DE MAN VAN 30 MILJOEN, een kortverhaal

loterieblindd

Hij glimlachte. Gelaten. Een gelaten glimlachje zoals hij glimlachte als hij op het toilet zat. Door iedereen gerust gelaten en ontdaan van dagelijkse ballast.
Zo glimlachte hij toen hij de cijfers zag. Ze stonden er, alle vijf, in oplopende volgorde. Gevolgd door twee sterren gevuld met een getal.
Hij bekeek nog eens elk cijfertje apart. Om zeker te zijn. Daarna knikte hij.
‘Ik heb dertig miljoen gewonnen,’ zei hij tegen zichzelf.

Hij waste zijn handen. Voelde geen aandrang om met een luide kreet zijn vrouw wakker te maken noch de tweedehands meubeltjes aan diggelen te gooien. Een neiging de buurt op champagne en gerookte zalm te trakteren kwam niet bij hem opzetten.
Hij stapte op zijn gammele fiets en liet het huurhuisje voor wat het was.
Floot deze gelukkige man niet eens een opgewekt deuntje of zong hij luidop een fragment uit Verdi’s slavenkoor? Neen, de man hield zijn lippen stijf op elkaar geklemd en vloekte op de schoolkinderen die het verkeer hinderden.
Wel wiegde hij zachtjes met zijn hoofd als hij voorbij het park kwam, knikte hij herhaaldelijk als hij het station binnenliep en zijn stem trilde even toen hij zich liet doorverbinden met de bedrijfsdirectie.
‘Ja?’ zei de directeur-generaal. ‘Ja?’.
‘Met het secretariaat van de koning,’ zei de man.
‘Oh..’ hoorde hij de directeur-generaal schrikken.
‘Zijne majesteit vraagt zich af waarom u de hele dag zo zuur kijkt?’
‘Pardon?’
‘Inderdaad, tijd om u te verontschuldigen. Een glimlachje kost niks, Jozef.’
‘Maar enfin…’
‘Kusje van de koningin, en denk eraan, eerste plicht een blij gezicht!’
De man klapte zijn goedkoop gsm’tje dicht, bedacht zich, liet zich toen met de personeelsdienst verbinden en geen twee minuten later had verzekeringsmaatschappij Secur een bediende minder uit te betalen. ‘Plotseling naar het buitenland vertrokken wegens dringende familiale omstandigheden’.
De trein naar de hoofdstad arriveerde stipt.

saisissez-la-fortune_grande

In Brussel handelde hij de noodzakelijke geplogenheden af op de zetel van de Nationale Loterij en na een gezellig etentje wandelde hij door het park waar hij zijn dagelijkse boterhammen aan de eendjes voerde. Iets voor half zeven was hij weer thuis.
‘Er is tomantensoep en worst met rode kool!’ riep zijn vrouw vanuit het keukentje.
‘Haha, ‘ antwoordde hij. Niet opgewekt, niet spottend, eerder gelaten, zoals men de loop der dingen aanvaardt, het wisselen der seizoenen, het doodsbericht van een verre groottante.

Elke morgen verliet de man vrouw en huisje, spoorde hij naar Brussel en maakte hij een wandelingetje door het park. Het etentje reserveerde hij voor bijzondere dagen. Hij ontdekte een café met een prachtige biljarttafel, speelde er zijn partijtjes, at er zijn boterhammen en was ’s avonds op tijd thuis voor het avondmaal.
De bank zorgde voor een maandelijkse overschrijving, vakantiegeld en andere extraatjes inbegrepen.
’Vast werk, zegde zijn vrouw, en een zuinige echtgenote, wat willen we nog meer?’
‘Niets,’ antwoordde de man. ‘Helemaal niets.’
En hij meende het nog ook.

lotty_1024x1024

Elke dag verliet hij huis en vrouw om in een Brussels café zijn partijtjes biljart te spelen en in een Brussels park de eendjes te voeren, en elke dag was de man om half zeven thuis, dertig jaar lang.
Hij voelde zich gelukkig en zag met een bang hart zijn pensioen-leeftijd naderen.
Zelfs de rente van zijn dertig mijoen had hij niet eens opgeleefd.
‘Ze laten jou wel heel lang werken,’ zei zijn vrouw toen hij bijna vijfenzestig werd. ‘Je bent zeker onmisbaar?’
Hij knikte.
Toen enkele weken later zijn café in de binnenstad werd gesloten omdat ze voor een reusachtige building plaats moest ruimen en toen ook het park met eendjesvijver verdween omdat de administratie van Europa op die plek zo nodig burelen en vergaderzalen wilde bouwen, besloot hij zichzelf op pensioen te laten gaan.

Ln_17

Hij kocht een vrij goedkope horloge met veel bling-bling, liet in een tinnen schotel zijn naam en een wens graveren (-met dank voor uw inzet-) en kondigde die avond het einde van zijn administratieve loopbaan aan.
‘Voilà, ik moet niet meer gaan werken.’
Zij keurde zijn horloge en las ontroerd de tekst op de schotel.
‘Allemaal echt, hoor,’ zei ze. ‘Echt tin en echt goud, en ook wat erop geschreven staat. Ik ken iets van die dingen.’
Hij zegde niets. Hij dacht aan zijn dagelijks partijtje biljart, de glazen trappist en de eendjesvijver.’
‘Maar ik heb ook een verrassing,’ riep zijn vrouw. ‘Wie is er al die jaren zuinig geweest, wie heeft er beetje bij beetje een flinke som gespaard?’
Hij antwoordde niet.
‘Ik! Ik heb bijna honderdduizend euro gespaard! ‘
‘Neen,’ zei de man gelaten.
‘Jaja! Daar kijk je van op, hé? En dit hier zijn twee vliegtuigticketten voor Benidorm. Kunnen we lekker overwinteren. Ik heb onze centen belegd in een sjieke flat voor oudere mensen. Wonen we gezellig samen met leeftijdsgenoten. Nog een beetje bijsparen en dan wordt die flat helemaal van ons. Ben je niet blij?’
‘Jaja,’ zei de man. ‘Heel blij.’
‘Ga je vlug omkleden want we vertrekken nog deze avond laat.We gaan alvast de buurt verkennen.’
‘Dat zal ik doen, liefste. Maar… -hij keek zijn vrouw lang aan- eerst moet ik nog een pakje sigaretten gaan halen in de winkel om de hoek.’
Bijna aan het winkeltje besefte hij dat hij niet eens rookte.

900_1912 Poster for Lottery of National Unity

DE HOROSCOOP, een kortverhaal

CNM-aquarius

‘Met jouw fantasie, zei de hoofdredacteur, zou je voor mijn krant best een horoscoop kunnen schrijven, niet?’
‘Tja’, had hij geantwoord. ‘Tja. Wat weet ik van horoscopen?’
‘Juist daarom. We zijn een krant, geen wetenschappelijk tijdschrift. Een horoscoop is als een stripverhaal. Niemand gelooft erin maar iedereen leest hem. Kwestie van klantenbinding zoals ze dat noemen.’
‘Elke dag?’ had hij nog geprobeerd terug te krabbelen. ‘Elke dag!’
‘Och, je schrijft ze natuurlijk voor een week! Met een beetje fantasie, zalvende woorden en opgestoken vingertje kom je een heel eind.’
‘Vooruit dan maar.’
‘En zorg een beetje voor jezelf, zei de hoofdredacteur, net voor hij buiten een sigaret ging roken.’
‘Voor mezelf?’
‘Weinig mensen hebben hun eigen toekomst zo in de hand als de auteur van een horoscoop! Je bent toch een waterman, niet? Kun je elke dag voorspellen wat je te wachten staat. Zo simpel is dat.’

1.28

Naar de geldelijke opbrengst had hij niet geïnformeerd, de idee dat er eindelijk iets van zijn hand in een krant zou verschijnen, dat idee volstond. Zo kreeg hij een week later zijn eerste publicatie onder ogen.
‘Waterman: je krijgt een brief die je zeker zal verrassen,’ las hij luidop.
‘Natuurlijk is het toeval, maar als toeval heel toevallig…,’ dacht hij terwijl hij nieuwsgierig zijn post doornam. Reclame, weekblad voor de groene vingers, herinnering van de bibliotheek, uitnodiging voor een gehoortest, en…Ja, een brief. Een bekende omslag. Vierduizend en zoveel achterstallige belastingen te betalen voor…
‘Je krijgt een brief die je zeker zal verrassen!’
Gelukkig had hij zijn horoscopen voor de volgende dagen nog niet geschreven. Dus tartte hij het lot met:
‘Waterman. Een ontmoeting met iemand die al een tijdje uit je leven is verdwenen. Een bijzonder prettige ontmoeting, best mogelijk met een Kreeft.’
Hij herlas zijn toekomst en begon dadelijk met nare dingen voor de Steenbok en een beetje mystiek voor de Tweelingen. Bij de Kreeft echter:
‘Kreeft. Voor sommigen, de geluksvogels, een bijzondere ontmoeting met een Waterman.’
Zo las hij het ook de volgende dag: zwart op wit. Zijzelf bracht de krant mee binnen.
‘Dat had je niet verwacht, hé?’
Ze had nog altijd van die ogen met puntjes rond de iris en ze sprak nog altijd met dat frele stemmetje also ze elk ogenblik zou gaan zingen.
Neen, dat had hij niet verwacht.
Ze kusten elkaar, lieten de dag de dag en zagen dat het donker begon te worden toen ze honger kregen.
‘Gotjes, zei hij. Ik moet mijn horoscopen nog doortelefoneren.’
Ze trok het laken hoog boven haar hoofd en vroeg hem iets leuk voor de kreeft te verzinnen. ‘Een prachtige toekomst!’ klonk het vanonder de witte tent.
Twee keer kon nog toeval zijn, dacht hij. Maar laten we de proef op de som nemen. Waterman: let op in het verkeer. Een onvoorzichtigheid in het verkeer van een bekend iemand kan je heel wat geld kosten!
Zou hij het wagen? Ach, hij ging het toch niet zelf geloven! Morgen hoefde hij niet eens zijn auto te gebruiken. Hij zou de hele dag binnenblijven nu zijn Kreeftje terug was. Een vliegtuig kon op zijn dak een noodlanding maken, of een ufo! Doen dus!

ICON-Online-Sternzeichen-Woman-in-French-11

Maar het lot liet zich niet verschalken. Nog voor hij die morgen goed wakker was, reed zijn lief Kreeftje zijn niet eens afbetaalde wagen aan diggelen.
‘Ik wilde naar de bakker om je met appeltaart te verrassen,’ klonk het iets minder minder zangerig toen ze terug uit het ziekenhuis was.
Na een dag snikjes en klaagzangen vertrok ze voor lange tijd.

‘Waterman: u wint vandaag een groot bedrag dat je uitstekend van pas komt!’
Hij schreef iets heel naars voor de Kreeft en nadat hij zijn teksten had binnen geleverd kocht hij een biljet van de Staatsloterij.
‘Vijftien miljoen, meneer!’ zei de winkelier lachend.
De volgende dag legde hij het biljet voor de verbaasde ogen van de man en zei ‘Vijftien miljoen, inderdaad, zoals je gezegd hebt!’
Ze keken elk nummer drie keer na.
‘Vijftien miljoen,’ zuchtte de verkoper.
De horoscoop-schrijver schoof enkele biljetten van honderd over de toonbank.
‘Kun je een paar lekkere flesjes voor kopen! Enne…je bent toch niet toevallig een Waterman?’
Hij was een Waterman.
‘Een bedrag dat je uitstekend van pas komt,’ citeerde hij zijn eigen tekst uit de krant.

‘Ik ben breed van begrip,’ zei de hoofdredacteur, ‘maar het is toch niet omdat je plotseling vijftien miljoen wint dat je geen horoscopen meer wilt schrijven?’
‘Ze maken me bang! Al wat ik voor mezelf voorspel komt letterlijk uit.’
Het bleef even stil aan de andere kant van de lijn.
‘Heb je champagne gedronken?’ vroeg de hoofdredacteur.
‘Koffie. Wil je het merk weten?’
‘Hou nog een weekje vol dan heb ik de tijd om een vervanger te vinden.’
‘Maar niet langer dan die ene week. Afgesproken?’

shutterstock_371021159-1-1

Zo begon hij heel voorzichtig zijn week te voorspellen.
Eerst dag. Waterman: u heeft een bijzonder rustige dag. Tijd om na te denken en een verstandige investering te doen.
Tweede dag. Waterman: geniet met volle teugen van het leven.
Derde dag. Waterman: een goede daad zal je innerlijke rust brengen.
Vierde en vijfde dag. Alles rustig.
En voor de zesde en laatste dag: Waterman, wees maar niet bang. U zult lang en gelukkig leven.
Hij stuurde zijn kopij door, kocht daarna een lot vrij dure maar lekkere wijn en genoot zoals hij voorspeld had met volle teugen van het leven nadat hij zijn centen had toevertrouwd aan bankinstellingen met filialen in Koeweit en de Arabische emiraten.
De derde dag schonk hij één miljoen aan een werk voor verlaten vrouwen, en voelde zich tevreden zoals mensen na een heerlijke maaltijd of een leuke vrijpartij.
De vierde en vijfde dag bleef alles rustig en de lichte angsten die de vijfde dag ’s avonds de kop hadden opgestoken zouden vanzelf verdwijnen als zijn voorspellingen zouden kloppen.
Toen hij de zesde dag zijn horoscoop wilde nalezen overviel hem een duizelig gevoel.
In ééntiende seconde besefte hij dat dit het einde van alles was. En de volgende negentiende van diezelfde seconde lag hij dood op de vloer.
‘De emoties van de laatste dagen,’ zou de dokter zeggen.
Toen rinkelde de telefoon.
‘Hallo,’ zei de dokter. ‘Neen, die is er niet meer. Ik bedoel, hij is er inderdaad echt niet meer. Wat zegt u? Een drukfout? En wat moet ik daarmee? Ik ben een dokter en zou u dringend rust aanraden. Horoscoop, horoscoop, wie verzint die onzin!’
Toch las hij de krant waarop het lichaam van zijn patient was gevonden.
‘Waterman: u zult niet lang leven, gelukkig. Wees maar bang.’

De volgende dag ging de bank failliet waar de horoscoop-schrijver zijn miljoenen had geïnvesteerd. En nog later ontdekte men dat hij al jaren de btw voor het lapje had gehouden. Nog een dag later kwam zijn geliefd Kreeftje jammerlijk om het leven bij een vliegtuigongeval.
Om volledig te zijn: de dag daarna brak de derde wereldoorlog uit.

horoscope_by_inkie_art-d2c5e9o

DE ZWAAN, een kortverhaal

crane 2
Eén zwaan was mooier dan alle andere, dacht ze.
Hij was iets statiger, zwom ook trager, voornamer zou je kunnen denken.
Die ene zwaan keek haar voortdurend aan, dacht ze. Alsof hij haar iets wilde duidelijk maken. Een soort smekende tinteling in zijn ogen. Een vraag om hulp.
‘Kon ik je maar begrijpen, kon ik maar raden wat je verlangt.’
Alsof de zwaan haar gedachten las, maakte hij zich los van de brood zoekende collega’s en schoof plechtig naar de oever, tot bij Adèle’s voeten. Hij keek niet eens naar het brood. Hij richtte zijn lange hals op en keek haar met zijn linkeroog zo doordringend aan dat ze een koude rilling over haar rug voelde.
‘Dit is geen zwaan,’ dacht Adèle. Dit is een mens.’

Het theater zei haar niets, televisie was al welletjes. Maar nu reisde ze naar de hoofdstad om er een opvoering van ‘het Zwanenmeer’ bij te wonen. Volgens de critici een middelmatige vertoning, Adèle’s verdere leven zou voortaan in het teken staan van deze gebeurtenis.
‘Hij is een prins,’ dacht ze toen ze de volgende dag tijdens de middagpauze weer naar de zwanen wandelde. ‘Hij is een prins en hij heeft mij herkend.’
Ook nu kwam de grote statige zwaan dadelijk haar kant op gezwommen.
‘Geduld, liefste, ik zal je redden.,’ zei ze bijna luidop.
‘Spreekt u met de zwanen?’ vroeg een oud mevrouwtje naast haar.
‘Ik dacht aan iemand die..Enfin, de lente, begrijpt u?’
Zij begreep het volkomen.
‘Het duurt geen maand meer of er zwemmen kleine zwaantjes in de vijver, ook dat is de lente,’ probeerde het mevrouwtje een gesprek te beginnen.
De grote zwaan had zijn lange hals heel hoog gestrekt om hem dan met een zachte buiging tot bij zijn borst te plooien.’
‘Dat doen ze als ze verliefd zijn,’ zei het mevrouwtje.
‘Jaja, antwoordde Adèle, zo gaat dat.’

bodo meier

Haar vriendin kende een kaartlegster die zelfs door een bekende voetballer werd bezocht met het oog op de komende wereldkampioenschappen waarvan zij nauwkeurig de afloop had voorspeld.
‘Er wacht iemand op jou, juffrouwtje.’ zei de kaartlegster, en als ik mag verder zoeken -dat betekende een opleg van 75 euro- dan zal  ik je zelfs zijn profiel duidelijk maken.’
Dat profiel bleek op rijkdom en zelfs een vermogend mens te duiden, en jawel hoor, het kon best iemand van adel zijn.’
‘Ik denk dat het een zwaan is,’ zei Adèle door de voorspellingen aangemoedigd.
‘Ik ken iemand die op een vlinder verliefd was, juffrouw. Dat komt voor.’
‘Ja, maar…ik denk dat die zwaan onder invloed van een of andere boze macht een zwaan geworden is en voordien wellicht een…mens was.’
‘Bedoelt u..?’
‘Ja, dat bedoel ik: die zwaan is geen zwaan.’
De kaartlegster zuchtte.
‘Ik ken een wijze man die zich verdiept heeft in de leer der veranderingen, de metamorfosen. Men zegt zelfs dat hij zijn vrouw in een eekhoorntje heeft veranderd, maar dat zijn waarschijnlijk prietpraatjes. Zal ik hem voor u opbellen, we werken wel eens meer samen in dergelijke gevallen?’

‘Een zwaan is van nature uit een dier voorbestemd om een menselijke ziel te herbergen,’ zei de man toen ze hem haar voorgevoel had verteld.
Hij keek haar daarbij met uitpuilende ogen aan alsof hij elk ogenblik in een kikker kon transformeren.
Hij nam een stoffig boek uit een net zo stoffig rek.
‘’Wie ontdekt plotseling het contact dat het dierlijke overstijgt? Hij of zij die voorbestemd is om de betovering te verbreken.’ Wat zegt u daarvan?’
‘Dat is heel mooi,’ zei Adèle, ‘maar hoe moet ik het doen?’
‘Het is een kwestie van verlangen. De natuur leeft van verlangens. Verlang zo hevig dat uiteindelijk de vorm die wij waarnemen verandert in de vorm die wij verlangen. Verschijningsvormen doen zich voor zoals wij ze verlangen waar te nemen, dat is quantum-fysica, mevrouw. Kijk naar mij. U ziet een man. Maar kijk eens goed.’
Adèle dacht aan het eekhoorntje waarover de kaartlegster had gesproken. Plotseling zag ze een reusachtige eekhoorn voor haar opdoemen. Ze gilde. Toen ze weer bijkwam, zag ze opnieuw de man met de kikker-ogen.
‘Was u echt een…?’
‘Wat is ‘echt’, mevrouw. Wat is ‘echt’?’

Felix-Hilaire_Buhot

Na zestien dagen intens concentreren voelde ze dat het die avond zou gebeuren. Ze liet de laatste bus vertrekken, en eens het helemaal donker was, haastte ze zich naar de vijver. De volle maan zorgde voor een aangepaste sfeer.
Inderdaad. De grote zwaan wachtte haar op. Ze dreef naar de oever en kwam op het droge.
‘Ik verlang naar jou,’ dacht Adèle. Al wat ze ooit aan haar verlangens had gekoesterd, concentreerde zij in de witte gestalte die haar kant opwaggelde.
En zie, de pluimen vielen van hem af. Uit het zwanenlijf verscheen een jonge man, nog enkele donzige pluimpjes achter zijn oren maar voor de rest helemaal een man.
Op het moment dat Adèle haar mond wilde openen om ‘oooo!’ te stamelen, om ‘kom’ te roepen, voelde ze dat ze niet meer kon spreken. Haar lippen bleven op elkaar geperst. Hard waren ze en vooruitgeschoven. Haar armen die ze wilde openen om hem rond de prachtige hals te vliegen kon ze niet eens meer optillen. Ze waren zwaar en… Ze voelde dat de wereld wegzonk. Haar benen krompen onder haar lijf, en twee harde poten met zwemvliezen kwamen in de plaats.
Haar hals rekte zich tot ver boven haar lijf, en terwijl de jonge man wenend toekeek en teleurgesteld zijn armen liet zakken, verdween zij in het water.
‘Wacht!’ riep de man. ‘Wacht!’
Maar de zwaan hoorde hem niet.

jan-asselijn

EEN ONVOORZIENE GEBEURTENIS, een kortverhaal

image004.jpg

 Toen hij promoveerde tot doctor in de wiskunde was dat niet dadelijk omdat zijn abstraherend kunnen hoog boven alle gevoel verheven was.
Hij beleefde de wiskunde immers niet als een reeks klare verbanden, logische oorzaken en duidelijke gevolgen.
Voor hem was het de meest zuivere weg om te vinden wat hij zijn hele leven hartstochtelijk gezocht had: de dood.

De dood.
Ze had helemaal niets afschrikwekkend.
Niets van de zeis, knoken en verrotting.
Ze was een betrachting zoals andere mensen een record willen breken.
Ze was een doel zoals kunstenaars zich ooit het ultieme kunstwerk voorstellen: helemaal af, zonder smet, ontdaan van twijfel. Een hoge vorm van genieten dus.
Een beetje oneerbiedig zou men kunnen zeggen dat voor hem de dood een hobby was, een dagelijks knutselen aan iets wat je nooit kon bereiken omdat je zo nodig voor vrouw, huis en kinderen moest zorgen.

Ik vertel je dat maar om duidelijk te maken dat zijn geest niet besmet was met de drang naar zelfvernieting, levenswalg of ver doorgedreven pessimisme, oorzaken die andere mensen in de armen van de dood kunnen drijven.
Zijn streven naar het einde was een dagelijkse honger, in de hand gehouden door de klare wetten van de logica, duidelijk gemaakt door zijn verlangen om geheel gecontroleerd en naar eigen scenario de levenden te verlaten.
Hij was een levenskunstenaar naar de wat vreemde betekenis van het woord.

Omdat hij zijn nazaten niet wilde opzadelen met de gevolgen van zijn persoonlijke emoties, was hij nooit gehuwd en had hij zich op de vlakte gehouden in zijn omgang met mensen.
Hij doceerde zijn wiskundecolleges, zwom elke woensdagavond een half uurtje in het stedelijk zwembad, luisterde veel naar de radio en las alleen maar de waterstanden en weersvoorspellingen in de krant.

Zijn eerste notities maakte hij al in zijn vroege jeugd.
Toen hij benoemd werd aan een kleine universtiteit vond hij meer tijd om zich geheel aan zijn levenseinde te wijden.
Het zou dan ook een prachtwerk zijn, een opperste poging om de verwachting met de werkelijke afloop te laten overeenkomen.

maxresdefault.jpg

Voor de buitenwereld moest alles heel gewoon lijken. Bijna een ongeval.
Geen spektakel dus, geen aandacht-trekkerij. Dat liet hij over aan amateurs, stuntels en ontgoochelden.
Het ging om zijn eigen genot, het besef dat zijn berekeningen klopten tot vier spreekwoordelijke cijfers na de komma.

In de late lente van dat jaar begon hij met het defintief controleren van al zijn gegevens. Eigenlijk had hij er niet tot zijn veertigste mee willen wachten, maar er waren heel wat nevendisciplines geweest die hij zich had moeten toe-eigenen om zijn merkwaardig einde te laten lukken.

Hij maakte een uitvoerige karakterstudie van de keukenhulp, een brommerige maar overigens goedaardige vrouw die ook eenmaal per week zijn flat oprommelde.
Hij wilde namelijk nauwkeurig berekenen wanneer zij het gas zou laten openstaan, uit haast, woede of uit vergetelheid.
Dat moest volgens zijn opzoekingen gebeuren als de vrouw in haar moeilijke jaren zou komen, in dit seizoen, de herfst, twee weken na volle maan, na een rumoerige dag waarin hij haar allerlei dingen zou verwijten.

Hij maakte een reeks kansrekeningen, bestudeerde een duizendtal statistieken zodat hij haarscherp het moment kon vaststellen.
Stond de gaskraan eeenmaal open dan voorzag zijn plan dat zijn hulp onmiddellijk naar huis ging, want nogmaals: hij wilde niemand schaden bij zijn opzet.

Hij berekende verder de tijd die nodig zou zijn om in de goed geïsoleerde kamer zoveel gas te laten binnenstromen om nog net de hulpdiensten te kunnen opbellen.
Ook wilde hij zo lang mogelijk bij het bewustzijn blijven om het verloop van zijn fabelachtige plan aan de lijve te ondervinden.
De afloop interesseerde hem minder. Eens hij de hulpdiensten had gebeld wilde hij zeker zijn dat hij bij zijn aankomst, en niet eerder maar ook niet later, in het ziekenhuis zou overlijden.

giotto7.jpg

Hij bestudeerde daarvoor het traject van de ambulance, hield rekening met veertien stoplichten met variabele tijden en zestien kruispunten met voorrang van rechts.
Daarbij kwam, en dat verhoogde zijn genot, dat op het tijdstip dat hij had vooropgesteld een schip met Rijnzand voor zes minuten oponthoud aan de brug zou zorgen.
Dat schip was er elke donderdag, stipt op tijd. Mocht het door een of andere reden toch afwezig blijven dan had hij een reserve ingesteld, want door deze tijdswinst zou de ambulance moeten wachten aan spoorwegovergang nummer zestien waar de intercitty van 17.42 voorbijkwam.

Alle vertragings- of versnellingsmechanismen had hij ingebouwd, tot zelfs het humeur van de agent met dienst op de Grote Markt die naarmate het vooruitzicht op een prettige of saaie nacht het verkeer met zwier of stugheid behandelde.

Hij had er zes maanden over gedaan om de samenstelling van het stadsgas te bestuderen, samenstelling die hij in verband bracht met zijn veranderende gezondheidstoestand.

Met grote liefde had hij de wisselende snelheden van de ambulances becijferd in relatie met de karakters van hun bestuurders, en die combinatie in verband gebracht met allerlei toevalsfactoren zoals daar zijn: een onvoorzien oponthoud of een niercrisis van de ambulancier.

Hij liet zijn studenten tot vier maal toe alle gegevens narekenen zonder hen op de hoogte te brengen van het uiteindelijk doel. Daarna bepaalde hij de start van zijn plan.

Het gebeurde allemaal zoals hij het had voorzien.
Na een fikse ruzie over het huishoudgeld en haar goede naam liet ze na het mislukte roerei de gas open en verdween boos huiswaarts.
De hulpdienst kwam één minuut te laat, maar dat werd goed gemaakt door de kundigheid van de ambulancier zodat hij volgens schema net op tijd in de wagen lag.

Het schip met Rijnzand was er niet omdat er een staking bij de binnenschippers uitgebroken was, maar de intercity zorgde voor de zes minuten oponthoud.
De agent met dienst had een leuk vriendinnetje ontmoet zodat ze ook hier weer even op het tijdschema vooruit liepen, maar de wegenwerken in de Duifstraat compenseerden deze winst ruim.
Een klein verkeersongevalletje bij het elfde stoplicht werd goed gemaakt door een bus gepensioneerden die de hele weg vrijhield zodat het schema weer tot op de seconde klopte.

Deze doctor in de wiskunde zou dan ook geheel volgens plan zachtjes het tijdelijke met het eeuwige verwisseld hebben bij zijn aankomst in het hospitaal.
Maar juist die donderdag was er een aardige specialiste van dienst net gepromoveerd met een proefschrift: nieuwe reanimatie-mogelijkheden bij vergiftigingsverschijnselen.

Zij redde de man en hielp hem later over zijn teleurstelling heen door met hem te trouwen en kippen, konijnen en kinderen te houden.
Verder las ze hem in zijn droefgeestige dagen voor uit de sprookjes van Andersen.
En telkens als ze over de dood las -en dat gebeurde nog al eens in een sprookje- schudde de man zijn hoofd en maakte hij het wiskundehuiswerk van zijn kinderen zodat ze nog konden buitenspelen voor het helemaal donker was.

 

4830240876_2550d0cd99_b.jpg

VERHALEN BIJ DE PELLET-KACHEL (4): EEN VREEMDE VONDST

zetel17.jpg

 

Na dertig jaar stonden ze voor voor de keuze: of het groot huisvuil, of een nieuwe bekleding. Zet je dierbare voorwerpen waarin je dertig jaar gelegen, gezeten en mensen ontvangen hebt op straat? Het oude leer verwijderen en er een nieuwe rood-bruine polyester-stof overtrekken is niet goedkoper dan kiezen voor nieuwe zitmeubelen.
 Het tweede bankstel was nog met zeegras gevuld. De eerste koelkasten werden met dergelijk zeegras geïsoleerd. Zostera marina. Gordel van de zee.
 Nu wordt het gebruikt om er ecologische doodskisten van te maken:  zeegras en wortels van waterhyacinten, wist de jongste.  Een begrafenisondernemer uit Sint-Pieters Woluwe plant voor elke overledene die hij begraaft of cremeert een boom in Nigeria.  Acacia’s in een hartvorm. Via internet kunnen de familieleden het groeiproces van de boom volgen.  ‘Grootoom Patrick heeft dringend water nodig!’  ‘Pa verliest blad.’

Ze opperden het idee dat je een vulling zou kunnen maken met de familiale asse die nu, opgesloten in een design urne, stond te bestoffen.  De voorouders als rugdekking.
 Wellicht waren er in de nabijheid van de Stille Zuidzee stammen die het gebeente van de naasten in een zitmeubel verwerkten zodat je je kon terugtrekken in de armen van de betreurde overledene of uithuilen op oma’s schouder.
 Nieuwe zetels kwamen nauwelijks ter sprake.  Ze vulden met hun grote vierkante en uitklapbare onderdelen drie vierde van de zitkamer en straalden een verlammende gezelligheid uit. Hierin je ging je letterlijk en figuurlijk onderuit.
Hun grootvader-zaliger was in  hun kindertijd de enige zetelbezitter in huis : zijn ‘voltaire’ werd zelfs bij zijn afwezigheid eerbiedig open gelaten. De groottantes pochten met hun ‘bergères’.  Deze zitmeubelen hoorden in het salon thuis. In de overige huiselijke ruimte werd alleen aan tafel en op het toilet gezeten.
 Design-zetels straalden veel design maar weinig zetel uit. Zelfs eerbare prijswinnende ontwerpen bleken bij het uittesten nauwelijks op de hoogte van menselijke anatomie. Je zakte erin weg, veerde bij elke beweging een tijdje op en neer, verdronk in de bijhorende onderdelen of ontwikkelde speen door de harde rondingen van de overigens geheel naar de renaissance ontworpen kussens waarop vergeving voor de zonden maar geen verkwikking voor de vermoeide mens geboden werd.
De uitdrukking ‘ik zie je wel zitten’ bleek verder weg dan ooit.


Waren het vroeger doorwinterde hervormde christenen, uitvinders van het kapitalisme overigens,  die het oorkussen van de duivel onder elke zittend stel billen dachten te ontwaren, nu voerde een ware anti-zit-maffia bijna dagelijks actie via de media om de mens tot bewegen aan te zetten.
 Hun overleden grootvader had het over bewegen-in-het-hoofd waarmee hij een gerede twijfel voorstond bij elke bewering die een zeker waarheidsgehalte poneerde. Zelfs het volkse wikipedia publiceerde dat bankstellen geliefd zijn omdat de meubels qua stijl bij elkaar horen. Al wordt het bezit als burgerlijk beschouwd, met als bewijs daarvoor dat men een kant-en-klare inrichting koopt. 

Taalkundig had de steller van dit legma blijkbaar een tijdje stil gezeten maar de toon was duidelijk gezet: sta op, gezetenen der aarde.


De huisgenoten besloten als reactie op deze kruistochten beide stellen opnieuw te laten overtrekken met een warme rood-bruine hedendaagse zetelstof die hen en hun nakomelingen zou overleven.
Ze wilden de kunst van het zitten in al haar mogelijkheden belijden zonder daarom afbreuk te doen van de neiging tot wandelen en rennen om een bus of trein te halen. Voor schoolkinderen van alle leeftijden zou echter een peripatetisch onderricht ten zeerste aanbevolen zijn. Is er iets zaliger dan na het wandelend opdoen van wijsheid neer te zijgen?


Enkele dagen na het afleveren van de bankstellen kregen ze een bericht van de zetelfabriek.  In de oudste chaise longue was een oude rode zijden  hoedje ontdekt. Wel versleten maar merkwaardig gemaakt.
 Wilde het toeval dat net die avond een Ierse dichter langskwam, een gewoonte die bij tekort aan subsidies of andere inkomsten als vriendenbezoek was gelegaliseerd.
Toen hij, ongemakkelijk gezeten op de tuinstoelen die ter vervanging van de zitmeubelen in transformatie dienst deden, over het rode hoedje hoorde vertellen, schrok hij. (let op: hij was nog steeds nuchter na zijn derde whiskey.) 
‘Fear dearg’ konden zij na enige herhalingen opmaken uit zijn bevende klanken. ‘Fear dearg’
? Dat was een Ierse uitdrukking die ‘rode man’ betekende. Een bekende soort kabouter uit de Ierse mythologie was de ‘far darrig’, in het rood gekleed en voorzien van een rood hoedje.  Beetje boosaardig maar verzot op practical jokes!
 Ze hoefden echter niet bang te zijn.  Eens de far darrig zijn rode hoed achterliet was dat een teken dat hij zijn toverkrachten kwijt was en op zoek was gegaan naar een job als kabouter-in-een-pretpark of het tijdelijke met het eeuwige had verwisseld.


‘Tja,’ zei het kleinkind, ‘ik zou een beetje hulp bij algebra best kunnen gebruiken.’
Dat het kind later toch verhalen ging schrijven en een toekomst als burgerlijk ingenieur links liet liggen zegt eerder iets over het kind dan over het bestaan van kabouterachtige wezens. Denken wij.
 En dat de oma van het kind steeds een opmerkelijk rood hoedje draagt, is ook toeval.

59d574aeadd051cfcabb1762122d4dfc-jpg-1500-1500-false.jpg

 

VERHALEN BIJ DE PELLET-KACHEL (1): KIP EN EI

Coucou_de_malines.jpg


Ik heb iets voor jou, zei de vos.
De kip, veilig achter een dubbele laag gaas schudde meewarig haar kop.
Trap ik niet in, vos.
Kijken kost niets, kip.
Hij rolde een groot ganzenei met zijn snuit tot aan de draad.
De kip, een mechelse koekoek, bekeek het ei, ging op haar bepluimde poten staan en vergeleek het net gelegde met het aangebrachte ei.
Wel een verschil, nietwaar kip? Als je even geduld hebt graaf ik met mijn snuit een holletje onder de draad, net genoeg voor dit flinke ei.
Wat moet ik met zo’n kanjer, vos?
Daar ga jij op zitten kakelen terwijl ik jouw ei ver van het gedoe hier consumeer.
De Mechelse dacht een volle minuut na.
Dit mooie maar toch eerder kleine ei voor dat grote…
Ganzenei, vulde de vos aan.
Ganzenei, herhaalde de kip.
Je zult me niet geloven, kip, maar dat goudhalzige van jou, dat zilveren wit…
Zilverkoekoek, vos. Niet mijn soort. En goudhalzig, ik mag er niet aan denken.
Natuurlijk niet, dat is het net.
Colombia, zegt de mensvrouw. Ik ben een Mechelse koekoek in de zeldzame  vrijwel verdwenen wit – zwarte Colombia-kleur.
Colombia! Hoor ik daarin geen gelijkenis met een edele rasduif?
Oneerbiedigen hadden het over een ‘Brussels’ kieken als ze over de Mechelsen spraken.
De vos liet een afkeurend gesis horen.
Mevrouw, als vos weet ik wat er in de wereld te koop is. Uw eerder forse gestalte past beter bij dit grote ei. Vandaar.
Van waar, vos?
Euh…als ik zo vrij mag zijn, van de kant van de liefde of als dat nog een duistere kant is wil ik het ook bij waardering houden.
Wij Mechelsen zijn een rustig ras, vos, maar verwar gemoedsrust niet met domheid.
Ik zou niet durven, mevrouw Colombia.
Geef toe, een vos die het voor een kip heeft.
Een Mechselse koekoek, mevrouw. Ik heb smaak. Ik bedoel…
Hij duwde met zijn snuit de mulle grond weg en rolde het ei de ren in.
Als u zo goed wil zijn, mevrouw.
De Mechelse snavelde haar  kippenei naar de vossenkant.
Ga vlug op dit grote ei zitten en begin te kakelen, ik smul van dit heerlijk eigen-huis product, mevrouw. Morgen breng ik weer zo’n ganzenei, passend bij uw stevige gestalte die zo treffend de naam Colombia verdient. Prettige avond nog en dankuwel voor dit kunstwerkje.
De kip begreep er niets van. Het was uiteraard een prettig gevoel dat grote ganzenei onder haar te voelen. Ze kon zich de verbazing van de mensvrouw voorstellen. Haar Mechelse koekoek die plotseling extra grote eieren begon te leggen. Had de vos ingezien dat bij een zeldzame kip van haar soort ook een bijzonder legsel hoorde? Een vos kent de wereld, dat was waar.
Ze zette haar goed bespierde borst rechtop en begon zo luid te kakelen dat de duiven op het dak van het schuurtje verschrikt opvlogen.

Na de vierde dag kwam de voorzitter van de Vereniging ter promotie van Belgische Neerhofdieren uit Glabbeek-Zuurbeemde zelf kijken.
Ik denk dat u ons in het ootje neemt, mevrouwtje, zei de goedlachse man. Dit zijn duidelijk ganzeneieren.
Dat wist ze zelf ook zonder het advies van de voorzitter, antwoordde ze.
Al was ze een eind in de zeventig, ze vertoonde geen spatje ouderdomskwaal, noch was ze zo op de vereniging ter Promotie van Belgische Neerhofdieren gebeten dat ze met deze gebeurtenis hen voor schut wou zetten. Ze betaalde elk jaar trouw vijf euro lidgeld en las op de computer het driemaandelijks digitaal clubblad.  Meer nog, dank zij het VPBN had ze zich deze Mechelse koekoek aangeschaft, fier op een inlands pluimveeras dat tot vier dagen geleden alleen maar voor rust en een dagelijks morgeneitje had gezorgd.
En of er misschien een chagrijnige gebuur of familielid voor deze grap verantwoordelijk kon zijn, wilde de voorzitter weten.
De dichtbijzijnde verplaatste zich in een electrische rolstoel en zong met haar in het kerkkoor. Ze deed de was en de plas voor hem en hun relatie kon een voorbeeld voor de stroeve egoistische wereld zijn. Familieleden beperkten zich tot enkele neven die in Den Haan aan zee een minigolf uitbaatten en haar elk jaar voor een weekje frisse lucht uitnodigden maar zelfs met kerst en nieuwjaar ter plekke bleven.
De secretaris van het VPBN dacht aan een camera, zo’n ding dat in het televisieprogramma ‘dieren in nesten’ dienst deed om ongenode of ongeziene gasten te spotten.
Het ding werd op het kippennest gericht en zou elk bedrog uitsluiten.

Infinity_2.jpg
De verbazing van het voltallige bestuur en eigenares was groot. Een heuse vos die een kippenei van de Mechelse ruilde voor een ganzenei.
Een pluimvee-specialist, bioloog en zelfs een kippen-kunstenaar werden opgetrommeld om dit tafereel te bekijken.
Er werd besloten dit verschijnsel voorlopig geheim te houden tot verschillende universiteiten de aspecten van deze vreemde collaboratie grondig hadden onderzocht.
Om de Mechselse te beschermen werd ze opgenomen in de nabije collectie van de kunstenaar waar ze op zijn artistiek erf vrij kon rondscharrelen.
Het duurde enkele dagen voor de vos ontdekte waar de Mechelse verbleef. Toen hij op een nacht het artistieke hok binnensloop was er paniek.  De Mechelse stelde haar mede-kunstgenoten gerust. Deze vos kon je haar beste vriend noemen.  Zijn gevreesde driften had hij met bewondering en vurige kippenliefde omgeturnd tot dienstbaar gedrag.  Hij leverde haar het ei dat haar status vereiste.

De ravage was enorm, schreven de kranten. Vijftien artistieken waren tot kip-zonder-kop herleid. Van een tiental werd geen spoor teruggevonden. Hier was meer dan één vos aan het moordend werk geweest.
De opname verdween in stoffige archieven. Iedereen begreep dat het exemplaar op Youtube een handige montage zou zijn.
De eigenares was intussen rijkelijk vergoed en kocht haar bio-eieren in de supermarkt.
Mocht er al een zedenles aan dit verhaal kleven dan kon tevredenheid met het eigen legsel mogelijk de goede richting aanduiden. Er als de kippen bij zijn, blijkt meer dan één betekenis te hebben.
Een oud gezegde wil ik de aandachtige lezer niet onthouden: de vos groet dan alleen de heg wanneer hij in de tuin wil.
Let op voor pluimstrijkers, kind.

ganzei1_0-640x478.jpg

DE MANNENZAAL (Turnhout 1955) (1)

gasthuis.jpg

Op zijn elfde wilde hij het liefst gasthuiszuster worden.  Het feit dat hij een jongen was,veranderde daar niets aan. Met een witte jurk en een specifieke kap op je kop was iedereen een zuster.
Hij lag met een vage voetwonde op de mannenzaal, groot voor zijn leeftijd en kon zich nuttig maken door voor de patiënten limonade en koekjes te gaan halen in de plaatselijke kantine. Vaak hielp hij een oude man rechtop in bed zitten, luisterde hij aandachtig naar vijftien verledens en kon hij begrijpelijk knikken als ze ‘verstaat ge?’ zegden, liep hij naar de badkamer voor fris water en vertelde hij een verhaaltje als ze de volgende dag geopereerd moesten worden en van schrik de slaap niet konden vatten.
‘Gij zijt nog maar een kind, maar ge kunt goed luisteren, ‘ zei Lukske in het verste bed van de zaal.
‘Zeg dat maar tegen ons ma,’ had hij geantwoord, maar zijn ma zei dat ze niet tegen de ziekenhuisgeuren kon en daarom kwam alleen zijn pa hem elke dag bezoeken en de jongens van het vijfde leerjaar die om te vlugst naar boven stormden om een goede plaats in het klassement van de ‘gasthuis-ronde’ te krijgen.
Hij hield een lijstje bij en gaf de dag-winnaar en de winnaar van het algemeen klassement een snoepje of een glaasje geneeskrachtig (kraantjes)water.
‘Niet te druk, hé jongens,’ zei de hoofdzuster.  Haar woord was wet, dus siste hij als een goed ontwikkelde slang als Fons van den Berg zijn paardenlach de mannenzaal injoeg of Joske Geerts zijn aangebrande moppen met veel te luide stem begon te vertellen en midden in het verhaal niet meer wist hoe ze eindigden waarop de paardenlach met gefluit op zijn vingers en het puber-ahoe van Ronny Bekkers voor een duidelijke meerstemmigheid zorgden.

Zijn vader zat op de enige stoel bij zijn bed en praatte over voetbal met een oudere patiënt wiens bed met het hoofdeinde aan het bed van zijn zoon grensde.
Waren de jongens naar huis dan knikte hij vriendelijk en vroeg hij of hij niet te moe was van al die drukte.  Hij schudde zijn krullenhoofd en zei dat dit het enige uur was dat hij in bed lag, het bezoek-uur, en o ja, ‘s zondags als de radio-mis werd uitgezonden, dan mocht er ook niemand rondlopen.
‘Kom maar eens mee pa.’
Hij sprong uit zijn witte bed en begon aan een rondleiding waarbij hij elke patiënt met naam en toenaam aan hem voorstelde aangevuld met het ziektebeeld of de vooruitzichten al dan niet op een spoedig vertrek.
‘Dat is een echte schat,’ zei de piraat, een bakker op leeftijd die van een oogletsel herstelde en zich als zeerover op rust had gepresenteerd. ‘Hij loopt de benen van onder zijn lijf om iedereen helpen.’
‘Jaja,’ zei zijn vader. ‘Het is een goeie jongen maar ge moogt dat niet te dikwijls zeggen want daar zou hij een dikke nek van kunnen krijgen.’
Of ze zijn bakkersnek als een gezien hadden, dat was pas een dikke nek.
Bij Lukske Lenders bleven ze achter zijn bed staan.
‘Hij is heel ziek, pa.  Iets met de longen, hé Lukske?’
Lukske knikte.  Je zag alleen zijn klein appelhoofdje boven de dekens uitsteken.
‘Lukske droomt slecht, pa. Over de oorlog.  Een Duitser blijft hem achternazitten tot hij zwetend van de koorts wakker wordt. Ik heb hem al eens gezegd dat hij zich in zijn droom moet durven omdraaien.  Niet bang zijn, maar recht op de Duitser afgaan.  Dat zei vava.  Hij had ook zo’n droom, maar dan met een kolonel van het Belgisch leger.  Faut retourner.  Faut retourner, riep die want vava’s fort in Namen was ontploft. Degenen die nog leefden probeerden in de velden weg te komen maar die spookkolonel zat hem elke nacht achterna totdat vava zich omdraaide en de bullebak in elkaar zakte en er alleen nog een hoopje stof op de grond overbleef. En nu gaat Lukske deze nacht hetzelfde doen.  Spijtig dat ik van de nachtzuster niet bij hem mag gaan zitten om zijn hand vast te houden.’
‘Een jongetje moet ‘s nachts slapen,’ zei het appelhoofdje met een hese stem die in een droog hoestje oversloeg. Zijn vader gaf hem uiteraard groot gelijk.

Jean was timmerman en had last van zijn rug gekregen.
‘Krom staan, hé meneer.  Daar wordt ge krom van.’
Zijn vrouw bracht kilo’s sinaasappelen mee voor de vitamines en een vlotte stoelgang.
‘En dan persen wij die uit, nietwaar jongen?’
Dat deden ze met zo’n handpersje waarop je een halve sinaasappel zo lang heen en weer moest draaien tot er geen druppeltje meer uitkwam.
‘Nogal wat anders dan die Sinalco-limonade!’
Voor een halve frank kon je een glas vers geperst sap leegdrinken.  Betalen moest stiekem gebeuren want handeldrijven was onder de patiënten van het Sint Elisabeth-ziekenhuis niet toegestaan.
‘We hebben al bijna veertien frank, maar zwijgen hé pa?’

(vervolgt)

Gasthuiszusters_Augustinessen-Boom.jpg

HET 5DE WIEL

 

Je kent dat gevoel toch ook?  
"Het-vijfde-wiel-aan-de-wagen-gevoel.
"
Overbodig zijn.

Is er iets leukers?

Helemaal niet.

Degenen die zo dringend moeten
hebben pas een naar leven.

Moeten.


Overbodigen moeten niet.

Ze zijn het surplus.
 Pure luxe is dat.
Mijn broertje en ik, wij waren het vijfde wiel aan de gezinswagen.

Vader gaf ons beiden een houten wiel .

Er is een verloren gegane foto met ons houten wiel.
Zogezegd om na te denken, maar wij wisten wel beter.

Jullie zijn het vijfde wiel aan de wagen had hij nog geroepen.

Mijn broertje vond dat erg.  Hij was het jongetje uiterst links.

Ikzelf zat naast hem, ik hield ook een wiel vast,
maar keek recht in de camera.

Wij zouden iedereen laten zien

dat we een bijzonder vijfde wiel waren.
Een vijfde wiel met overtuiging.


Mijn broertje is later uitvinder geworden.

Daar ontmoette hij wel meer mensen met dat 5de wiel gevoel.


Uitvinden is niet zo eenvoudig!
Ik mocht zijn assistent zijn.
Elke dag vonden we een beetje nieuwe wereld uit.
Mislukte het dan was het een kwestie
de juiste pleisters op de juiste plaats te kleven.
Beklaag je niet als je je overbodig voelt.

Aanvaard het.

Zucht diep van opluchting.

Het kan een tijdje duren eer je dat gevoel als een weldaad ervaart.


We draaien wel eens vierkant.
Pijnlijk.
Niet alleen voor allerlei inwendige en uitwendige organen,

maar ook voor het innerlijk van de mens.



Eens dat ontdekt
is het een kwestie van nadenken
Mediterend
ziet de wereld er heel anders uit.
Het vijfde wiel
werd o.a. een lekker patersbiertje.

In Nederland gebruiken we het woord "fileparkeren", maar in België is het woord parkeren de standaard voor het achteruit inparkeren tussen twee auto's in die op dezelfde lijn staan. Maar hoe dan snel weer de baan op?

Het kon, met het vijfde wiel, ook op deze manier:

Tot in de jaren 1970 was Walker bezig met het ontwikkelen van fileparkeersystemen voor auto’s en zijn laatste poging deed hij met een Saab sedan. Op dat moment had hij al meerdere auto’s staan met werkende systemen waaronder een vroege jaren vijftig Ford stationwagon, een 1957 Oldsmobile stationwagon en een 1951 Cadillac Series Sixty Special. Al deze auto’s werden door Walker op een zelfde manier aangepast waarbij een wiel, dat haaks op de andere wielen stond, onder de auto verborgen zat dat kon worden neergelaten om zo de achterkant op te tillen. Voor dit systeem was het nodig dat er een stuk uit de bodemplaat van de auto werd gezaagd en in sommige gevallen waren er nog wat meer aanpassingen nodig. Kijk naar de praktijk hieronder!

(Klassiekersweb.NL 2015)

Het was ooit leuk het vijfde wiel te zijn!