar ze van die dingen afweten,
ik probeer een boek te kopen met het woord Tree
in zijn titel,  ik vergat de auteur, het is iets werd er gezegd
door iemand die ik vertrouw dat ik moet lezen, 
nu een week geleden, en het meisje aan de balie,
de kassière, mooi, brunette, is aan de telefoon
met een vriend, die wat moeilijk doet over  over de afspraken
van vanavond , negen uur in de Yorkshire Grey,
en terwijl ze de telefoon tegen haar wang nestelt, tussen haar oor
en linkerschouder, een truk die ik nooit zou kunnen flikken,
is geld aannemen van die persoon, vrouw voor mij,
een pond en vijf pence wisselgeld geven, dan het boek
minstens zeshonderd pagina’s, met een palmboom , zwarte
palmboom, helemaal niet dezelfde boom, goudkleurige
letters in reliëf op de kaft, in een paarse plastic zak laten vallen,
bladwijzer erbij, ontvangstbewijs, een glimlach, een open
en mooie glimlach, nog steeds volhoudend dat Stephen en Julia
morgen vertrekken, het zou hun laatste kans kunnen zijn.

The Age of Cardboard and String, gepubliceerd in 2001, is het titelgedicht voor Charles Boyle’s laatste bundel tot nu toe. Na wat hij “een minnelijke scheiding” van de Muse noemt, werd hij de oprichter en uitgever van CB Editions en blijft hij in andere genres schrijven.

In feite zijn het drie kleine gedichten onder dezelfde noemer. Het wordt uitvoerig besproken in The Guardian door Carol Ruimen’s ‘Poem of the week’ van 27/12/2021 Te raadplegen:

The Age of Cardboard and String

It is a machine for eating oranges.
It is a machine for humming new tunes.
It is a rocket bound for the moon.
It is, whatever string you pull, the same machine.

When it breaks we apply more sellotape,
and when it breaks again we sulk, mixing our tears
Into the glue. When it works

we set off for the moon,
scattering orange peel on the floor
and singing songs not yet written down –
hot, fierce songs

that almost burn our mouths with their newness.


Faster! Faster! We want to overtake
Anna, who is seven. We want

gears, automatic transmission, wings, clouds
to fly through, flags, fuel injection,
solar panels, stabilisers, sometimes just
to be left alone.

And no,
it wasn’t us (with crumbs on our lips)
who stole the cookies from the cookie jar.

Maybe God
Maybe God was hungry.


The moon was OK.
There were holes in it,
We saw biscuits and things at the bottom.

It was raining, the cardboard melted.
Tomorrow can we build a boat?

Wait! We brought you back a secret,
but we’re going to tell it to the zebras first –
the black one with stripes painted white,
the white one with stripes painted black,

who sleep on the landing,
leaving just enough room to squeeze by.
on the wings of a dream by Vince Pezzaniti
Het tijdperk van karton en touw

Het is een machine om sinaasappels te eten.
Het is een machine om nieuwe deuntjes te neuriën.
Het is een raket op weg naar de maan.
Het is, aan welk touw je ook trekt, dezelfde machine.

Als ze breekt, gebruiken we meer sellotape,
en als ze weer breekt mokken we, terwijl we onze tranen mengen
met de lijm.  Lukte het

dan gingen we op weg we naar de maan,
appelsienschillen strooiend over de vloer
En songs zingend die nog niet niet geschreven zijn-
Hete felle songs

die bijna onze monden verbranden met hun nieuwigheid.


Sneller! Sneller! We willen Anna
inhalen, die zeven is.   We willen

Versnellingen, automatische transmissie, vleugels, wolken
om er door te vliegen, vlaggen, brandstofinjectie,
zonnepanelen, stabilisatoren, soms gewoon
om met rust te worden gelaten.

En neen, 
wij waren het niet (met kruimels op onze lippen)
die de koekjes stalen uit de koekjestrommel.

Mischien God
Misschien had God honger.


De maan was OK.
Er zaten gaten in,
We zagen koekjes en dingen op de bodem.

Het regende, ’t karton gesmolten.
Morgen kunnen we dan een boot bouwen?

Wacht! We brachten je een geheim terug,
Maar we gaan het eerst aan de zebra’s vertellen-
de zwarte met wit geschilderde strepen,
de witte met strepen zwart geschilderd,

die op de overloop slapen,
net genoeg plaats overlatend om er langs te kunnen.

Charles Boyle is een scherpe observator. Niet het verhaal, maar degene die het vertelt of er zijdelings bij betrokken is wordt belangrijk. De fragmentarische observaties doen mij aan filmbeelden denken; ze hebben door hun koele beeldrijkdom een zekere afstandelijkheid waardoor ze aan geloofwaardigheid winnen. Een verre herinnering, een ogenschijnlijk onbelangrijke gebeurtenis, de ‘vrees om oude echo’s te verplaatsen’, de mogelijkheid om langs kinderlijke dromen essenties terug te vinden, de aandachtige observatie in een winkelruimte, ze getuigen van een koele intensiteit waarmee de warme belangstelling voor ons ingewikkeld bestaan met een zekere afstand wordt opgediend met genoeg leegte die de lezer(es) zelf zal mogen aanvullen. Er is plaats voor de lezer, een eigenschap die een uitgever naar waarde weet te schatten. Zoals in dit gedicht ter afsluiting het observeren zijn eigenzinnige draai krijgt.


I like too 
the shape you make
when you're trying on a new little something,
when facing away
from the full-length mirror
you hollow your back,
make a half-turn
so that the heel of one foot's lifted up,
and look appraisingly down
to observe the effect
from behind-
as if you're following yourself

(Uit de bundel Paleface 1996)
Vrouw voor de spiegel Erwin Mackowiak S.M.A.K.

2 gedachtes over “Letterbreed en letterlievend: Charles Boyle (1951)

  1. Dank voor je waardering, het werk van deze auteur mag inderdaad best indruk-wekkend in meerdere betekenissen genoemd worden.


Comments are now closed.