Later wordt het, maar nooit te laat(?) (1) ‘Frederic Seidel’ (1936- )

Friedrich Moritz August Retzsch – Faust und Mephisto beim Schachspiel, Öl auf Leinwand, 29 x 34 cm

Zijn de straten leger? Bewoners uitgezwermd? In het heen en weer van de vakantiedagen hebben we het over de tijd. Niet de eerste keer maar bij enig nadenken verwijzen wij in onze levens voortdurend naar het verleden. Weet je nog wel, oudje? En wat met die nog vreemdere tijd van straks-en-morgen om van overmorgen nog te zwijgen?

Faust is het verhaal van een naar kennis strevende dokter en zijn gewiekste tegenstander, de duivel en zieltjes winnende Mephisto. In ruil voor zijn ziel, kan Faust voor een beter leven gaan. Faust is de belichaming naar dat verlangen naar een beter leven. Faust moet kiezen tussen de kracht van het geloof en de zekerheid van wetenschappelijke inzichten; tussen egocentrische zelfverwezenlijking en maatschappelijke erkenning;  tussen een kuis bid en werk en erotisch hedonisme. Iets van alle tijden? Iets typisch Duits?  (Remy in Wonderland). Hoe dus met deze zgn. keuze omgaan?

Vraag het aan een dichter. Een dichter met jaren op de teller. Frederick Seidel, USA jaargang 1936, dus achtentachtig geworden op 19 februari.


In a 2002 profile of Seidel in The Nation, Robyn Creswell writes:
"He is not a satirist, though he can be very wicked, and the comedy of his poems is not the comedy of manners. Instead, it is the more desperate, more affecting comedy of belatedness, in which the poet finds that his voice is only an accent, and that all accents are only echoes. What makes Seidel stand out among American poets, however, is not just his air of early-blooming ennui but the fact that he is uniquely contemporary."


"Hij is geen satiricus, hoewel hij heel boosaardig kan zijn, en de komedie van zijn gedichten is niet de komedie van de zeden. In plaats daarvan is het de meer wanhopige, meer ontroerende komedie van de laatheid, waarin de dichter ontdekt dat zijn stem slechts een accent is, en dat alle accenten slechts echo's zijn. Wat Seidel echter onderscheidt onder de Amerikaanse dichters is niet alleen zijn air van vroegbloeiende ennui, maar ook het feit dat hij uniek hedendaags is."
What Next

So the sun is shining blindingly but I can sort of see.
It’s like looking at Mandela’s moral beauty.
The dying leaves are sizzling on the trees
In a shirtsleeves summer breeze.

But daylight saving is over.
And gaveling the courtroom to order with a four-leaf clover
Is over. And it’s altogether November.
And the Pellegrino bubbles rise to the surface and dismember.

Source: Poetry (September 2012)

De beste gedichten van Frederick Seidel balanceren op het scherp van de snede tussen de diagnose van wat er mis is en zelf in de fout zijn. Net als zijn vorige 18 bundels, gaat “So What” over esthetische bezigheden en lichamelijke problemen, diep gevoelde persoonlijke verliezen en de kluwen van kwaad en horror in de wereld. Met bijna 140 pagina’s bevat de bundel gedichten die aanvoelen als herhalingen van technieken en raakvlakken uit het verleden, met een uitgeput gevoel van urgentie. Maar Seidel is een van onze beste hedendaagse dichters, en hij is tot ver in zijn negende decennium blijven schrijven, knap en als een parodie op knap schrijven.



“1937.” A Poem by Frederick Seidel
(From the Collection “So What”)

It’s always about to rain except

When it’s already raining, like now.

They go from the pub to the cinema through the rain,

To the newsreel and the Disney cartoon,

With tickets that are half-price

One day a week in the afternoon.

It was the Basque city of Guernica last week,

Weeping under airplanes dropping bombs.

Walt Disney is not Picasso,

But his art is gloriously sunny,

But Mickey Mouse has already said

The poems of Lorca will never be funny.

Disney, the century’s genius, makes amends.

Only he can make butterflies

And hurricanes make friends.

D. H. Lawrence is a kamikaze

Burning up the sky

On his way to bite

England explosively and die.

He has bad English teeth

That are sharp as a shark

And a burning brain

That sings like a lark.

Silkworms eat mulberry leaves to feed

Rainer Maria Rilke the silk he needs

To address the angelic orders.

Even the enormous angels

Dismount from the sublime, dismount

From Pegasus, the horse with wings,

And instead of wine, sip brine.

The nostrils of the T. S. Eliot crocodile

Lurk just above the surface of the river Nile.

His periscope is two nostrils that watch like eyes.

His snout stays submerged
In water bitter as bile.

Kisses of passion grunt like electroshock

And cause convulsions and rigor mortis

And sexually join together
Two hard-shelled hunchbacks,

Each shaped like a tortoise.

They’re Eliot, they’re Lawrence,

Each honking on and on, on his moral high horse.

If Lawrence caught her,

Lawrence would slaughter
Emily Dickinson, Eliot’s daughter.

Some will get sick and some will die

But that is not the reason why

A small plane

Tows an advertisement

For a nearby bar and restaurant

Through the sky

Above the beach at Gibson Lane.

It is the opposite of insane.

Everybody knows Pete the pilot.

It’s his plane,

Which he crashes without harm now and again.

Black marvelous waves, white August,

Is the summer song of Gibson Beach.

There’s a skywriting plane crossing the sun

With a marriage proposal from someone for someone.

Frederick Seidel




Frederick Seidel has been hailed as “the poet of a new contemporary form” (Dan Chiasson, The New York Review of Books) and “the most frightening American poet ever” (Calvin Bedient, Boston Review). The poems in Frederick Seidel Selected Poems span more than five decades and provide readers with some of Seidel’s most powerful work. Frederick Seidel’s many books of poems include Peaches Goes It Alone, The Cosmos Trilogy, Ooga-Booga, Poems 1959–2009, Nice Weather, and Widening Income Inequality, all published by Farrar, Straus and Giroux.
1937. 
Een gedicht van Frederick Seidel

Het gaat altijd regenen, behalve
Als het al regent, zoals nu.
Ze gaan van de pub naar de bioscoop door de regen,
Naar het journaal en de Disney tekenfilm,
Met kaartjes aan halve prijs

Eén dag per week in de namiddag.
Vorige week was het de Baskische stad Guernica,
huilend onder vliegtuigen die bommen lieten vallen.
Walt Disney is geen Picasso,
maar zijn kunst is glorieus zonnig,

Maar Mickey Mouse heeft al gezegd
De gedichten van Lorca zullen nooit grappig zijn.
Disney, het genie van de eeuw, maakt het goed.
Enkel hij kan vlinders maken
En orkanen maken vrienden.

D. H. Lawrence is een kamikaze
Verbrandt de hemel
Op weg om
Engeland te bijten en te sterven.
Hij heeft slechte Engelse tanden

Die zo scherp zijn als een haai
En een brandend brein
Dat zingt als een leeuwerik.
Zijderupsen eten moerbeibladeren om
Rainer Maria Rilke de nodige zijde te geven

Om de engelenordes toe te spreken.
Zelfs de enorme engelen
Stijgen af van het sublieme, Stijgen af
Van Pegasus, het paard met vleugels,
En in plaats van wijn, nippen ze aan pekel.

De neusgaten van de T. S. Eliot krokodil
loeren net boven het oppervlak van de de Nijl rivier.
Zijn periscoop zijn twee neusgaten die kijken als ogen.
Zijn snuit blijft ondergedompeld
In water bitter als gal.

Hartstochtelijke kussen knorren als elektroshocks
En veroorzaken stuiptrekkingen en rigor mortis
En seksueel versmelten
Twee gebochelden met een harde schaal,
elk in de vorm van een schildpad.

Ze zijn Eliot, ze zijn Lawrence,
Elk toeterend op zijn morele paard.
Als Lawrence haar betrapt,
zou Lawrence
Emily Dickinson, Eliot's dochter, slachten.

Sommigen zullen ziek worden en sommigen zullen sterven
Maar dat is niet de reden waarom
Een klein vliegtuig
een advertentie meesleept
voor een bar en restaurant in de buurt

Door de lucht
Boven het strand van Gibson Lane.
Het is het tegenovergestelde van krankzinnig.
Iedereen kent Pete de piloot.
Het is zijn vliegtuig,

Dat hij af en toe zonder schade laat neerstorten.
Zwarte prachtige golven, witte augustus,
Is het zomerlied van Gibson Beach.
Er vliegt een vliegtuig over de zon
Met een huwelijksaanzoek van iemand voor iemand.

I’ve learned everything and not very much. Not recently, but when I began writing poetry the two poets who taught and influenced me the most were Ezra Pound and Robert Lowell. In the case of Pound, the incomprehensible music of it, the reach and the size of the ambition, and the way the poetry finds moments of great simplicity and sweetness. In the case of Lowell, so many different things I learned and imitated from him. And otherwise it’s been many poets, everybody. (NY Times)

'Midnight'

God begins. The universe will soon.
The intensity of the baseball bat
Meets the ball. Is the fireball
When he speaks and then in the silence
The cobra head rises regally and turns to look at you.
The angel burns through the air.
The flower turns to look.

The cover of the book opens on its own.
You do not want to see what is on this page.
It looks up at you,
Only it is a mirror you are looking into.
The truth is there, and all around the truth fire
Makes a frame.
Listen. An angel. These sounds you hear are his.

A dog is barking in a field.
A car starts in the parking lot on the other side.
The ocean heaves back and forth three blocks away.
The fire in the wood stove eases
The inflamed cast-iron door
Open, steps out into the room across the freezing floor
To your perfumed bed where as it happens you kneel and pray.


Excerpted from Frederick Seidel: Selected Poems by Frederick Seidel. Published by Farrar, Straus and Giroux, December 1, 2020. Copyright © 2020 by Frederick Seidel. All rights reserved.
Hans Op de Beeck Girl, asleep 2021
Bois, polyester, métal, polyamide, revêtement, 78 x 36 x 41 cm
© Studio Hans Op de Beeck, ADAGP, Paris 2023

Nieuwsgierig naar meer? Ga op zoek. Later wordt het maar nooit te laat. Een mooie ontdekkingstocht gewenst.

Ontsloten en genoten (3): Florine Stettheimer (1871-1944)

Florine Stettheimer, Self-Portrait with Palette (Painter and Faun), undated, oil on canvas, 1.5 x 1.8 m. Courtesy: Art Properties, Avery Architectural and Fine Arts Library, Columbia University, New York and the Estate of Ettie Stettheimer

We are the sunbursts
We turn rain
Into diamond fringes
Black clouds
Into pink tulle
And sparrows
Into birds of Paradise.

Wij zijn de zonnestralen
Wij veranderen regen
In diamanten franjes
Zwarte wolken
In roze tule
En mussen
In paradijsvogels
AsburyPark South

Stettheimer Florine, geboren in 1871, Rochester, New York, USA, was een van die drogisterij-legatarissen aan beide kanten van haar stamboom: haar grootvader van moederskant, Israel Walter, had een succesvolle drogisterijzaak in het centrum van de stad, in Beaver Street; haar vader, Joseph Stettheimer, had goed geld verdiend in de kledinghandel in Rochester. Maar Joseph verliet om onduidelijke redenen zijn gezin toen Florine nog een klein meisje was. Ze verhuisden naar New York en zij groeide op in een volledig matriarchale omgeving, met haar tantes Caroline en Josephine, naast haar moeder Rosetta, als de dominante figuren in haar leven. (Caroline was getrouwd met een andere rijke Joodse familie uit de kleding-industrie, de Neustadters uit San Francisco). Barbara Bloemink, biografe, reproduceert een bijzondere foto van Florines familieleden, zes tantes en een enkele oom. Matriarchale families hebben een ingewikkelde, gevlochten relatie met feminisme. Degenen die erin leven weten dat vrouwen alles kunnen, maar ze doen het als vrouwen, tussen vrouwen, en ze kunnen zich net zo gemakkelijk naar binnen keren voor versterking als naar buiten vechten voor gelijkheid. Dat was hoe Rosetta en de Stetties, zoals haar drie jongste dochters werden genoemd, eindigden: een defensieve falanx van vier.

(Adam Gopnik The New Yorker 2022)

Florine Stettheimer, Family Portrait I, 1915, oil on canvas, 1.0 x 1.5 m. Courtesy: Art Properties, Avery Architectural and Fine Arts Library, Columbia University, New York, and the Estate of Ettie Stettheimer

“The Stetties and their mother wandered through Europe in the last decades of the nineteenth century and early in the twentieth, with long stops in Rome and Florence, where Florine, already having decided to become an artist, absorbed a love of Quattrocento painting; Botticelli’s marriage of coloring-book fantasy and intricate linear decoration was a particular passion. As was then the custom among aesthetic-minded people, the family spent at least as much time in romantic Germany as in advanced Paris. They lived for some three years in Munich, where Florine studied painting in the academic mode.” (Adam Gopnik ibidem)


Leven en leren in Duitsland veroorzaakte bij haar echter een afkeer van de Duitse cultuur, met zijn alomtegenwoordige ethiek van Pflicht-plicht of hoge ernst. Zelfs Beethoven ontsnapte niet aan haar afkeer van de Teutonen die Teutoons waren. “Oh gruwelijk / Ik haat Beethoven,” schreef ze in een privégedicht. “En ik ben opgevoed / Om hem te vereren / Hem te aanbidden / Oh gruwelen / Ik haat Beethoven / Ik hoor de Vijfde / Symfonie / Geleid door Stokowski / Het wordt heroïsch gedaan / Vrolijk pompeus / Vastberaden onfeilbaar.” Ze was verveeld en geïrriteerd door het vrolijk pompeuze, het opdringerig onfeilbare, het vroom extatische: alles wat sporen droeg van plechtige instructie en humorloos doel. Ze geloofde dat de enige plicht van een kunstenaar was om er geen te hebben.

Florine Stettheimer, Family Portrait II, 1933. Museum of Modern Art
In Florine Stettheimer’s painting Family Portrait II (1933), the work that she considered her masterpiece, the artist pictures herself standing beside her sisters Carrie and Ettie and her mother Rosetta. With a palette in hand and chic red stilettos on her feet, a slender Stettheimer looks on as Carrie converses with Rosetta while Ettie gazes upward, as though lost in a reverie. A mysteriously larger-than-life bouquet of three braided flowers erupts from the center of the composition, cutting across a serene blue background. The arcs of these surrealistic flowers mimic the postures of Carrie, Ettie, and Rosetta. Florine, standing awkwardly to the side, herself is never given a compositional rhyme in this way.  (ARTnews. Alex Greenberger)

In Florine Stettheimers schilderij Familieportret II (1933), het werk dat zij als haar meesterwerk beschouwde, stelt de kunstenares zichzelf voor naast haar zussen Carrie en Ettie en haar moeder Rosetta. Met een palet in de hand en chique rode stiletto’s aan haar voeten kijkt een slanke Stettheimer toe hoe Carrie praat met Rosetta terwijl Ettie omhoog staart, alsof ze in mijmering is verzonken. Een mysterieus, meer dan levensgroot boeket van drie gevlochten bloemen komt uit het midden van de compositie en snijdt over een serene blauwe achtergrond. De bogen van deze surrealistische bloemen bootsen de houdingen van Carrie, Ettie en Rosetta na. Florine, die onhandig opzij staat, krijgt zelf nooit op deze manier een compositorische rijm.(ARTnews Alex Greenberger)

Florine Stettheimer, Nude Self-Portrait, ca. 1915. Art Properties, Avery Architectural & Fine Arts Library, Columbia University, New York

Niets dat Stettheimer na bovenstaand ‘Naakt Zelfportret’ produceerde kon op dezelfde manier een verrukkelijke aanval op de normen van de dag worden genoemd, maar er valt veel te zeggen voor wat volgt, ook al is het van wisselende kwaliteit. Een serie verstilde stillevens – Stettheimer noemde haar boeketten “eyegays” – maakte plaats voor oogverblindende figuratieve scènes met mensen opgesteld rond afgeplatte ruimtes. Het zijn schilderachtige taferelen, met lenige mensen die feestvieren op feestjes die vaak buiten worden gehouden – denk aan Watteau via het Amerikaanse modernisme. Er wordt vaak zo veel geëxperimenteerd met de vorm – dezelfde mensen in verschillende houdingen, bijvoorbeeld om verschillende afzonderlijke momenten in de tijd in één beeld samen te vatten – dat het allemaal verloren kan gaan in de hoeveelheid visueel plezier dat elk doek biedt. (Alex Greenberger. ARTnews)

Sunday Afternoon in the Country

“Wat ik zou willen is dit ding schilderen,”1 schreef Florine Stettheimer in de slotregel van haar gedicht “Dan terug naar New York”. Met “dit ding” bedoelde Stettheimer New York City in de jaren 1920 en 1930, toen de straten, parken, theaters, musea, feesten en persoonlijkheden het onderwerp werden van haar schilderijen en gedichten. “Hoe kan ik kiezen,” vroeg Stettheimer in een ander gedicht. “Zoveel/zoveel/New Yorks make up.”


“What I should like is to paint this thing,”1 wrote Florine Stettheimer in the closing line of her poem, “Then Back to New York.” By “this thing,” Stettheimer meant New York City in the 1920s and 1930s, when its streets, parks, theaters, museums, parties, and personalities became the subjects of her paintings and poems. “How can I choose,” Stettheimer asked in a different poem. “So many/So much/New York’s make up.”
Florine Stettheimer, Lake Placid, 1919. Museum of Fine Arts, Boston, Gift of Miss Ettie Stettheimer.

Spring Sale at Bendel’s
Then back to New York
And sky towers had begun to grow
And front stoop houses started to go
And life became quite different . . .
Which I think is America having its fling
And what I should like is to paint this thing.

Maar hoe dit ding te schilderen? Ze wendde zich tot Thalia, de Griekse muze van de komedie, terwijl anderen zich wendden tot Thalia’s schemerige en meer sobere zussen. Haar eerste echt meesterlijke schilderij was “Heat” uit 1919, een fabelachtig grappig en suggestief portret van de Stettheimer vrouwen tijdens een New Yorkse zomerse hittegolf. Moeder zit vorstelijk achterin, gekleed in het zwart, terwijl op de voorgrond twee elegante zussen, in pastelkleurige jurken, languit liggen te hijgen op ligstoelen. De vrouwen hebben modieuze proporties – lange lichamen, kleine hoofden, kronkelende armen – tegen een achtergrond van warme kleuren. De verhoudingen van Edward Gorey met de kleuren van Bonnard: dat was haar favoriete formule voor vrouwen. Het beeldoppervlak zindert en zweet en daalt in nabootsing van het weer, terwijl de banden van luchtige baksteen en oranje die het landschap ordenen ook de temperatuur vastleggen. (Als je de figuren weglaat, krijg je de genuanceerde kleurstrepen van Rothko, die later ook op Bonnard teruggreep).

Florine Stettheimer captured the dynamic social worlds of her intimate circle of family and friends, many of whom were artists and members of New York’s avant-garde. This whimsical portrait was inspired by a birthday celebration for Stettheimer’s mother at the family’s summer retreat in Bedford Hills, New York. Stettheimer’s interest in theater and set design is apparent through the arrangement of a stagelike space composed of horizontal bands of color. The blazing hues, coupled with the lithe bodies of the women and the wilted tree branches in the background, evoke the summer heat described in the painting’s title. 
Florine Stettheimer (American, 1871–1944). Heat, 1919. Oil on canvas, 50 x 36 1/2in. (127 x 92.7cm). Brooklyn Museum, Gift of the Estate of Ettie Stettheimer,

Stettheimers opzettelijke vereenvoudiging van de tekening, haar repetitieve stijl van figuren en haar onophoudelijk additieve, drukke composities kunnen op het eerste gezicht doen denken aan “outsiderkunst”. Maar er zijn twee soorten outsiderkunst, één van onderaf en één van bovenaf. Er is de outsider die in eerste instantie onverschillig staat tegenover de mogelijkheid om geld te verdienen met kunst, en er is de outsider die geen geld hoeft te verdienen met haar kunst. Hoewel de Amerikaanse kunst gezegend was met de eerste soort volkskunstenaar, heeft ze ook haar deel van de tweede gehad. Charles Ives was in staat om voornamelijk onuitgevoerde muziek te componeren omdat hij stevig in het verzekeringswezen zat. Stettheimer genoot, net als Proust, haar geliefde literaire held, van de onthechting die rijkdom met zich meebracht, van de luxe die Edith Wharton, Gerald Murphy en Cole Porter met zich meedroegen om te maken wat ze wilden. Er is lang beweerd dat Stettheimer, na een galerieshow in 1916 waarbij geen schilderijen werden verkocht, weigerde ooit nog tentoon te stellen. Dit is niet helemaal waar, zoals Bloemink ons vertelt: ze exposeerde haar werk wel, onder andere op de eerste Whitney Biënnale en in het Museum of Modern Art. Maar ze koesterde een hardnekkig wantrouwen jegens handelaren en ze kon het zich veroorloven. (bookreview. Barabara Bloemink. Newyorker)

Florine Stettheimer, “Christmas” (detail), 1930–1940. Yale University Art Gallery, New Haven, Gift of the Estate of Ettie Stettheimer

Zie voor beschrijving en interpretatie:

https://stories.thejewishmuseum.org/seeing-florine-stettheimers-christmas-through-language-793db3c111f7

Bloemink argues, persuasively, that the pivot point of Florine’s artistic life came about, as it did for so many, through an encounter with the Ballets Russes, which she attended in Paris in 1912. “I saw something beautiful last evening,” she wrote in her journal. “Bakst the designer of costumes and painter is lucky to be so artistic and able to see his things executed.” The crisp edges and diagonal excitement of the movement must have seemed overwhelming and liberating. With characteristic ambition, and perhaps characteristic impracticality, she began designing her own never-produced ballet, exploring ideas that she would later return to in her designs for the opera “Four Saints in Three Acts,” by Virgil Thomson and Gertrude Stein.

(Adam Gopnik. The New Yorker 2022)

Florine Stettheimer, Portrait of Carl Van Vechten, 1922. Florine and Ettie Stettheimer Papers, Yale Collection of American Literature, Beinecke Rare Book and Manuscript Library, New Haven, Connecticut. 
In 1922’s Portrait of Carl Van Vechten, she put her sitter, a close family friend and photographer renowned for his photographs of the Harlem Renaissance, in a red tie and purple socks—a reference to homosexuality, which the Stettheimer women, unlike society at large then, embraced.
Her commentary grew more pointed with her years: Cathedrals of Fifth Avenue (1931), one of four in Stettheimer’s terrific “Cathedrals” series, is dense with details in all but one place: the bride’s face, which is but a blur. (Stettheiner was deeply opposed to marriage—she believed nothing restricted a woman’s creativity more.) n (Vogue)
Florine Stettheimer, Cathedrals of Fifth Avenue, 1931. The Metropolitan Museum of Art, New York, Gift of Ettie Stettheimer.
The Cathedrals of Broadway” (1929) celebrates a secular sacrament of the city.Art work © The Metropolitan Museum of Art

Bloemink, biografe, betoogt op overtuigende wijze dat het scharnierpunt in Florines artistieke leven, zoals dat voor zovelen, tot stand kwam door een ontmoeting met de Ballets Russes, die ze in 1912 in Parijs bezocht. “Ik zag iets moois gisteravond,” schreef ze in haar dagboek. “Bakst, de ontwerper van de kostuums en de schilder, heeft geluk dat hij zo artistiek is en zijn dingen uitgevoerd kan zien worden.” De scherpe randen en diagonale opwinding van de beweging moeten overweldigend en bevrijdend hebben geleken. Met de karakteristieke ambitie en misschien ook wel de karakteristieke onpraktischheid begon ze haar eigen ballet te ontwerpen, dat ze nooit had geproduceerd. Daarbij verkende ze ideeën waar ze later op terug zou komen in haar ontwerpen voor de opera “Four Saints in Three Acts” van Virgil Thomson naar een tekst van Gertrude Stein. (New Yorker)

Procession Orpheus,’ at the Florine Stettheimer: Painting Poetry exhibit at The Jewish Museum. (Courtesy)

Later, in de jaren 1930, kreeg Stettheimer de kans om de kostuums en het decor van de opera “Four Saints in Three Acts” te ontwerpen. Het libretto was geschreven door Gertrude Stein, gecomponeerd door Virgil Thomson en had een volledig zwarte cast onder leiding van koordirigent Eva Jessye. De show was een hit en het succes was deels te danken aan Stettheimers nieuwe gebruik van cellofaan voor achtergronden en kleurrijke kostuums met textuur.
Haar ontwerpen voor de show bestonden uit verkleinde miniatuurscènes in schoendozen van de opera, compleet met elk personage. Haar levensgrote creaties in de show zelf beïnvloedden zelfs de mode in New York: jurken van huishoudfolie verschenen in de etalages van Fifth Avenue.
Florine Stettheimer
: “Euridice and her Snake,” a costume design for the artist’s ballet “Orphée of the Quat-z-arts
” (1912. Oil, beads, metal lace on canvas. 18 5/8 x 15 1⁄8 in.). Courtesy MoMA/SCALA/Art Resource, NY.
“My attitude is one of Love/ 
is alladoration/ for all the fringes/
all the color/ all tinsel creation”

Florine Stettheimer
Upon returning to the United States in 1914, the sisters opened a salon, which quickly became a hub of the artistic avant-garde. Marcel Duchamp, the painters Marsden Hartley and Charles Demuth, the photographers Alfred Stieglitz and Edward Steichen, the art critic Henry McBride and the writer Carl Van Vechten all attended the soirees at the Stetties’, as they were known at the time. Florine painted, Ettie wrote novels using the pen name Henrie Waste, and Carrie spent her time building a doll’s house that even contained an art gallery showing reproductions of works by M. Duchamp (Nude Descending a Staircase), Elie Nadelman, Gaston Lachaise and Alexander Archipenko, made by the artists themselves (1916-1944, Museum of the City of New York).




This first full biography confirms Florine Stettheimer as one of the 20th century’s most significant, progressive artists whose work remains highly relevant today. Stettheimer was a feminist, multi-media artist who painted several sexually explicit, political, identity-issue-based works and documented New York City’s growth as the centre of cultural life, finance, and entertainment between the World Wars. Autor: Barbara Bloemink
(te koop bij Amazon.com be)

My sister Ettie
When I meet a stranger –
Out of courtesy
I turn on a soft
Pink light
Which is found modest
Even charming
It is a protection
Against wear
And tears
And when
I am rid of
The Always-to-be-Stranger
I turn on my light
And become myself

Costume design (Androcles and the Lion) for artist’s ballet Orphée of the Quat-z-arts c. 1912

Brieven aan Cecilia: Beetje moe na het gedoe?

Lieve Cecilia,

Verkiezingen overleefd? Ja. Er komt nog een bedrijf. Tranen, gejuich en gejammer. Tegelijkertijd de schoonheid dat iedereen voor zijn/haar eigen gelijk of eerlijk verlangen kan opkomen. De traagheid van de democratie verkiezen boven de snelheid van de oekaze. De vaak nutteloze energie vanuit innerlijke tegenstellingen, om van de verwarrende besluitvorming nog te zwijgen, tegenover de drukkende dwang van één handtekening, al kan de democratie ook traag worden leeg gelepeld, om een uitdrukking van Henri Heymans , dr. in de wijsbegeerte, te citeren. Met die drukte in mijn hoofd kwam ik bij de Engelse filmmaker Duncan Parker terecht. Hij maakte een kortfilm, iets meer dan elf minuten, over ‘de theepotmaker’. Vanuit zijn eeuwenoude werkplaats in de bergachtige Indiase regio Ladakh maakt de 83-jarige Namgail sierlijke metaalwerken met dezelfde technieken als zijn voorouders – tot aan zijn geitenleren balg toe. Hij is niet alleen een meester in zijn vak, maar ook een van de laatste ambachtslieden van zijn soort op aarde. Kijk. Gebruik groot scherm indien mogelijk. Kijk bij:

https://aeon.co/videos/trek-to-a-remote-himalayan-village-where-artisans-craft-teapots-fit-for-kings

of rechtstreeks indien mogelijk:



Ishey Namgail has dedicated his entire life to an art form that’s been in his family for generations. Working out of his centuries-old workshop in India’s mountainous Ladakh region, the 83-year-old Namgail crafts ornate metalworks using the same techniques as his ancestors – right down to his goatskin bellow. More than just a master of his trade, he’s one of the last artisans of his kind on the planet. For his short film The Teapot Maker, the UK director Duncan Parker travelled to Namgail’s remote village of Chilling to capture his intricate process, as well as its exquisite results. This includes the creation of a copper teapot with a dragon-shaped handle traditionally used to serve kings or high-ranking monks. And, as Parker documents, even though Namgail’s craft is very much endangered, its flame will likely burn for at least two more generations, as his son and grandson have taken up the family trade. (Use big screen if possible.)
Macgillivray, James Pittendrigh; The Tea Table; City of Edinburgh Council;
    Bij Tochon thuis, waar hij Zen beoefent en op zijn gemak is,
wordt de geest afstandelijk en gaan de dagen langzaam voorbij.
Een pad leidt naar stenen treden rond verborgen orchideeën;
een poort kijkt uit op rotsachtige pieken achter een ronde vijver.
Hij neemt een kruidenmedicijn om vermoeidheid te verdrijven,
hij drinkt thee om de slaap te verminderen.
Een vroegere belofte met rooskleurige wolken te leven
wordt vanzelf waar in de heldere herfst.

Cho-ui
1786-1866
Cho-ui was een boeddhistische monnik die verantwoordelijk was voor de 19e-eeuwse opleving van de Koreaanse thee.
At Tochon's place, where he practices Zen and takes his ease,
the mind becomes distant, and days go slowly.
A path leads to stone steps around hidden orchids;
a gate faces rocky peaks beyond a curved pond.
He decocts herb medicine to disperse ennui,
he drinks tea to reduce sleep.
A past promise to live with rosy clouds
comes true naturally in the clear autumn.

Cho-ui
1786-1866
Cho-ui was a Buddhist monk who was responsible for the 19th-century Korean tea revival.
Chanoyu hibigusa (Daily practice of the tea ceremony) 茶の湯日々草
Woodblock Print-
1896-7 (published) Mizuno Toshikata Tokyo

Was de losse thee eerder in West Vlaanderen aanwezig dan in de Kempen? In mijn vroege jeugd, ik denk aan de vijftiger jaren, was losse thee alleen te koop (Van Nelle ‘Gebroken thee’) in kleine pakjes, afdeling koloniale waren. Ook al lag het kleine thuisstadje dichtbij de Nederlandse grens, we zouden toch nog een tijdje op de nationale doorbraak van deze drank moeten wachten. Kwamen vrienden uit Tilburg op bezoek dan haastte mijn moeder zich enkele pakjes ‘Van Nelle’ s Thee’ aan te schaffen en werd voor aankomst van de gasten een ‘proef’ klaargemaakt en algemeen gekeurd. Met of zonder citroen. Meestal met veel suiker. Soms met melk!

Besluit:
‘Thee dronk men massaal in Nederland en in het Verenigd Koninkrijk, elders in Europa moest je bij de elite horen. Ook maagzieke mensen werd thee aangeraden.” De negenjarige vond thee best fijn. Een beetje ritueel inbegrepen. Hoe ging dat in jouw jonge jaren?


De dag dat ik Lu Yu zag vertrekken om thee te plukken

"Duizend bergen zullen mijn vertrekkende vriend begroeten,
wanneer in de lente weer theebloesems bloeien.
Met zo'n diepte en wijsheid
om rustig thee te kunnen plukken,
in ochtendnevel of karmijnrode avondwolken.
Zijn eenzame reis, afgunstig ben ik wel.
Rendez-vous bij een afgelegen tempel in de bergen,
waar we picknickten
bij een heldere fontein van kiezelstenen.
In die stille nacht
alleen verlicht door kaarslicht
sloeg ik op een marmeren bel.
Door het klokkenspel gedragen,

een verborgen man,
diep in gedachten van voorbije eeuwen."

Huangfu Zeng, opgedragen aan vriend dichter Lu Yu.
Eigen foto

Op de onderkant van de unieke theepot is hij getekend door “D. Ferguson, Pigeon Forge Pottery.
 En dan begon mijn zoektocht.
 Ik neem je mee naar Tenesee, Pine Road in Norris, USA.
 In 1935 ontstaat daar het nu bijna vergeten “The Ceramics Research Laboratory”. Op zoek gaan naar de natuurlijke grondstoffen van de vallei was de opdracht, en inderdaad, de klei ter plekke bleek wonderwel geschikt om er porselein en keramiek van te maken. (een vindplaats van een goede soort kaoline, de basisstof van porselein.)

Maar zoals het vaak gaat worden goede projecten om allerlei duistere redenen stop gezet.
 Er was echter Douglas Ferguson die in het laboratorium had gewerkt.
 Hij huwde de dochter van een pottenbakker en samen begonnen ze in 1946 “The Pigeon Forge Pottery”, in Pigeon Forge, Tenessee, in de nabijheid van “the great Smoky Mountains” met de rode klei van naast de deur. Het werd een van de eerste toeristische attracties in een streek die weldra een welig vakantie-oord zou worden.
Doug Ferguson verwierf nationale bekendheid en zijn werk kreeg waardering, en ik citeer, voor “the exquisite texture of its fine clay and the richness of its multicolored glazes.”
In 2000 overleed Doug Ferguson en werd de Pottery gesloten.

Deze theepot, een unicaat, getekend is zo’n prachtig stuk.
 Kijk naar de mooie glazuren die hij in elkaar laat vloeien en waar water en vuur elkaar schijnen te ontmoeten. Weet je nog? Om te geven en weer door te geven.

Eigen foto
On the bottom of the unique teapot, it is signed by "D. Ferguson, Pigeon Forge Pottery.
And then my search began.
I take you to Tenesee, Pine Road in Norris, USA.
 In 1935, the now almost forgotten "The Ceramics Research Laboratory" is created there. Searching for the natural raw materials of the valley was the mission, and indeed, the clay of the place turned out to be wonderfully suitable for making porcelain and ceramics.(a very good kind of kaolin, the basic material of porcelain was found there).

But as it often goes, good projects are discontinued for all sorts of obscure reasons.
 However, there was Douglas Ferguson who had worked in the laboratory.
 He married the daughter of a potter and together they started "The Pigeon Forge Pottery", in 1946, in Pigeon Forge, Tenessee, near "the great Smoky Mountains "with the red clay from next door.
It became one of the first tourist attractions in a region that would soon become a lush holiday resort.

Doug Ferguson achieved national fame and his work was appreciated, and I quote, for "the exquisite texture of its fine clay and the richness of its multicoloured glazes."
In 2000, Doug Ferguson died and the Pottery closed.

This teapot, a one-of-a-kind, signed is such a beautiful piece.
 Look at the beautiful glazes he blends together, where water and fire seem to meet. To give and pass on again. Remember?
Dure collectie theedozen

Wellicht is “toewijding’,een mooi begrip.
Of je nu smid, pottenbakker of woord en beeld liefhebt, telkens weer is ‘toewijding’ de essentie: ben je een toegewijd mens of gaat het om de schone schijn? Bekijk ik je leven waar ‘het oog’, bijvoorbeeld als camera je lief was, bij je werk als televisie-documentaire-maakster, zie ik je dagelijks bestaan waar je essenties met humor mengt en het essentiële opzoekt, dan mag het duidelijk zijn dat je het mooie en het ware bent toegewijd met overigens dezelfde zorgen en angsten die ons als oudere medemensen vaker zijn toebedeeld dan collegae met nog rijkelijk jaren op de teller. De zeven kopjes thee uit het gedicht van van Lu Tong mogen ons vergezellen.

De zeven kommen thee

Het eerste kommetje maakt de keel vochtig;
Het tweede verbrijzelt alle gevoelens van eenzaamheid;
Het derde kopje zuivert de spijsvertering,
heropent de vijfduizend boeken die ik bestudeerd heb
en brengt ze opnieuw voor de geest;
Het vierde kommetje wekt transpiratie op,
en verdampt alle beproevingen van het leven;
Bij het vijfde kopje wordt het lichaam scherper en frisser;
Het zesde schaaltje is de eerste stap op weg naar verlichting;
En het zevende kopje staat te dampen-
het hoeft niet gedronken te worden, want je wordt opgetild naar de woning van de onsterfelijken.
Pas tijdens de Tang-dynastie (618-907) werd theedrinken een activiteit van plezier en ontspanning. Door de politieke stabiliteit en economische voorspoed van de Tang-periode bloeide de Chinese cultuur. Dit leidde tot de opkomst van China's beroemdste dichters, Li bai, Du Fu en Lu Tong. De laatste was vooral beroemd om zijn theegedichten, zoals 'De zeven kommen thee'

The Seven Bowls of Tea’: (Lu Tong)

The first cup moistens the throat;
The second shatters all feelings of solitude;
The third cup purifies the digestion,
re-opening the five thousand volumes I’ve studied
and bringing them to mind afresh;
The fourth induces perspiration,
evaporating all of life’s trials and tribulations;
With the fifth cup, the body sharpens, crisp;
The sixth cup is the first step on the road to enlightenment;
And the seventh cup sits steaming—
it needn’t be drunk, as one is lifted to the abode of the immortals.
 It wasn’t until the Tang Dynasty (618-907 ) for tea drinking to become an activity of pleasure and relaxation. Due to political stability and economic prosperity of the Tang period, Chinese culture flourished. This let to the rise of China’s most famous poets, Li bai, Du Fu and Lu Tong. The latter being especially famous for it’s tea poems, such as ‘The Seven Bowls of Tea’.

Waar leg je de tijd?

Foto door Alena Darmel op Pexels.com

Luxe van een leeg rek waar, lang geleden, een foto stond van iemand die voor niemand nog iemand was: moeilijk te zeggen, jongen of meisje, meneer of mevrouw, een foto met kijken. Aankijken. En tegelijkertijd je blinddoeken terwijl je dat intense Andante Maestoso tot in je vingertoppen kon reconstrueren. (nu met YouTube onmiddellijk uit de vergetelheid te halen.)

‘Waar leg je de tijd?’ Wakker gemaakt door een verdwenen foto, hoorbaar zelfs en toch onbereikbaar. Samen te zijn zoals we toen waren?


Luxury of an empty shelf where, long ago, there was a picture of someone who was not yet someone to anyone: hard to say, boy or girl, Mr or Mrs, a picture with looking. Looking at. And simultaneously blindfolding you while you could reconstruct that intense Andante Maestoso to your fingertips. (Now with YouTube instantly retrievable from oblivion.)

‘Where do you put the time?’ Awakened by a vanished picture, audible even and yet unattainable. To be together as we were then?
Double Virginal
Lodewijck Grouwels Flemish, active The Netherlands 1600

‘Elk lichaam is een verzamelaar van tijd. Het telt de tijd met verschillende klokken en verwerkt de loop van al die tijden door het hele systeem. De lichamelijke tijd tikt niet overal en altijd hetzelfde. Het hart dat snel of langzaam klopt, de circulatie van het bloed, het ritme van het in- en uitademen, cellen die groeien en afsterven, het knipperen van de ogen. En het geheugen verzamelt tijd in de vorm van herinneringen en beelden, vermaalt ze en vervormt ze, en slaat fragmenten op
 in spiegelzalen en magazijnen tot ze in toevallige constructies in het heden opduiken.
Volgens de alwetende verteller in Virginia Woolfs roman Orlando functioneert de herinnering ‘als verstelnaaister en dan nog een zeer nukkige bovendien. De Herinnering hanteert de naald, stikt op en neer, heen en weer, van achteren
naar voren en van voren naar achteren. […] Zo kan de simpelste beweging die men maar bedenken kan, zoals het gaan zitten aan een tafel en het naar zich toe trekken van een inktpot, duizend vreemde, onsamenhangende fragmenten in be-
weging brengen […]. In plaats van een eenvoudig, eerlijk, gaaf stuk werk te leveren, waarvoor geen mens zich hoeft te schamen, is alles wat wij doen, zelfs het gewoonste, omgeven door het geklapwiek en en gefladder van vleugels, het glanzen en het doven van het licht.”

“De alchemie van de tijd”, Greet Van Thienen p 31-32 (Letterwerk, Borgerhout 2024)

Greet Van Thienen vraagt zich af hoe we vrijheid kunnen vinden in de snellende tijd. Wat is de alchemie van tijd en mens? Want hoewel tijd niet tastbaar is, drukt hij zich uit in alle levende wezens. Hoe werkt de tijd door ons heen? Wat kunnen wij ermee doen? Van Thienen onderneemt deze tijdreis samen met filosofen, schrijvers en wetenschappers die iets van het fenomeen tijd blootleggen. Denkers die aan bod komen zijn onder meer: Hannah Arendt, Simone Weil, Virginia Woolf, Einstein, Blaise Pascal, Jean-Paul Sartre en Byung-Chul Han. Zijn we tovenaarsleerlingen die, gebukt onder het vluchtige en snelle, toch het eeuwige blijven zoeken? 

Greet Van Thienen is auteur. In 2021 publiceerde ze ‘De stuntelende mens’, genomineerd voor de Socratesbeker en voor de Hypatiaprijs. Tot 2022 was ze radiomaker bij VRT Klara, waar ze reeksen en podcasts maakte over filosofen en schrijvers. (Letterwerk.be)
KLEINE MILDE KLAAGZANG

O, tuin bij regen
o, gulzige.
Wat kruipt en vliegt verbergt zich
onder oude varens.
Hoorbaar drinkt de grond.

O, duif bij regen,
o, onzichtbare.
Op weg naar huis, geringd, geroepen
vergeet ze haar beminde.
De katten wachten geduldig.

O, man achter het raam,
o, ouderling.
Duizend regenbuien uit het verleden,
een modderstroom verwoest de tuin
in zijn hoofd..
Geuren  hangen als kinderen in de takken.

Gmt
SMALL GENTLE LAMENT

O, garden by rain
O, greedy one.
What crawls and flies hides
Under old ferns.
Audibly drinks the ground.

O, dove by rain,
O, invisible one.
On her way home, ringed, called
she forgets her lover.
The cats wait patiently.

O, man behind the window,
oh, elder.
A thousand rains from the past,
a mudslide ravages the garden
in his mind.
Scents hang like children in the branches.

Gmt
Foto door Anthony ud83dude42 op Pexels.com

Meermaals hebben wij de Poolse dichter Adam Zagajewski belicht. Greet Van Thienen geeft hem ook een plaats in haar boek. Onder de titel ‘Tijdscapsules in zwart wit’ schrijft zij over de momentele conflicten in de wereld die voor de betrokkenen voor een zekere ’tijdloosheid’ zorgen.

“Het is niet dat ik door de tijd reis — naar het verleden of de toekomst — maar het verleden komt naar mij toe via de objecten. De draden die de punten verbinden, lichten op. Dis 1945 plotseling niet zo ver verwijderd van 2024 en is het vernietigde Berlijn verbonden met Kiev of Bachmoet van nu. Met de verschrikkingen in Israël en de ruïnes van Gaza. Zelfs met de ervaring van mijn moeder als tiener, die aan het begin van de oorlog op een kostschool moest blijven terwijl haar ouders, broers en zussen op de vlucht sloegen voor de Duitsers. Ze werd later op de fiets opgepikt door haar broer. Zij achterop en vermoedelijk een koffer met kleren en schoolboeken tussen hen in geklemd. De Poolse dichter Adam Zagajewski beschrijft in ‘Vluchtelingen’, een gedicht uit 1994, de tijdloosheid van vluchtende mensen, op zoek naar een onbekende bestemming — ‘naar het land van nergens, de stad van niemand’. Ze dragen rugzakken, bundels, praktische spullen en allerlei dingen die ‘thuis’ vertegenwoordigen. ‘Oude vrouwen met gerimpelde gezichten, die iets vasthouden — een zuigeling, een lamp — als herinnering — of een laatste homp brood.’ Waarom zou je een lamp meenemen? Omdat het een erfstuk is of een souvenir van een gelukkige reis. Omdat je hem nog snel van het dressoir kon grissen, en het licht van de lamp een thuis zal scheppen. Ooit, ergens, misschien. Omdat je wordt afgesneden van je verleden en het voorwerp toch enigszins dat verleden symboliseert.”

(Greet Van Thienen, De alchemie van de tijd, p.56-57)

Ramon van Flymen ANP-Foto
Probeer de verminkte wereld te bezingen.


Probeer de verminkte wereld te bezingen.
Denk weer aan de lange junidagen,

aan de rozijnen, de druppels van de rosé.

Aan de distels die de verlaten erven

van ontheemden stelselmatig overwoekerden.

Je moet de verminkte wereld bezingen.

Je hebt sierlijke zeiljachten en schepen gezien;

een ervan had een lange reis voor de boeg, 

een ander wachtte slechts het zoute niets.
Je hebt vluchtelingen gezien die nergens heen gingen, 

beulen gehoord die een lied van vreugde zongen.

Je moet de verminkte wereld bezingen.

Denk aan de momenten waarop jullie samen

in de witte kamer waren en de vitrage bewoog.

Keer terug naar dat concert, toen de muziek losbrak.

In de herfst verzamelde je eikels in het park

en de bladeren wervelden boven de littekens

van de aarde. Bezing de verminkte wereld

en het grijze veertje, dat een lijster heeft verloren,

en het zachte licht dat dwaalt en verdwijnt

en steeds terugkomt.

Try to praise the mutilated world’ , Adam Zagajewski.
 Vertaling Gerard Rasch, in Mystiek voor Beginners, Meulenhoff



Try to Praise the Mutilated World
By Adam Zagajewski
Translated by Clare Cavanagh

Try to praise the mutilated world.
Remember June's long days,
and wild strawberries, drops of rosé wine.
The nettles that methodically overgrow
the abandoned homesteads of exiles.

You must praise the mutilated world.
You watched the stylish yachts and ships;
one of them had a long trip ahead of it,
while salty oblivion awaited others.
You've seen the refugees going nowhere,
you've heard the executioners sing joyfully.
You should praise the mutilated world.

Remember the moments when we were together
in a white room and the curtain fluttered.
Return in thought to the concert where music flared.

You gathered acorns in the park in autumn
and leaves eddied over the earth's scars.
Praise the mutilated world
and the gray feather a thrush lost,
and the gentle light that strays and vanishes
and returns.
 

Leg hem in je handen
de tijd
schrijven kan hij:
uitzweten ook,
of de dagen aftellen
of, terwijl je kind
je ogen bedekt
zalig blind
'Ah, vous dirais-je maman'
voor haar (hem) spelen.
12 variaties.
Twaalf prachtige vindplaatsen
voor voorbije
momentele
en toekomende
tijd.


Put it in your hands
the time
he can write:
sweat it out too,
or counting down the days
or, while your child
covers your eyes
blissfully blind
'Ah, vous dirais-je maman'
playing for her. (him)
12 variations.
Twelve beautiful finds
for past
present
and future
time.

Met de Ziel(s)-genoten



Landschap met vader
 
Languit ben je de heuvels
 geworden hier, de bruine
 hellingen met stoppels van struiken,
 de gladgewaaide breuken
 in je voorhoofd van grijze steen.
 Een okeren dorp in je wang.
 De olijfgaard in je handpalm
 groeit over je vingers heen.
 
 Nu is het een warm seizoen
 boven je voeten. Pluizige
 wolken dragen koelte
 aan voor de avond. Koerend
 verbergen slaperige duiven
 zich in de rand van je haar.
 
 Als de regen komt deze winter
 gaat je oog langzaam open:
 een klare vijver in de droge
 kom van de zomer. Kinderen
 spelend voorovergebogen
 kijken in je binnen.
 
 Wat een verbaasd landschap. Vast
 had je zelf ook niet gedacht
 dat je zo stil was.

Willem van Toorn
Twee Toscaanse gedichten
Afgelopen vrijdag, 31 mei 2024,  is schrijver, dichter en vertaler Willem van Toorn overleden. Hij werd 88 jaar. Dat meldt zijn uitgeverij Querido. Van Toorn, in 1935 geboren in Amsterdam, schreef in totaal ruim veertig romans, verhalenbundels, dichtbundels en essays.

Van Toorn vertaalde ook poëzie van Franco Loi en Cesare Pavese, en proza van Klaus Mann, Franz Kafka, Stefan Zweig, Christopher Isherwood, John Updike en E.L. Doctorow. Zijn eigen werk werd onder meer in het Italiaans, Duits, Engels en Afrikaans vertaald. (De Standaard)
Foto door Vlado Paunovic op Pexels.com

Ook wat niet ademt of wortelt, de zgn. ‘levenloze’ dingen een ziel toekennen, een eigenschap die (sommige) kinderen nog hebben, het bezielen van je knuffel, een gesprek met een stoel, een voor ons onzichtbaar speelkameraadje. Keer even terug naar je kleine kindertijd, probeer je te herinneren.

Van het Latijn 'animus', dat 'geest', of 'ziel', of 'leven' kan betekenen. De term werd verzonnen door Edward Burnett Tylor in 'Primitive Culture', uitgegeven in 1871. Animisme is het idee of de overtuiging dat alles ziel heeft. Een animist gelooft zowel in het bestaan van goede als in die van kwade geesten; geesten, die onder meer in bomen, dieren en gebruiksvoorwerpen kunnen huizen.


Animisme is geen religie op zich, maar maakt deel uit van bijna alle religies ter wereld. Elke religie gebruikt zijn eigen ritueel om de zielen, of geesten, gunstig te stemmen zoals het brengen van offers, een rituele dans of strikte (gemeenschaps)regels. Vooral in het sjamanisme komt animisme sterk aan bod.

Een groot aantal mythologische figuren zijn gebaseerd op animisme, zijnde: het geloof in zielen. In de moderne wereld komt een milde vorm van animisme voor in de filmindustrie, of in sprookjes, waar voorwerpen of dieren tot leven komen.

Kleuters hebben vaak een animistische houding ten opzichte van de wereld om hen heen, vooral in het geïndustrialiseerde deel van de wereld. Voor een kleuter kunnen bomen praten, wonen kabouters in paddenstoelen en kunnen dingen menselijke eigenschappen bezitten. Vanaf ongeveer 6 jaar krijgen kinderen een meer algemeen aanvaard beeld van hun leefwereld. (Spiritualia.be)
Foto door Karolina Grabowska op Pexels.com

Animisme is, binnen de kunstgeschiedenis, een stroming in de Vlaamse schilderkunst van de 20e eeuw

De animisten in de Vlaamse schilderkunst vormden geen echte school. De min of meer willekeurige benaming werd gebruikt door Paul Haesaerts, waarmee deze de houding en de esthetiek van enkele los van elkaar staande kunstenaars omschreef, die werkten tussen de twee wereldoorlogen.

Het ging daarbij onder meer om Henri-Victor WolvensAlbert Van DyckJozef Vinck. Deze kunstschilders reageerden op wat zij als een buitensporige ontwikkeling van het expressionisme aanvoelden, waarbij zij in opvatting en vorm het ‘menselijk-gevoelige’ voorop stelden. Deze kunstenaars richtten zich meer op het introspectieve dan het expressionisme. Poëtische gevoeligheid speelde daarbij een rol. (Wikipedia)

Twee kinderen in een landschap Albert Van Dyck ca 1944 Museum voor Schone Kunsten Gent

Kijk ook:

https://vlaamsekunstcollectie.be/makers/albert-van-dyck

TEAPOT WITH PERSIMMON FRUIT

Those afternoons when the phases of silence
grow longer than the shadows in winter,
that’s when we turn to the idea of still-life.   
 
The room becomes image, and everything in it,
through the open doors the onlooker fades away.
Light moves over the furniture, floors, and rests
on the teapot, the persimmon fruit on the plate,
fixes their contours flawlessly like glue.
It is writing a book about superfluous things.
 
In times when there was nothing going on, the old
Japanese masters would paint only the inanimate:
teacups and folding screens. That was enough.

Durs Grünbein
Paul Gaugain La Théière et les Fruits 1896


THEEPOT MET KAKIKLEURIG FRUIT

Die middagen waarop de fasen van stilte
langer worden dan de schaduwen in de winter,
dan grijpen we naar het idee van het stilleven.

De kamer wordt beeld, en alles wat zich erin bevindt,
door de open deuren vervaagt de toeschouwer.
Licht beweegt over de meubels, vloeren en rust
op de theepot, het kaki fruit op het bord,
en fixeert hun contouren feilloos als lijm.
Het is het schrijven van een boek over overbodige dingen.

In tijden dat er niets aan de hand was, schilderden de oude
Japanse meesters alleen het levenloze:
theekopjes en kamerschermen. Dat was genoeg.

Dürs Grunbein
One of Gauguin’s most treasured possessions was a painting by Cézanne, Still Life with Fruit Dish (1879–80, now Museum of Modern Art, New York ), which he emulates in this picture. Within a similarly compressed space, Gauguin substituted mangoes for Cézanne’s apples and a Tahitian-style printed cloth for a French floral wallpaper design. One significant departure is the human figure at the upper right, glimpsed through a door or window. The year after he completed this work, Gauguin’s finances were so dire that he arranged for the sale of his prized Cézanne.

Een van Gauguins dierbaarste bezittingen was een schilderij van Cézanne, Stilleven met fruitschaal (1879-80, nu Museum of Modern Art, New York), dat hij in dit schilderij heeft nagebootst. Binnen een vergelijkbaar gecomprimeerde ruimte verving Gauguin de appels van Cézanne door mango's en een bedrukte doek in Tahitiaanse stijl door een Frans bloemetjesbehang. Een belangrijke afwijking is de menselijke figuur rechtsboven, gezien door een deur of raam. Het jaar na voltooiing van dit werk waren Gauguin's financiën zo slecht dat hij zijn kostbare Cézanne liet verkopen.
Paul Cézanne Nature Morte au Compotier (MOMA)

Zielsgenoten’ zie je hier samenvloeien, geheel toevallig: het gedicht van Willem van Toorn over zijn overleden vader waarin de verstilling een resultaat is van een versmelting: vader en landschap vormen een ‘verbaasd’ landschap waarin de stilte duidelijk een teken is van die versmelting.
Een andere stilte ontstond door een groepje schilders, voornamelijk uit de Kempen die zich van het expressionisme afkeerden en met een eenvoud van portretteren hun stilte, hun innigheid wilden realiseren, een eenvoud die uitloopt in het schilderij van Gaugain, op zijn beurt een verwijzing naar Cézannes werk met gelijkaardige inhoud.

Een stilleven hoeft zich dus niet te beperken tot een compositie van voorwerpen maar kan ook een landschap voorstellen waarin de concentratie van een nieuwe aanwezigheid duidelijk wordt. Het zichtbaar maken van een ‘animus’, (vrouwelijk; anima) een ziel, de meest directe ervaring van een totale aanwezigheid. (zonder ons in de psychiatrie en aanverwante werelden te storten, mijn beperktheid is groot.). Heel dichtbij kom je als je een klein kind kunt observeren in een gesprek of handeling met pop of knuffel. Het geloof in de aanwezigheid van een ziel, nodig overigens om de eigen ziel te ontdekken. Indien mogelijk: herinner je.

Eigen foto Gmt

Kijk naar de trailer van de video van Antje Van Wichelen ‘Lost and Found’



Animatie, hier de levenloze dingen een ‘animus’ (ziel) geven in zijn mooiste betekenis.

‘Dit is een heel concreet verhaaltje van handschoenen die verloren zijn en in de stad ronddwalen. Het is iets heel tactiels, dat je zo echt met die materies bezig bent, ook al doordat die handschoentjes met hun vingertopjes alle materialen beroeren. Door met die materies bezig te zijn, door het licht dat anders is, doordat  de passerende mensen en auto’s vervaagd zijn en we specifiek niet hebben gefocust op de lichtreclames, krijg je een andere blik op de stad. Terwijl het eigenlijk een heel concrete, reële blik op de stad is.’ (MO) Hieronder zie je hem helemaal: 9′. 34″



A cold winter night in Brussels. Behind a hole in a wall, a woman lies suffering from the cold. Her shivering sounds attract the attention of the lost gloves of the city. They start on an adventurous journey.
The film was entirely shot at night in the city with no extra light; each photo had an aperture time between 4 and 12 seconds, shot with a very small diaphragma.
Tamara de Lempicka (1898-1980). Girl with gloves


Anima/animus

Carl Jung merkt op dat we tijdens het sociale kneden van de persona bepaalde masculiene en feminiene eigenschappen onderdrukken of benadrukken, afhankelijk van onze identificatie als man of vrouw. De anima vertegenwoordigt het vrouwelijke deel, terwijl de animus de mannelijke kant representeert. Het valt Jung op dat we de tegenpool van het deel dat wij ontwikkelen vaak de rug toe keren. Toch blijft dit aanwezig in het onbewuste. Zowel anima als animus weerspiegelen traditionele ideeën die wij hebben geërfd van vorige generaties en die zich kunnen ontwikkelen met de tijd en cultuur, zegt Carl Jung. (Filosofie Magazine)
'Dat ik dan toch blijf wachten
hier bij het poppenspel, en zo volledig toezie,
dat, om ten slotte aan mijn toezien tegenspel
te bieden, een Engel op moet komen, die de poppen
omhoog rukt. Engel en pop: dan is er eindelijk schouwspel.
Dan pas komt samen wat wij steeds, in ons bestaan,
gescheiden houden. Dan pas ontstaat
de kringloop van het eeuwig vernieuwen
uit onze jaargetijden. Boven ons uit
speelt dan de Engel.'

Rainer Maria Rilke, uit 'de 4de Elegie', vertaling Jelema en Blok
‘Hand of Rodin with a Female Figure’ – Auguste Rodin (French, 1840 – 1917), The National Gallery of Art
‘When I feel
like waiting in front of the puppet theatre, no,
rather gazing at it, so intently, that at last,
to balance my gaze, an Angel must come
and take part, dragging the puppets on high.
Angel and Doll: then there’s a play at last.
Then what we endlessly separate,
merely by being, comes together. Then at last
from our seasons here, the orbit
of all change emerges. Over and above us,
then, the Angel plays.’

Rainer Maria Rilke. The fourth Elegy Translated by A.A. Kline
‘Memorial Relief (Hand of a Child)’ – Auguste Rodin (French, 1840 – 1917), The Los Angeles County Museum of Art

In de zomer van 1903 vertelt Rilke aan Salomé hoe hij dit afgrondelijke van de jeugd zelf heeft ervaren. ‘Ver in mijn kindertijd kwamen onbeschrijfelijk grote angsten op. Alles veranderde en ik voelde mij uit de vertrouwde zinvolle en nabije wereld geperst, in een andere, onzekere, naamloze en bange omgeving. Het leek net of ik niemand zou herkennen en ook niemand herkende.’

“De poppen waar het kind een moment daarvoor nog naar hartenlust mee speelde, werden nu kapotgemaakt of gedumpt. Volgens Salomé zijn het zelfs vaak de meest geliefde poppen die hier het slachtoffer van worden. ‘De haat is eigenlijk niet zozeer tegen de pop gericht maar komt uit de angst voor zichzelf voort: geboorteangst en angst om verlaten te worden.’ Kinderen leggen zich met andere woorden niet zomaar bij de afzondering van de wereld neer, maar proberen met geweld hun oude wereld te behouden.”

(Joke J. Hermsen, Heimwee naar de mens, De Arbeiderspers Antwerpen Amsterdam 2003. p.119-120)

Bronzino. Ritrato di ragazzo. 1540-45

En, zucht de auteur, laat hij/zij/wij het verlorene terugvinden in zijn/haar/onze creatieve mogelijkheden of…in de liefde, vult Salomé aan. Zij wist waarover zij sprak. ‘Heimwee naar de mens’ van Joke J. Hermsen, ten zeerste aangeraden. Laten we mooie dingen (s)maken.

Tintoretto Wedstrijd tussen Apollo en Marsyas. (1545)

Kunst en ontroering, een verkenning

Rik Wouters, Portret van Rik [zonder hoed], [1911], olieverf op doek, 30 x 32 cm, Privéverzameling – Foto: Vincent Everarts Fotografie Brussel

Er is vooreerst de stad. Mechelen. Hendrik Wouters is er geboren. Op 21 augustus 1882.

Rik gaat op twaalfjarige leeftijd in de leer bij zijn vader, die meubelmaker is. Enkele jaren later trekt hij naar de academie van Mechelen. Van 1900 tot 1905 volgt hij de hogere artistieke opleiding aan de academie in Brussel. Hélène of Nel Duerinckx vertelt zelf, in haar “Memoires”, hoe zij op zestienjarige leeftijd de jonge academiestudent verleidt. Rik en Nel trouwen en gedurende meer dan 5 jaar leven zij in moeilijke omstandigheden in Bosvoorde aan de rand van het Brusselse Zoniënwoud. (erfgoedinzicht.be)
Rik Wouters, Dame in het blauw voor een spiegel, [1914], olieverf op doek, 121 x 123 cm Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel, legaat mevr. Delporte-Livrauw en dr. Franz Delporte, 1973-76, Foto: J. Geleyns-Ro scan

Er is zijn andere draden dan de naam van een stad: de innerlijkheid waarmee hij je aankijkt. Niet verwonderd, noch boos, eerder nieuwsgierig. Sinds 1911 heeft hij honderdduizenden aangekeken vanuit dat jaar dat in de nabijheid van de Grote Oorlog in 1914 zijn mobilisatie nodig maakte. Zijn wanhopige brieven aan Nel. Schilderen of beeldhouwen had op dat moment nog weinig betekenis. En de hoofdpijn, de steeds terugkerende hoofdpijn. Hij wordt uiteindelijk in Nederland geïnterneerd.

In het najaar van 1915 werd de oorzaak van zijn fatale ziekte duidelijk geworden: kanker in het bovenkaakbeen. Hij kreeg een - naar hij dacht - 'gratis operatie' aangeboden (betaald door kunstverzamelaar Eppe Roelfs Harkema), op 4 oktober uitgevoerd door de toen beroemde chirurg Prof. Rotgans; een maand later schilderde hij met slechts één oog zijn bekende Zelfportret met de zwarte ooglap, waarin de focus lag op de niet-verminkte kant van zijn gezicht (Wikipedia)
Rik Wouters, Rik met de zwarte ooglap, 1915, KMSKA, olieverf op doek, 102 cm x 85 cm – CC0, beeld artinflanders.be, foto Hugo Maertens

Neen, het wordt geen aflevering rond leven en werk van Rik Wouters al kan ik je lectuur en exploratie rond zijn persoon, liefde voor Nel en werk ten zeerste aanraden. Ik wilde graag op zoek gaan naar mogelijke verbindingen met de vraag: welke onzichtbare draden verbinden de kunstenaar met de kijker-lezer-luisteraar? Wat veroorzaakt die verbinding? Waar en waarom kan hij/zij ons beroeren, vervoeren en ontroeren? En laat ons spaarzaam zijn met moeilijke woorden, we hebben onze lesjes intussen wel geleerd (zie vorige aflevering, de tekst van Verschaffel) Er is dus niet één juist antwoord, maar elke aandachtige kijker zal op zijn (haar) manier die mogelijke verbinding, of de afwezigheid ervan, al dan niet kunnen aanvoelen, zonder woorden. En of het nu om schilderkunst, muziek, of literatuur gaat, bekijk-beluister ze onder dezelfde noemer. Daarom geen wegwijzer maar een verzameling mogelijkheden. Een (voorlopige) verkenning.

Rik Wouters, Zittende vrouw bij het venster / Portret van Nel Duerinckx, de vrouw van de kunstenaar, 1915, MSK Gent, olieverf op doek, 96,2 cm x 74,6 cm – CC0, foto Michel Burez
‘Ontroering heeft iets buitengewoon intrigerends. Wat is het toch dat een grap, een vondst, een gebaar, een foto, een schilderij, een paar regels, dat die iets teweeg kunnen brengen, iets onverhoeds kunnen laten gebeuren dat lijkt op het losspringen van een slot. Een op het eerste gezicht onbetekenende sleutel past op een slot waarvan je niet wist dat je dat in je omdroeg. Ik ben al lang nieuwsgierig naar die sleutels en die sloten, dat mechaniek van de klik.’

Rutger Kopland ‘Het mechaniek van de ontroering’


IK BEN JE VRIEND

Mors nog wat wijn op tafel, veeg de kruimels samen,
steek de tandenstoker in het kaarsvet van de kaars
die flakkert tussen ons. We zijn nog eens bijeen,
je bent nog steeds een vriend en ik verraad je niet.

Je hebt gelijk, elk jaar is minder licht en moeizamer
ontwaken, we drinken minder dan voorheen,
we praten zachter als de nacht ons insluit
in het heden. Maar je bent nog steeds
een vriend voor heel het leven en
vergeet je niet - ik niet.

Luister naar het kraken van de klimboom
in de tuin, grijp het rafeltouw
tussen de takken met beide handen vast
en zwaai over de vijver naar de overkant.

Ik ben je vriend. Ik zal je vangen.

Marc Reugebrink uit 'Om honing gaat het niet' (2023)

Après-midi à Amsterdam. (1915)

De literatuur is niet bij machte ons te verlossen uit ons lijden. Ze is niet bij machte van ons iemand anders te maken, om de wereld te veranderen, om datgene te doen wat schrijvers in het verleden allemaal hebben beweerd dat literatuur zou kunnen doen. Maar literatuur is wél bij machte ons te laten zien wie we zijn, zelfs als we dat niet willen zijn. Ze laat ons de paradox ervaren waarbij we ieder voor zich bestaan. Ze geeft vorm aan het menselijk tekort en stelt zo scherp wat we in onze alledaagse beslommeringen gewoonlijk vergeten.

Uit: Marc Reugebrink, Het geluk van de kunst (2012)
Bezoek:

Poëzie & tranen

Foto door Pixabay op Pexels.com

Sprekend over de directheid, de ‘onmiddellijkheid’ van sommige schilderijen zegt Francis Bacon:

‘One of the things I’ve always tried to analyze is why it is that, if the formation of the image that you want is done irrationally, it seems to come onto the nervous system much more strongly than if you know how you could do it. Why it is possible to make the reality of an appearance more violently in this way than by doing it rationally? Perhaps it’s that, if the making is more instinctive, the image is more immediate.’

Nieuwsgierig om het artikel te lezen?

https://www.dbnl.org/tekst/_tir001199001_01/_tir001199001_01_0047.php

Left: Study after Velazquez’s Portrait of Pope Innocent X, by Bacon 1953. Right: Portrait of Pope Innocent X, by Velazquez 1650
 
WAT ZIJ BEDOELEN

Schilders schilderen wanneer zij
't kunnen 
't engelgezicht van wie zij beminnen

maar ik die niet schilder
wat moet ik beginnen

In lied in muziek klinken tonen van liefde

die 't luisterend oor van beminden bekoren

maar ik die niet speel

kan mij niet laten horen

Anderen zijn er die fijn kunnen spreken

en schalks en levendig wat zij bedoelen

kunnen vertellen

ik kan 't alleen voelen

Want mij werd tot nu toe het lot slechts beschoren
om ver van je weg en in somber verlangen

met onzichtbare draden

aan je beeltenis te hangen

Jan Hanlo (1912-1969)
Foto door pedro18 op Pexels.com

Ook dichter en auteur J. Bernlef schreef in Tirade, jaargang 34 1990, over ‘Ontroeringen’. Je kunt het artikel zelf lezen via de wegwijzer hieronder. Het eindigt zoals het begon, helemaal in stijl:

“Zowel aan de kant van de ontvanger als van de zender van ‘ontroeringen’ zijn de processen dus in neurologische nevelen gehuld.
Ik ben daar niet eens zo rouwig om. Want is ontroering wel het hoogste goed in de kunst? Zijn kunstwerken die in hun geheel een grote, gelijkmatig verdeelde gevoeligheid bij de ontvanger veroorzaken, zonder dat hij precies weet waar het hem nu in zit, niet eigenlijk te prefereren?
Ik weet niet goed waar het ontroerende in Vermeers of Saenredams schilderijen nu precies in schuilt. Als ik aan die schilderijen denk, denk ik aan hen als aan een geheel, nooit als aan een deel dat meer spreekt dan een ander deel. Het is juist deze geheimzinnige som der delen die meer is dan die delen afzonderlijk die het hem doet.
Ja, ik weet eigenlijk wel zeker dat die gelijkmatig verdeelde sensibiliteit het kenmerk van het ware, het misschien wel absolute is.
Ik sta op en zet Bach’s Wohltemperierte Klavier, gespeeld door Sjaroslav Richter, op en vergeet alles.”

https://www.dbnl.org/tekst/_tir001199001_01/_tir001199001_01_0047.php




Pieter Jansz Saenredam. Interior of St. Bavo Haarlem
Studie (Stefan Hertmans)
 
Haar horen spelen in het
 afnemend licht, bedenkend
 dat deze rijen en rijen
 dansende noten op het blad
 de meesters van haar vingers zijn,
 
en opgehouden.
 
Ik hield op - herhaling
is een opmaat voor verdwijnen.
 Alleen het luisteren biedt meer.
 
 Ze speelt. Een zich door muren
heen voortplantend hardop denken,
uitbreidende vlek welluidendheid.
 Haar jeugd gebogen boven
 zwart en wit,
 
 Mendelssohn en Ravel, en dan
steeds weer dat onbekende
dat mij kwelt.
Meisje aan de piano. 1879. Jacob Maris

Voor de fijnproevers: Herman Parret, filosoof, emeritus gewoon hoogleraar aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte van Universiteit Leuven,, schreef in 2004 een mooie verhandeling: ‘Beroering en ontroering. Over de zinnelijkheid van het gemoed.’ Een fragment:

“Het gewone, alledaagse leven wordt gekenmerkt door redundantie, herhaling en eentonigheid. Tegen die achtergrond wordt de guizzo ervaren als een fractuur. De alledaagse tijdelijkheid wordt beleefd als een ongeritmeerde lijn waarop het nu-moment ononderbroken en als vanzelf naar een toekomst van verwachtingen toegaat. De guizzo onderbreekt deze tijdslijn en voert spanning en onverwachtheid in. De guizzo is breuk, fractuur: het sostenuto van de banale tijd wordt opgeheven, onrust en spanning kleuren het gemoed, een cataclysme dreigt. Het woord guizzo duidt op plotsheid (denk aan het spartelen van het visje dat uit het water wordt gehaald), op een schoksgewijze ritmering van het tijdsverloop, op een fractuur dus waarvan het momentane het hele zielenleven opslorpt. Het plotse van de guizzo schort de lineaire tijd op en doet de ruimte verstijven. Bij deze culminatie van aisthèsis wordt de blik verblind. Inderdaad, bij een intense esthetische ervaring sluit je de ogen. En die esthetische verblinding (éblouissement) activeert onze andere zintuigen: de geurende jasmijn, de vallende regendruppel, de fluwelen wang zijn niet langer figuren van de zichtbare wereld, maar sensibilia die zich richten op onze intieme zintuiglijkheid die ruikt, luistert, voelt.”

Zestien pagina’s voor fijnproevers vind je als pdf:

…met het mooie slot:

“De sleutel tot het geluk ligt in de ontroering en beroering van het zinnelijke gemoed, in het gegrepen worden door de schoonheid van de aisthèta, binnen de affectieve gemeenschap die ons aller deel is.”

“Een filosofie van het zinnelijke gevoel doet twee dingen: zij onttroont het oog om in dezelfde beweging de hand op te waarderen; zij relativeert de machten van het zien, die in de geschiedenis van de Westerse metafysica steeds bovenaan in het vaandel stonden, en herwaardeert het tactiele, het haptische met zijn rijke variëteit aan synesthesieën. ‘We moeten ons eraan gewennen’, zo schrijft Merleau-Ponty, ‘dat al het zichtbare gesneden is in het tastbare (tout visible est taillé dans le tangible)’. In dit perspectief heeft de hand meer verbeelding dan het oog. Aanwezigheid is dan in de eerste plaats tastbare aanwezigheid.” (Herman Paret, Beroering en ontroering. Over de zinnelijkheid van het gemoed.)

Van op de brug bekeken

Tobeen – (Felix Elie Bonnet) (1880-1938) De oude brug

Tijdens mijn kleine kindertijd waren bruggen een verschrikking. Nog in de oorlog geboren leerde ik, als kleuter, bruggen kennen als een onbetrouwbare verbinding tussen twee oevers. De vooroorlogse exemplaren immers waren door naoorlogse ‘voorlopige’ houten staketsels vervangen. Dat was tijdens een overtocht met de grote Studebaker van mijn oom best hoorbaar. Bij schoolreisjes klonk het ‘voeten naar boven!’ als het zo ver was. Grappig bedoeld tenzij voor dat bange jongetje wiens geburen enkele weken terug met hun voertuig door de reling van de ‘voorlopige’ Wijnegemse brug waren gereden waarna hun volledige huisraad als openbare verkoop de noodlottige afloop duidelijk maakte.

Building Bridges by contemporary Italian artist Lorenzo Quinn Six pairs of monumental hands bridge the basin of the Arsenale in Venice as both a symbol of our commonality and an expression

Enkele malen probeerde Lorenzo Quin (jaja, de zoon Antony) symbolische handen als overbrugging tijdens de Biënnales in Venetië, leuk als symbool, maar probeer maar eens via die handen aan de overkant te geraken, en je merkt dat het thema ‘van op de brug’ weg wil van een enkelvoudige symbolisering. Over bruggen hebben we als enkele bijdrages gepubliceerd en die kun je onderaan raadplegen.

‘Fliegende Blätter’ was een Duits humoristisch weekblad dat van 1845 tot 1944 de samenleving in al haar aspecten kritisch-humoristisch benaderde. En daarin verscheen deze mooie uitspraak:

‘Het genie springt over de afgrond heen, het talent bouwt een brug.’

De auteur Julian Barnes schrijft in zijn prachtig boek ‘Flauberts papegaai’:

"A pier is a disappointed bridge; yet stare at it for long enough and you can dream it to the other side of the Channel."

"Een pier is een teleurgestelde brug; maar kijk er toch lang genoeg naar en je kunt hem naar de andere kant van het kanaal dromen."
Foto door Pixabay op Pexels.com

Onder mij het water, ja zelfs de Styx zou kunnen:
eens voorbij de zware moederarmen,
eens de rivier de zee nabij weet
en licht draagt als een school kinderen
die de speelplaats oversteken, op weg naar huis
en in het zoute water later hun dromen pekelen
terwijl deze sukkel letters vist.
Van op de brug bekeken
denkt hij de maan
te strikken.

Below me the water, yes even the Styx might:
once past the heavy mother's arms once the river the sea
knows near and bears light like a school of children
who cross the playground, on their way home
and in the salt water later pickle their dreams
while this sucker fishes letters.
Viewed from the bridge
he thinks he is trapping the moon
snare.
Foto door Marta Wave op Pexels.com

Spreken over kunst is moeilijk omdat iedereen weet en voelt hoe overbodig en misplaatst het is. Goede kunst spreekt immers voor zichzelf, en behoeft geen commentaar. Bij kunst, zoals bij vele belangrijke dingen in het leven, vinden we het zwijgen beter passen dan het spreken. En waarom is dat zo? Omdat woorden bijna leeg zijn, en omdat het spreken openlegt, uitplooit, breed maakt, aanlengt, terwijl in het omgaan met kunst de ‘ervaring’ telt. En een ervaring is vanzelf dicht, vol, geconcentreerd. Ze is onmiddellijk en valt samen met een moment. En ervaring kan je nu eenmaal niet voor woorden ruilen. Als een beeld of een kunstwerk gezegd kan worden, waarom zou het dan nog gemaakt moeten worden?


Bart Verschaffel ‘De Witte Raaf. Editie 60. maart-april 1996

Tobeen – (Felix Elie Bonnet) (1880-1938)
Het egocentrisch heelal



Zeggen wij woorden, gedichten.

bedoelen wij: mensen, gezichten.

Wij spreken

een dubbele taal:

iedereen, allemaal,

eeuwigheid, overal,

betekenen: jij en ik,

ademval,

ogenblik.


Ellen Warmond (1930-2011)

Excuus



Om het inoperabel tekort

van gebaren die onvoltooid

en gedachten die verzwegen

blijven om alles wat nooit

kan worden prijsgegeven

beroep ik me op het gedicht

als machteloos tegenwicht.




Ellen Warmond (1930-2011)
Foto door ALTEREDSNAPS op Pexels.com

Kunst ontdekt niet en zegt zelden iets nieuws, maar wekt een verhevigd, dwingend besef van wat iedereen doorgaans allang weet, maar, omdat weten en weten twee zijn, en weten ook vergeten is, altijd ook niet weet. Confronteren met algemene waarheden. En het belang dat mensen hebben bij het vrijwillig aanschouwen van onplezierige waarheden en bij dat bijzondere ‘betrokken’ weten – zo zegt een traditie die bij Aristoteles begint – is de eigenaardige verzoening en troost die voortvloeien, niet uit het romantisch sentimentele zich herkennen of kunnen ‘invoelen’ in een ander (‘ook ik…’), maar uit het zien dat het inderdaad, wèrkelijk zo is dat dé mens een maat te klein is voor zijn lot. Wat telt in kunst is zo niet wàt ze zegt of leert, maar het doordrongen worden van wat men weet. Het gaat om intensiteit, om verhevigd besef. En inderdaad, mevrouw, mijnheer, die intensiteit kan slechts ervaren worden, en niemand kan ze ‘nazeggen’.

Bart Verschaffel ‘De Witte Raaf. Editie 60. maart-april 1996

Foto door Laker op Pexels.com
Lang heb ik niet over haar durven schrijven...
 
Lang heb ik niet over haar durven schrijven
uit angst voor één kunstzinnig woord.
Omdat ik van haar houd
mag zij gedichten in,
zoals ze meegaat naar de Hema
- voorzichtig bij het serviezenvak -
licht gebogen al,
zonder de begerigheid
die hier hoort.
 
 Ed Leeflang
 
Uit: Bewoond als ik ben (1981)
Foto door Lucas Allmann op Pexels.com

Tenslotte, kort. Veel van wat over kunst gezegd wordt, is irritant gezwam, en is niet beter dan de meeste kunst die gemaakt wordt. Waarom spreken over kunst? Niet alleen voor de kunst, ook omwille van het denken. Het analyseren en interpreteren test niet enkel het werk, maar stelt ook het denken op de proef. Want dit heeft zo zijn gewoontes en voorkeuren en zijn beproefde strategieën. Het beschikt over een stock van gedachten en argumenten die massaal verspreid zijn en zolang gebruikt worden tot ze helemaal afgesleten zijn en er geen scherpe kant meer op zit. Denken dat noodgedwongen binnen moet blijven – binnen de ‘wetenschappen’, binnen het onderwijs, binnen de media – verliest zijn lenigheid, krijgt een verstopte neus, komt niets meer op het spoor. Natuurlijk zijn er belangrijker dingen dan kunst. Maar omdat kunst zo concreet en zo onoverzichtelijk is, omdat het zo moeilijk is er iets over te zeggen en men bij elk werk opnieuw moet beginnen, omdat er vanzelf dissensus heerst, is kunst belangrijk: het is een slijpsteen voor het denken.

Bart Verschaffel ‘De Witte Raaf. Editie 60. maart-april 1996

De tekst bij deze aflevering is voor de samensteller van deze aflevering geen algemeen geldend standpunt, slechts een aanleiding tot nadenken, het scherpen van de geest.  Het woord is mij dierbaar en uiteraard al wat je dierbaar is wordt ook hanteerbaar en kwetsbaar.  Het beeld in de hedendaagse kunst lijdt vaak ook aan 'beeldend gezwam'.  Kwaliteit is zeldzaam en dat geldt voor beeld en woord.  En er is het korreltje zout dat bij alle te uitgesproken standpunten zijn diensten bewijst.

Het mag duidelijk zijn
dat van op de brug
de sterkte van de stroming
de bloemen op de oevers
fraai
te beschrijven zijn
maar
ware kennis
vereist waarschijnlijk
wandelschoenen
en een zwembrevet.
Architecture en Fête, Villeneuve lez Avignon.
Alle foto’s © Olivier Grossetête

Bekijk andere zwevende bruggen van Olivier Grosstête:

En bezoek ons blog:

Aren lezen (3)

Papier sculptuur van Justin Rowe


Komt in en uit het boek gevaren,
baren letters, letters baren:
gekromd of regelrecht om te bedaren.
De horizon? Wie zal mij sparen?

Emile Claus 1894 Aren lezen

In memoriam Gerrit Achterberg I

Afvaart. Eiland der Ziel. Dead end. Osmose.
Huis. Thebe. Existentie. Energie.
Euridyce. Morendo. Sintels. Meisje.
Sphinx. Radar. Cryptogrammen. Stof. Limiet.
Titels als pijlen: nu 'k ze opschrijf, voel 'k ze
nog zinderend natrillen in mijn hart.
Nadien heb ik je weinig meer gelezen:
't was niet mijn land, voorbij die laatste stad.
Maar je bleef wel altijd in mij aanwezig,
zo ongeveer als de tb-bacillen
die in mijn rechterlong zijn ingekaasd.
En nu kruipt ook bij mij soms plots een beest
van vrees door aderen en ingewanden.
Word ik dan toch nog naar je teruggekaatst?

(C. Buddingh', De eerste zestig, bz. 12)
bron: Pexels


Geschreven werd en wordt er, geschilderd en gedicht, kortom pakhuizen gevuld met creaties. Eens de velden gemaaid zijn door de sikkels van de tijd, blijven er allerlei resten en fragmenten liggen. Anderen werden glanzend tot letteren- of beeldenvoedsel verwerkt maar daarna door de muizen van de vergetelheid weg geknabbeld. Ook in de schuren en de serres van het internet zijn er talrijke overblijfsels van vroegere oogsten weinig of nooit meer bezocht. En het 'voorbije' is steeds sneller voorbij.

Aren lezen zal tussen de duizenden teksten en reproducties dwalen en schoonheid verzamelen die lang in het duister of de schemer van de tijd is achtergebleven en best weer het licht in de ogen kan verdragen.
Foto door Suzy Hazelwood

Het zonnespel

Zacht daalde een zondagsrust, ik lei mij dromend
In ’t geurig bloemgoud, dat de wei bemint,
En voor mij rees, het groene veld omzomend,
Een berg van beuken, wuivend op de wind.

Ik zag hun toppen, beurtlings licht en donker,
In vlammen opgaand en weer uitgeblust,
Zich tot dit spel van schaduw en geflonker
Alle gewillig lenen, onbewust.

Doch ik, de blik gericht, het hoofd geheven,
Zocht naar de speler, die deez’ scherts begon,
En vond hem, waar de zomerwolken dreven
In stille stoeten langs dat schild: de zon.

Toen, turend, werd ook ik gelijk die bomen
Een door het hemels licht beschenen kind,
En voelde vreugde en weemoed me overkomen,
In beide zwelgend, en voor beide blind.

Aart van der Leeuw (1876-1931)
Foto door Dominik Gawlik

e. du Perron (1899-1940)
Leven is goed
LEVEN is goed, - en zijn wij tachtig jaar,
 wij doen geen afstand van ons duur verleden.
 Koel is de schaduw van het leed geleden,
 en zacht de glimlach om het oud misbaar.
 
 Dàn eerst zij onze hemel glad en klaar:
 achterom kijkend, niet vooruit, als heden;
 ruggelings reizend, met onwilge schreden,
 naar welke Zuidpool of welke Evenaar?
 
 Wij gaan, wij gaan - maar met de minste spoed.
 Profetendromen, stelsels en gebeden
 waaiend om ons als wind om zuilen doet.
 
 Strijdend voor 't Leven, listig en verwoed,
 als onze vaadren met de draken streden,
 zullen wij gaan. Maar langzaam. Voet voor voet.





Zeg dit vers zachtjes luidop eens het licht is uitgeknipt:

Zachtjes uit de haven, bij slapend water
glijden zoals de droom
glimlacht met de zwaartekracht
en hemelen helen vroom
de schoonheid van de sterrennacht.

Het wordt nooit later.
Later.

Foto door Burak The Weekender

'Stel, wij werden voor het eerst geconfronteerd met
De dingen, die onverwachts op ons netvlies vielen:
Wie had zich zoiets wonderbaarlijks kunnen dromen,
Wie iets dergelijks ooit voor mogelijk gehouden?'

Lucretius, Over de natuur II, 1033-1036 geciteerd Michel de Montaigne 'De essays', p.225
Foto door Nando Paz

‘Aren lezen’ (2)

Geschreven werd en wordt er, geschilderd en gedicht, kortom pakhuizen gevuld met creaties. Eens de velden gemaaid zijn door de sikkels van de tijd, blijven er allerlei resten en fragmenten liggen. Anderen werden glanzend tot letteren- of beeldenvoedsel verwerkt maar daarna door de muizen van de vergetelheid weg geknabbeld. Ook in de schuren en de serres van het internet zijn er talrijke overblijfsels van vroegere oogsten weinig of nooit meer bezocht.  En het 'voorbije' is steeds sneller voorbij.  

Aren lezen zal tussen de duizenden teksten en reproducties dwalen en schoonheid verzamelen die lang in het duister of de schemer van de tijd is achtergebleven en best weer het licht in de ogen kan verdragen.
Jean-François Millet Des glanseuses 1857


Si le glanage est d’un autre âge, le geste reste inchangé dans notre société
qui mange à satiété.’
(Agnès Varda, Les glaneurs et la glaneuse, 2000)


‘Het rapen van achtergebleven delen van de oogst mag dan tot het verleden behoren, ook in een samenleving zoals de onze, die zich te pletter (vr)eet, ziet men gelijkaardige praktijken opduiken..’

Foto door Pixabay op Pexels.com

Judith Herzberg (geb. 1934) is van een generatie die de grote woorden voorlopig voor gezien hield. Al te goed kent zij de holle leuzen, de gebralde begrippen, de machinaties van de taal zoals deze in deze eeuw plaatsvonden. Debuterend na de Tweede Wereldoorlog en na de manifestaties van de Beweging van Vijftig die de chaos en het naoorlogs puin in kaart trachtte te brengen – ‘ik bouw nauwgezet en wanhopig’ dichtte Lucebert – zochten dichters als Judith Herzberg eerder heil en heul in het kleine gebaar, in schakeringen eerder dan in primaire kleuren, in intieme waarnemingen liever dan in globale visies. Daarmee zou zij kunnen worden gezien als iemand die de Criteriumpoëzie, die van ‘het klein geluk’, voortzet. Zeker, ook Judith Herzberg heeft à la Vasalis ‘eerbied voor de gewone dingen’, maar zij heeft toch een geheel andere optiek. Zij is vervuld van wantrouwen jegens het bestaande. Zij accepteert de dingen niet zoals ze zijn en heten. Voor haar moet alles nog een naam krijgen. De taal van voorheen is onaanvaardbaar. Niet de chaos, maar wat daarna overbleef moet in de taal vorm krijgen. Dit doet zij altijd nauwgezet, een enkele keer wanhopig.

(Ons Erfdeel jaargang 36. 1993 ‘Judith Herzberg: ‘Zoals.’ Dirk Kroon)

Zoals

Zoals je soms een kamer ingaat, niet weet waarvoor
en dan terug moet langs het spoor van je bedoeling,
zoals je zonder tasten snel iets uit de kast pakt
en pas als je het hebt, weet wat het was,
zoals je soms een pakje ergens heen brengt
en, bij het weggaan, steeds weer denkt, schrikt,
dat je te licht bent, zoals je je, wachtend,
minutenlang hevig verlieft in elk nieuw mens
maar toch het meeste wachtend bent,
zoals je weet: ik ken het hier, maar niet waar het om ging
en je een geur te binnen schiet bij wijze van
herinnering, zoals je weet bij wie je op alert
en bij wie niet, bij wie je kan gaan liggen,
zo, denk ik, denken dieren, kennen dieren de weg.

Judith Herzberg. in 'Zoals' 1993
Door haar hechtheid van taal - alliteratie, assonantie en zo meer - en de hierboven aangeduide openheid, reageert een lezer op de naam die deze dichteres de dingen geeft. De bescheidenheid waarmee zij de dingen benadert is, behalve sympathiek, vooral een teken van vakmanschap. Wie tegelijkertijd ruimte laat en zeer precies omschrijft, garandeert enerzijds de beweeglijkheid van poëzie en maakt anderzijds een kleine buiging voor elk wonder en toont aldus de volle eerbied voor de ongewone dingen.
(Dirk Kroon)


.. Met onbedroefde
 kinderogen vlak voor de voeten
 kijken, een van de vroege
 genoegens die wij delen.

Judith Herzberg
Lucebert I ‘Cherries (De kers)’ Acrylic on canvas 81×100cm 1978
natuurlijk is er veel meer
dan enkel het lichaam

er is het oog dat alle
lichamen omsingelt en
een overwinnaar is voor de
spelende handen

alles is maar spel tenslotte
waar maak je je druk over
en waarom dans je niet

de lente maakt deuren
de wind is een open hand
wij moeten nog beginnen te leven

als ik in de gele nacht sta
op het blauwe tapijt van mijn hart

Hans Lodeizen (1924-1950)

Foto door Simon.lovi op Pexels.com

Natuurlijk heb ik de vraag aan AI gesteld of ‘hij’ poëzie kon genereren. Dat kon. Wij zullen hier vermijden over het wezen van ‘poëzie’ te discussiëren, daar zijn avonden, kroegen, boshutten en wolkenluchten eerder voor geschikt (dacht ik) maar er werd mij dadelijk een ‘sentimentanalyse’ voorgesteld:

Een andere belangrijke techniek is sentimentanalyse, die machines helpt de emotionele inhoud van een tekst te begrijpen. Dit kan nuttig zijn bij het genereren van poëzie die bepaalde emoties of stemmingen bij zijn lezers oproept. Sentimentanalyse kan machines ook helpen om ongepaste of ongevoelige inhoud te vermijden.

Nog beter werd het indien ik ‘modellen voor natuurlijke taalverwerking (NLP) zou gebruiken:

Een belangrijke techniek voor het opstellen van AI-poëzie is het gebruik van modellen voor natuurlijke taalverwerking (NLP). NLP stelt computers in staat om menselijke taal te begrijpen en te interpreteren, wat essentieel is voor het maken van goede poëzie. Deze modellen kunnen worden getraind in grote datasets van bestaande gedichten en kunnen worden gebruikt om nieuwe te genereren. Deze techniek omvat ook het gebruik van algoritmen die op zoek zijn naar patronen in de gegevens om woorden en structuren te identificeren die vaak samen in poëzie worden gebruikt.

Er is zelfs een ‘poetry camera’. Je richt de lens op een onderwerp en bijna onmiddellijk volgt ‘een gedicht’.

Te bekijken:

https://interestingengineering.com/culture/poetry-camera-ai

En wil je haiku’s schrijven dan is daar een kant en klaar programma voor:

https://www.poem-generator.org.uk/haiku/ (helaas ‘FORBIDDEN’) Je kunt het adres kopiëren en dan werkt het wel. Of naar een heuse haiku-werkplaats:

En verder shoppen kan in de gpt-store onder de afdeling poetry:

https://gptstore.ai/gpts/categories/poetry

“The poems that ChatGPT writes are riddled with cliché and wince-worthy rhymes, but it isn’t just issues of quality that separate AI- and human-generated compositions. Poetry, whether in the style of Heaney or Dickinson or your journal from fourth grade, comes from the felt necessity to speak a truth, whatever kind of truth that might be, in a tongue that you’ve inherited or learned—or that has been imposed upon you by force or violence. That’s obvious to anyone who, for reasons they can’t fully explain, sits down and organizes their words into a pattern that’s slightly different from the language they use at the dinner table.” (

Walt Hunter is an associate professor and the chair of English at Case Western Reserve University. He is a contributing editor at The Atlantic, focusing on poetry.

De gedichten die ChatGPT schrijft zitten vol clichés en huiverwekkende rijmpjes, maar het zijn niet alleen kwaliteitskwesties die het verschil maken tussen AI- en door mensen gegenereerde composities. Poëzie, of het nu in de stijl van Heaney of Dickinson is of je dagboek uit de vierde klas, komt voort uit de gevoelde noodzaak om een waarheid te spreken, wat voor waarheid dat ook mag zijn, in een taal die je hebt geërfd of geleerd – of die je is opgedrongen met geweld of dwang. Dat is duidelijk voor iedereen die, om redenen die hij niet helemaal kan verklaren, gaat zitten en zijn woorden ordent in een patroon dat net iets anders is dan de taal die hij aan tafel gebruikt.

En dat dachten we althans in 2017. Een eeuwigheid geleden dus. Dichter bij huis, 2024 althans:

“Wat ik meenam uit het avondje robotliteratuur: AI-poezie is een vorm van conceptuele kunst. Het procedé is minstens even belangrijk als het uiteindelijke resultaat. Wanneer ik op een AI-poëzie site de regel lees, The sun is a beautiful thing/in silence is drawn/between the trees/only the beginning of light, is dat een esthetische ervaring. Dat ik niet precies weet naar welke stem ik luister – artificieel, posthumaan – maakt de dichtregel des te intrigerender.

De vraag is, denk ik: waarom zou de mens het alleenrecht hebben op het maken van kunst, op het produceren van schoonheid? Waarom kan de waarde en betekenis van kunst en schoonheid niet liggen in een netwerk van vroegere, hedendaagse en toekomstige expressievormen geproduceerd door mens, natuur en machine, zonder hiërarchie of monopolie?”

Julien Ignacio (1969)

Hij is schrijver en blogger. Redacteur van Tirade en publiceerde theaterstukken en korte verhalen.



Introduction to Poetry
-Billy Collins

I ask them to take a poem
and hold it up to the light
like a color slide

or press an ear against its hive.

I say drop a mouse into a poem
and watch him probe his way out,

or walk inside the poem’s room
and feel the walls for a light switch.

I want them to water-ski
across the surface of a poem
waving at the author’s name on the shore.

But all they want to do
is tie the poem to a chair with rope
and torture a confession out of it.

They begin beating it with a hose
to find out what it really means



Inleiding tot de poëzie
-Billy Collins

Ik vraag ze een gedicht te nemen
en het tegen het licht te houden
als een kleurplaat

of druk een oor tegen zijn nestkast.

Ik zeg laat een muis in een gedicht vallen
en kijk hoe zij haar weg naar buiten zoekt,

of loop de kamer van het gedicht binnen
en aan de muren voelen voor een lichtknopje.

Ik wil dat ze waterskiën
over het oppervlak van een gedicht
zwaaiend naar de naam van de auteur op de oever.

Maar het enige wat ze willen doen
is het gedicht met touw aan een stoel vastbinden
en er een bekentenis uit martelen.

Ze beginnen erop te slaan met een tuinslang
om erachter te komen wat het echt betekent.

Om goed te kunnen villen had de beul een scherp mes nodig. Vervolgens werd bij deze martelmethode de huid langzaam afgesneden, vaak tot de verdachte brak of stierf.
© Gerard David/Groeningemuseum

‘Aren lezen’ (1)

Naar de Mozaïsche wet (Lev. 19 : 9) mochten de hoeken van het land door den eigenaar niet worden afgemaaid, maar moesten voor de armen blijven. Ook mochten de eigenaars de op het veld overblijvende aren niet verzamelen, want het nalezen bleef voor de armen ; zelfs de schoven, die door onachtzaamheid waren blijven liggen, behoorden hun; de eigenaar had het recht niet ze terug te halen.
fragment Jules A.A. Louis Breton. ‘The Gleaners’
The Old Testament of The Bible mandated Hebrew farmers to leave a portion of their crops unharvested, allowing poor neighbors and strangers to enter their land to pick what remained for themselves and their families.

In England and France, the government safeguarded the rights of the rural poor to glean. This practice permitted gleaners to collect leftover crops and resources from the ground of nearby farmers' fields. Picking leftover crops for the local community was an integral part of farm life and the harvest process for hundreds of years, until new private property laws and farming technology began to restrict gleaners' rights. It was common to see people in fields picking leftover crops until after the end of World War II.

Geschreven werd en wordt er, geschilderd en gedicht, kortom pakhuizen gevuld met creaties. Eens de velden gemaaid zijn door de sikkels van de tijd, blijven er allerlei resten en fragmenten liggen. Anderen werden glanzend tot letteren- of beeldenvoedsel verwerkt maar daarna door de muizen van de vergetelheid weg geknabbeld. Ook in de schuren en de serres van het internet zijn er talrijke overblijfsels van vroegere oogsten weinig of nooit meer bezocht.

Aren lezen zal tussen de duizenden teksten en reproducties dwalen en schoonheid verzamelen die lang in het duister van de tijd is achtergebleven en best weer het licht in de ogen kan verdragen.

There was and is writing, painting and poetry, in short, warehouses filled with creations. Once the fields are mowed by the sickles of time, all sorts of remains and fragments remain. Others were glossily processed into literary or sculpture food but then nibbled away by the mice of oblivion. Even in the sheds and greenhouses of the internet, numerous remnants of past harvests are little or never visited again.

Gleaning will wander among the thousands of texts and reproductions and collect beauty long left behind in the darkness of time and best to bear the light in the eyes again.

Vincent van Gogh. Aren lezende boerin. 1885
Maar als een kip
pik ik mijn eten hier
en daar, mijn wetens-
waardigheden bij elkaar,
en o de spijt voor wie dit mist,
al deze zeer diverse dingen

fragment Judith Herzberg (geniet van de de mooie binnenrijmen)

He was born Lawrence Monsanto Ferling in Yonkers, New York, to a French mother, Albertine Mendes-Monsanto, and an Italian father, Carlo Ferlinghetti, an auctioneer, who had shortened the family name to Ferling. His parents were unable to care for him, however (sometimes Ferlinghetti said his father had died before his birth, sometimes after), and he was rescued by an aunt, Emily Monsanto, who took him to France for his first six years. Returning to the US, Emily was employed as a governess by a family called Lawrence, a branch of the one that founded Sarah Lawrence College. “Then she left me there,” Ferlinghetti told an interviewer in 1978. “She just disappeared one day, and that family brought me up.”

Lawrence Ferlinghetti. before his bookstore in San Francisco

To the Oracle at Delphi

Lawrence Ferlinghetti (1919-2021)

Great Oracle, why are you staring at me,
do I baffle you, do I make you despair?
I, Americus, the American,
wrought from the dark in my mother long ago,
from the dark of ancient Europa—
Why are you staring at me now
in the dusk of our civilization—
Why are you staring at me
as if I were America itself
the new Empire
vaster than any in ancient days
with its electronic highways
carrying its corporate monoculture
around the world
And English the Latin of our days—

Great Oracle, sleeping through the centuries,
Awaken now at last
And tell us how to save us from ourselves
and how to survive our own rulers
who would make a plutocracy of our democracy
in the Great Divide
between the rich and the poor
in whom Walt Whitman heard America singing

O long-silent Sybil,
you of the winged dreams,
Speak out from your temple of light
as the serious constellations
with Greek names
still stare down on us
as a lighthouse moves its megaphone
over the sea
Speak out and shine upon us
the sea-light of Greece
the diamond light of Greece

Far-seeing Sybil, forever hidden,
Come out of your cave at last
And speak to us in the poet's voice
the voice of the fourth person singular
the voice of the inscrutable future
the voice of the people mixed
with a wild soft laughter—
And give us new dreams to dream,
Give us new myths to live by!

Read at Delphi, Greece, on March 21, 2001 at the UNESCO World Poetry Day
-Sybil was hem genadig. Hij overleed in 2021 en werd dus 101 jaar.-
"I really believe that art is capable of the total transformation of the world, and of life itself," Ferlinghetti said. "And nothing less is really acceptable. So if art is going to have any excuse ... beyond being a leisure-class plaything, it has to transform life itself."

“Ik geloof echt dat kunst in staat is om de wereld en het leven zelf totaal te veranderen,” zei Ferlinghetti. “En niets minder is echt acceptabel. Dus als kunst een excuus wil hebben... behalve een speeltje voor de vrijetijdsklasse te zijn, dan moet ze het leven zelf transformeren.”


Zo kwamen ze weer bij elkaar.
 Maar het lekkers,
 dat was raar, dat was weg
 en als ik zeg: ze waren
 net twee helften
 van één zoet broodje
 op elkaar dan is dat niet waar;
 ze leefden kort en breekbaar
 als twee crackers.

Judith Herzberg, Dagrest. Tweede druk, Amsterdam 1984

Foto door Tim Mossholder


ZIEKENBEZOEK

Mijn vader had een lang uur zitten zwijgen bij mijn bed.
Toen hij zijn hoed had opgezet
zei ik, nou, dit gesprek
is makkelijk te resumeren.
Nee, zei hij, nee toch niet,
je moet het maar eens proberen.

-------------------------------
uit: Beemdgras (1968). Judith Herzberg


Muara Enim (1926)
 
Oud jeugdhuis waarvan ik geen inhoud weet
 dan schaduw flakkerend in het olielicht,
 angst door het krijsen van katten in duisternis,
 nog bang zijn voor slangen als het gras beweegt.
 
 Mijn moeder naaide, soms bakte zij brood.
 Maar wat speelden wij kinderen in het lege
 huis, de verwilderde tuin? Ik heb het ook nooit,
 voordat het te laat was, zelfs willen weten.
 
 Losse momenten die evenveel leegte
 lieten, nooit samenvielen met het verslag
 van de foto's, tot aan de dag dat mijn vader zag
 dat hij mij had leren lezen. Toen bleven de vele

 huizen waar wij eens woonden verder bevolkt
 door mensen, meubels en boeken, en toen begon
 mijn geschiedenis. Met wie kan ik die delen?

Tineke Sanders , geliefde van Leo Vroman
Leo Vroman en Tineke Sanders in september 1947 in de Verenigde Staten (Schrijversprentenboek 29, p. 89).

“Hoe is het dus met die ‘Nederlander in het Buitenland, of Nederlanders vanuit het Buitenland gezien’, want daar vroeg Ons Erfdeel naar. Het is vrij goed met hem, hij leeft buiten de oorlogen met een vrouw waar hij eigenlijk belachelijk veel van houdt, zoiets komt gewoon niet voor, en zij vindt hem ook niet zo gek gelooft hij. En hun kinderen: Geri zo bijna zonder lichaamsgewicht en toch zo schrikwekkend gevoelig en redelijk tegelijk, en Peggy zo vreselijk ziek geweest en die alles kan maken wat ze wil en guitaar en allergekst acteren, in haar kamer, met de rat en het konijn in hun kooien elkaar en de dingen lodderig en achterdochtig van onder allerlei rare wimpers bekijkend, lodder, knaagknaagknaag, lodder. Zo wonen wij. Soms komt een buurvrouw iets lenen, vaak komen de vrienden en vriendinnen van ons en van de kinderen binnen, praten, proberen vreemde spelletjes. Is dat Amerikaans? Hollands? Misschien wel Indonesisch.”

(Uit: Waar ben ik? Leo Vroman-New York-USA in ‘Ons Erfdeel Jaargang 12 1968-69)

Behalve dichter was Vroman bioloog, tekenaar, joods, eigenzinnig, nieuwsgierig, geestig. Zijn werk heeft een unieke speelse toon en fantasie, hij schrijft even onbekommerd over de dood als over zijn liefde voor het leven in het algemeen en voor zijn vrouw Tineke in het bijzonder. Zijn poëzie is onverschrokken: hij houdt zich aan geen enkele conventie en schuwt gruwelijkheid noch schoonheid.
In al zijn werk schrijft hij grotendeels direct vanuit en over zichzelf. Over zijn persoonlijke geschiedenis en zijn kijk op het leven. Over het grasveldje van zijn jeugd in Gouda, over de ‘hullende’ adem van zijn Tineke en het diepe gemis van haar tijdens de oorlog. Over de bloedplaatjes die hem fascineren, over wiskundige reeksen en ingewanden, over de kamers van zijn dochters, zijn reacties op wat er in de wereld gebeurt: aardbevingen, verkrachtingen, moord en geweld. Over zijn ouder wordende ledematen, zijn ingewanden, zijn aaiende vingers, zijn nieuwsgierigheid naar de dood. Hij schreef door tot enkele dagen voor zijn dood in februari 2014, het gedicht ‘Einde’:

Hij lijkt vast minder erg –
die lief bijeengebrachte
hoop spaanders van mijn gedachten –
op mij dan op een berg.

Waar zal die laaiende gestalte
van mij dan uit bestaan
en waar kwam die al te late
eerste vonk vandaan?


(Die vleugels II, 2015)

Bezoek zijn mooie bio:

https://literatuurmuseum.nl/nl/ontdek-en-beleef/literatuurlab/online-exposities/leo-vroman

een van zijn vele zelfportretten

Zelfportret, voor den heer en mevr. J. Greshoff. Het genoegen blijft aan mijn kant 1940. 22,2 x 17,5 cm. (Foto’s Letterkundig Museum).


'Kom vanavond met verhalen

hoe de oorlog is verdwenen,

en herhaal ze honderd malen:

alle malen zal ik wenen.'

Wisteria’s weemoedig blauw in mij en mei verzameld.

Eigen foto Gmt

De spiegeling van de metalen voordeur met zicht op de winterse binnenkant van het huis. Naar buiten. Naar de tuin als bewijs: de maand mei est arrivé! ‘Ce moys de may’. De Blauwe Regen (Wisteria) overvloediger dan alle vorige jaren zal je verwelkomen.

eigen foto Gmt

Ce moys de may,
ma verte cotte je vestiray.
De bon matin me lèveray,
ce joly moys de may.
Un sault, deux saults, trois saults,
en rue je feray,
Pour voir si mon amy verray.
Je luy diray qu'il me descotte;
Me descottant le baiseray.
This month of May
my green skirt I'll wear
early in the morning, I'll rise
in this lovely month of May
one hop, two hops, three hops
into the street I'll make
to see if I'll see my friend
I'll tell him to remove my skirt
while he removes it, I'll kiss him.
Eerste Editie - Clément Janequin: 	1529 in 31 Chansons musicales a quatre parties (No.21) 
Uit de tijd toen wij nog waren opgehokt:

eigen foto Gmt
Eigen foto Gmt

It Is a Small Plant

William Carlos Williams. (USA 1883-1963)

It is a small plant	
delicately branched and
tapering conically
to a point, each branch
and the peak a wire for
green pods, blind lanterns
starting upward from
the stalk each way to
a pair of prickly edged blue
flowerets: it is her regard,
a little plant without leaves,
a finished thing guarding
its secret. Blue eyes—
but there are twenty looks
in one, alike as forty flowers
on twenty stems—Blue eyes
a little closed upon a wish
achieved and half lost again,
stemming back, garlanded
with green sacks of
satisfaction gone to seed,
back to a straight stem—if
one looks into you, trumpets—!
No. It is the pale hollow of
desire itself counting
over and over the moneys of
a stale achievement. Three
small lavender imploring tips
below and above them two
slender colored arrows
of disdain with anthers
between them and
at the edge of the goblet
a white lip, to drink from—!
And summer lifts her look
forty times over, forty times
over—namelessly.
eigen foto Gmt
Het is een kleine plant	
delicaat vertakt en
conisch toelopend
naar een punt, elke tak
en de top een draad voor
groene peulen, blinde lantaarns
die vanaf
de stengel in elke richting naar
een paar blauwe
bloemetjes: het is haar aanzien,
een plantje zonder bladeren,
een afgewerkt ding dat
haar geheim bewaart. Blauwe ogen-
maar er zijn twintig blikken
in één, zoals veertig bloemen
op twintig stelen. -Blauwe ogen
een beetje gesloten bij een wens
bereikt en weer half verloren,
terugkrabbelend, omkranst
met groene zakken van
tot zaad geworden tevredenheid,
terug naar een rechte stengel - alsof
iemand in je kijkt, trompetten!
Neen. Het is de bleke holte van
het verlangen zelf dat telt
steeds maar weer het geld van
een oudbakken prestatie. Drie
kleine lavendel smekende punten
daaronder en daarboven twee
slanke gekleurde pijlen
van minachting met helmknoppen
ertussen en
aan de rand van de bokaal
een witte lip, om van te drinken!
En de zomer verheft haar blik
veertig keer, veertig keer
opnieuw - naamloos.

William Carlos Williams. (USA 1883-1963)


In Eastern cultures, wisteria is a symbol of longevity and immortality. It is often associated with virtues like persistence and endurance. In Chinese folklore, wisteria is linked to the legend of the ‘White Snake,’ which tells the tale of a love that transcends time and earthly boundaries.

In the Western world, wisteria is a symbol of romance, poetry, and the beauty of love. Its delicate, cascading flowers evoke a sense of nostalgia and dreaminess, often found in romantic novels and literature.

Wisteria (right screen) by Maruyama Ōkyo 1733-1795– Ink and color on gold-foiled paper – 18th century, Edo Period, Japan [NEZU Museum, Tokyo]

Ōkyo, geboren in Kyoto, werd sterk beïnvloed door zowel Chinese als Nederlandse artistieke tradities en nam de technieken daarvan over in zijn creaties. Hij ontwikkelde het megane-e perspectief om schilderijen of prenten te maken. Wanneer deze schilderijen bekeken werden door een kijkdoos (nozori karakuri in het Japans) of een Nederlandse bril (Oranda megane in het Japans), een lens en spiegel, creëerden ze een driedimensionaal effect. Misschien raakte Ōkyo wel gecharmeerd van dit ingenieuze Europese apparaat in de tijd dat hij in een speelgoedwinkel in Kyoto werkte. In die tijd, tijdens de sakoku, oftewel het bewuste isolement van Japan ten opzichte van de rest van de wereld, was de enige officiële verbinding die Japan had met de buitenwereld de Nederlandse VOC, oftewel de Verenigde Oost-Indische Compagnie, gevestigd op het eiland Dejima in de baai van Nagasaki. (CCDA)

Utagawa Hiroshige Swallows and Wisteria, from the series Japanese and Chinese Poems for Recitation (Wakan rôeishû) 1842-43

Wisteria by Philip Levine (USA 1928-2015)


The first purple wisteria
I recall from boyhood hung
on a wire outside the windows
of the breakfast room next door
at the home of Steve Pisaris.
I loved his tall, skinny daughter,
or so I thought, and I would wait
beside the back door, prostrate,
begging to be taken in. Perhaps
it was only the flowers of spring
with their sickening perfumes
that had infected me. When Steve
and Sophie and the three children
packed up and made the move west,
I went on spring after spring,
leaden with desire, half-asleep,
praying to die. Now I know
those prayers were answered.
That boy died, the brick houses
deepened and darkened with rain,
age, use, and finally closed
their eyes and dreamed the sleep
of California. I learned this
only today. Wakened early
in an empty house not lately
battered by storms, I looked
for nothing. On the surface
of the rain barrel, the paled,
shredded blossoms floated.
Eigen foto Gmt
Wisteria
door Philip Levine (1928-2015)

De eerste paarse blauwe regen
die ik me herinner uit mijn jeugd hing
aan een draad buiten de ramen
van de ontbijtkamer ernaast
bij Steve Pisaris thuis.
Ik hield van zijn lange, magere dochter,
dat dacht ik tenminste, en ik zou wachten
naast de achterdeur, onderdanig,
smekend om aangenomen te worden. Misschien
waren het alleen de bloemen van de lente
met hun misselijkmakende geuren
die me besmet hadden. Toen Steve
en Sophie en de drie kinderen
inpakten en naar het westen verhuisden,
ging ik lente na lente door,
leeg van verlangen, half slapend,
biddend om te sterven. Nu weet ik
dat die gebeden werden verhoord.
Die jongen stierf, de stenen huizen
werden donkerder en donkerder door de regen,
ouderdom, gebruik, en sloten uiteindelijk
hun ogen en droomden de slaap
van Californië. Ik leerde dit
pas vandaag. Vroeg wakker
in een leeg huis dat de laatste tijd niet
gehavend door stormen, zocht ik
naar niets. Op het oppervlak
van de regenton, verbleekte,
versnipperde bloesems.
Eigen foto Gmt

Het geheimschrift
van dit blauw
verenigt
vergift en vergeven:
tranen en de dauw
met zuiderwind
geschreven.

Schaduw, stootkussen van de werkelijkheid

Foto door Stacey Koenitz R op Pexels.com

Twee benaderingen van het begrip ‘schaduw’: Ton Lemaire en Carl Jung.
De schaduw in de kunst als intermezzo.
Aan een kortverhaal daaromtrent wordt nog gewerkt.

“Het is nu precies deze tijdelijk voltooide identiteit van de dingen en van de wereld, die een beproeving is voor het bewustzijn van de mens. Hij die zich ’s middags buitenshuis begeeft, waagt het de dingen in hun volstrektheid te ontmoeten, zonder het stootkussen van hun schaduwen. Alles is zoals het is, want schijn en zijn vallen met elkaar samen. De psychische opluchting die de avond brengt, bestaat er juist in dat de dingen weer anders worden dan ze schijnen en dat hun betekenis, samen met die van andere, zich in het halfdonker van de schaduw verbergt. Schaduw blijkt heilzaam te zijn, niet allen omdat ze verkoeling brengt en het organisme beschermt tegen al te felle zon, maar vooral ook omdat ze het beschermt tegen de absolute identiteit van de wereld.”

Ton Lemaire: De filosofie van het landschap

Eigen Foto Gmt

“De schaduw is eigenlijk de ‘ziel’ van het ding, zoals in veel culturen de ziel van de mens in zijn schaduw wordt geacht te verblijven. Alles wat bestaat werpt schaduw, allen – althans in verschillende sagen en mythen – geesten en tovenaars en dergelijke griezelige wezens hebben geen schaduw. Onze schaduw begeleidt ons overal; zij is de dubbelganger van zowel de mens als van de dingen. Zoals de horizon de structuur van de wereld – namelijk verwijzend naar elders te zijn, niet met zichzelf samenvallend te zijn – voor het oog onmiddellijk zichtbaar maakt, zo betekent de schaduw van iets zijn niet-identiteit met zichzelf, de reserve aan betekenis die het ding zichzelf voorbehoudt.” (ibidem)

The rounded world is fair to see,
 Nine times folded in mystery;
 Though baffled seers cannot impart
 The secret of its labouring heart,
 Throb Thine with Nature's throbtbing breast,
 And all is clear from east to west.

(R.W. Emmerson)

De geronde wereld is eerlijk om te zien,
 Negen keer gevouwen in mysterie;
 Hoewel verbijsterde zieners niet kunnen vertellen
 Het geheim van haar arbeidende hart,
 Droom met de kloppende borst van de natuur,
 En alles is duidelijk van oost naar west.
Foto door Quang Nguyen Vinh

Waarom de schaduw zijn ereplaats weer mag innemen en niet het stralend licht nog maar eens zichzelf in het eigen spreekwoordelijke zonnetje zet? Tom Lemaire neemt hem als de basis van het bestaan, een reserve aan betekenis die het ding zichzelf voorbehoudt. Een niet identiteit met zichzelf terwijl wij blijkbaar in onze paradijselijke verlangens met alles en iedereen willen samenvallen. De eerste was hij die mij leerde vertellen toen ik, als kind, wijs- en middenvinger gestrekt, duimt opgericht, het toehappende monster op de muren liet verschijnen. En daarna met beide handen, een eland. Schaduw, mijn vroegste speelkameraad.

En wil je zijn beeldende mogelijkheden leren kennen dan besef je dat er niet eens enige vorm van dergelijke kunst had bestaan zonder hem, de schaduw. Drie minuten praktijk vertellen meer dan ik in woorden kan neerzetten.



BETWEEN THE SHADOW AND THE SOUL

I do not love you as if you were salt-rose, or topaz,
or the arrow of carnations the fire shoots off.
I love you as certain dark things are to be loved,
in secret, between the shadow and the soul.

I love you as the plant that never blooms
but carries in itself the light of hidden flowers;
thanks to your love a certain solid fragrance,
risen from the earth, lives darkly in my body.

I love you without knowing how, or when, or from where.
I love you straightforwardly, without complexities or pride;
so I love you because I know no other way

than this: where I does not exist, nor you,
so close that your hand on my chest is my hand,
so close that your eyes close as I fall asleep.

Pablo Neruda

Bogdanov-Belsky, Nikolai (1868-1945) – 1910 Symphony (Private Collection)
Tussen de schaduw en de ziel

Ik hou niet van je alsof je zoutroos bent, of topaas,
of de pijl van anjers die het vuur afschiet.
Ik hou van je zoals van bepaalde duistere dingen moet gehouden worden,
in het geheim, tussen de schaduw en de ziel.

Ik hou van je als de plant die nooit bloeit
maar het licht van verborgen bloemen in zich draagt;
dankzij jouw liefde een zekere vaste geur,
opgestaan uit de aarde, duister in mijn lichaam.

Ik hou van je zonder te weten hoe, of wanneer, of van waar.
Ik hou van je zonder omwegen, zonder ingewikkeldheden of trots;
dus ik hou van je omdat ik geen andere manier ken

dan deze: waar ik niet besta, noch jij,
zo dichtbij dat jouw hand op mijn borst mijn hand is,
zo dichtbij dat je ogen dichtvallen als ik in slaap val

Tussen de schaduw en de ziel.

Pablo Neruda

Westrn Gallery Nancy Holt Between Heaven and Earth

De schaduw betekent in de jungiaanse psychologie het deel van het onbewuste, bestaande uit verdrongen zwakheden, tekortkomingen en instincten. Het is een van de drie meest herkenbare archetypen, de andere zijn de anima en animus, en de persona.
De schaduw en creativiteit

"Iedereen draagt een schaduw", zei Jung, "en hoe minder hij is belichaamd in het bewuste leven van het individu, des te zwarter en dichter hij is."Het kan echter ook beschouwd worden als een verbinding met de primitieve dierlijke instincten, die tijdens de vroege kinderjaren door de bewuste geest vervangen zijn. Vandaar dat Jung de schaduw ook met creativiteit in verband brengt. Een beschaafd mens onderdrukt deze dierlijke neigingen, maar dit gaat ten koste van de spontaneïteit, creativiteit, gevoeligheid en inzicht. Dit reservoir van duisternis herbergt dus ook bronnen waaruit de scheppende kunstenaar zijn inspiratie haalt. Inspiraties zijn altijd het werk van de schaduw en een leven zonder schaduw zou saai en oppervlakkig zijn. (Wikipedia)
Foto door drmakete lab

Het ‘onmenselijke’ en ‘deprimerende’ van de wereld op haar climax van zichtbaarheid, waardoor ze zo onherbergzaam als een woestijn schijnt te worden, is hiervan het gevolg, dat ze haar schaduw en daarmee haar ‘ziel’, haar meerwaarde, heeft opgeslokt, waardoor het surplus aan betekenis dat zij aan de mens gewoonlijk te raden en te denken overlaat nu met haar eigen betekenis samenvalt. Het licht van de middag is dodend en verslindend, omdat het de dingen - en daarmee ook de mens, die hun bewustzijn is - absoluut met zichzelf identificeert, hun elke marge van onbepaaldheid ontneemt, hen belet hun betekenis in het ongewisse te houden. Het zonlicht van de zomerse zuidelijke middagen brengt een ‘essentialisatie’ teweeg bij de dingen: het voltooit hun beweging van verschijnen uit het donker van de nacht, maar werkt juist daardoor verstenend, immobiliserend, vereeuwigend.

Ton Lemaire: De filosofie van het landschap

Foto door Frank Cone


“There is no generally effective technique for assimilating the shadow. It is more like diplomacy or statesmanship and it is always an individual matter. First one has to accept and take seriously the existence of the shadow. Second, one has to become aware of its qualities and intentions. This happens through conscientious attention to moods, fantasies and impulses. Third, a long process of negotiation is unavoidable.” (Carl Jung)

“Er is geen algemeen effectieve techniek om de schaduw te assimileren. Het lijkt meer op diplomatie of staatsmanschap en het is altijd een individuele zaak. Eerst moet je het bestaan van de schaduw accepteren en serieus nemen. Ten tweede moet men zich bewust worden van zijn kwaliteiten en bedoelingen. Dit gebeurt door gewetensvolle aandacht voor stemmingen, fantasieën en impulsen. Ten derde is een lang proces van onderhandeling onvermijdelijk.” (Carl Jung)
Foto door Javier Gonzalez

Honderd jaar slapen, bespraakt en besproken

Een vrolijke boodschap deze morgen in de mailbus. Bij de bovenstaande foto: ‘Doornroosje weer te zien na groot onderhoud.’

Voor het eerst sinds de opening in 1952 kun je helemaal rondom het kasteel van de Schone Slaapster wandelen. 

En gaat het hier in het bekende sprookjespark ‘De Efteling’ natuurlijk over- wij citeren-

‘Voor de stimulering van de biodiversiteit in het bos zijn een aantal bomen weggehaald. Hiervoor in de plaats zijn verschillende andere bomen geplant. Ook is de vijver een stuk vergroot en zijn er watervallen toegevoegd.’

Toch zagen wij in onze perfide ideeën dat groot onderhoud wel degelijk aan de sprookjesfiguren, incluis de inhoud van het bekende verhaal.

‘Flaming June’. Frederic, Lord Leighton. 1895
Frederic, Lord Leighton schilderde zijn meesterlijke Flaming June rond 1895. Het is een beeld van een onschuldige, slapende vrouw in een oranje, doorschijnende jurk waaronder haar vrouwelijke vormen voorzichtig worden bloot gegeven. De bank waarop ze ligt is bekleed met kussens en rode doeken, op de achtergrond de glinstering van de zon in de zee. Met de weelderige lijnen en warme zonnige kleuren is dit schilderij een voorbeeld van Leightons voorliefde voor klassieke schoonheid en harmonie. 

(Tekst: Kunstmuseum Den Haag, schilderij nu Museo de Artre de Ponce)
Edward Coley Burne Jones. The Sleeping Beauty

Charles Perrault beschreef de schone slaapster als ‘la belle au bois dormant‘, waarbij je je kon afvragen hoe zo’n bois dormant eruit zag terwijl de gebroeders Grimm het over ‘Dornröschen’ hebben, een meisje dat zich in slaap zou prikken.

En…de jaren kwamen, de jaren gingen, de rozen groeiden en groeiden. Honderd jaar slapen.
Marja Pruis schrijft in de Groene Amsterdammer van 18 juli 2012 :

'Een vrouwenlichaam kan een man verleiden om een duivelse wereld binnen te treden. Dat heb ik niet verzonnen, maar dit schreef de Japanse schrijver Yasunari Kawabata in zijn roman Nemureru bijo (1961), in 1968 vertaald door C. Ouwehand als De schone slaapsters, laatstelijk bij Meulenhoff uitgegeven als ‘moderne classic’ (1987). In het nawoord schrijft de vertaler overigens dat de romantitel in een letterlijke vertaling De slapende schonen had moeten luiden. In overleg met de auteur had hij besloten tot De schone slaapsters, immers ‘voor de westerse lezer een bekend motief.’

Op de achterflap van het boek ‘De Schone Slaapsters’ van Yasunari Kawabati

Kawabata is een van de meest geprezen en geliefde Japanse auteurs van de twintigste eeuw en winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur

In een ingetogen, poëtische stijl onderzoekt Yasunari Kawabata in De schone slaapsters de grens tussen fantasie en realiteit in de gedachten van de oude heer Eguchi.

Met een belofte om de regels van het huis te volgen begint Eguchi zijn leven als lid van een geheime club van oudere mannen. In een herberg in de buurt van Tokyo geven ze toe aan een laatste pleziertje: de nacht doorbrengen naast een prachtig, jong, slapend meisje. Eguchi raakt verslaafd aan deze bezoekjes en fantaseert erover de regels te verbreken. Naarmate het verhaal vordert blijkt steeds duidelijker dat de erotische spanning, die zorgvuldig wordt opgebouwd, in het teken staat van de naderende dood. Uitgegeven door Meulenhoff Boekerij B.V.

Slaap en dood, ouderdom en eenzaamheid zijn de belangrijkste thema’s van deze indrukwekkende roman.

De verwantschap van erotiek, slaap en dood wordt door Kawabata met enkele verrassende ontwikkelingen aan het licht gebracht.
Voor oude mannen is die verwantschap niet
 bijzonder, zij beseffen immers dat in alles wat zij zijn de dood nabij is. Kawabata laat dat Eguchi even kort als krachtig verwoorden: ‘Oude mannen zijn buren van de dood.’(Hans van der Heijde)





Doornroosje


Houthakkers, die zich in het bosch verklikken.
Slooten, die op hun bodem staan te roesten.
Je eigen in de hoogte hooren hoesten.
Een edelhert met plotselinge schrikken.

Spechten, als zachte mitrailleuren, tikken
tegen de honderd jaar in eikenknoesten.
Dat wij elkander tegenkomen moesten
was te voorzien met langgeworden blikken.

Hier is het uur. Op deze ronde plek
heeft het tusschen ons plaats, een vuur,
dat niet verglaast. De groene diepte drinkt.

Terwijl de stilte verder openspringt,
met boomen van verbazing opgewekt,
omklemmen wij het eeuwig avontuur.


Gerrit Achterberg
In: Doornroosje (1947).

Foto door Alexandru Cojanu op Pexels.com

Doornroosje,

Je kent me niet.
Ik ben een prins – de prins – die jou wakker zal kussen.
Ik kom naar je toe.
Je slaapt negenennegentig jaar. Je moet, volgens het sprookje waarin je slaapt, nog één jaar slapen. (Maar je sprookje kan het heel goed mis hebben.)
Ik weet niet waar je woont en ik weet helemaal niet waarom ik je wil wakker kussen. Als je wakker bent zal ik, volgens de wetten van sprookjes en legendes, met je moeten trouwen, en wil ik dat wel, wil jij dat wel?
Ik vermoed dat ik je wakker móét kussen. Mijn wil staat daarbuiten. (Ik weet trouwens van niets zo weinig als van mijn wil.)
Je slaapt, dus je kunt deze brief niet lezen.
Ik schrijf alsof je hem wel kunt lezen.

Toon Tellegen uit ‘ Brieven aan Doornroosje’

 In 365 brieven schildert de prins het openhartige zelfportret van een tobber, maar een tobber met een rijke verbeelding en een goed gevoel voor de absurditeiten van het sprookjesleven. Deze eigenschappen voorkomen dat de brieven gaan vervelen, al is het waarschijnlijk geen goed idee om ze allemaal achter elkaar te lezen. De prins schreef zijn Brieven aan Doornroosje beetje bij beetje, en het resultaat laat zich ook het prettigst beetje bij beetje lezen. Wie vanaf vandaag één brief per dag leest, heeft over een jaar de bladzijde bereikt waarop de prins eindelijk zelf eens post krijgt. (Literair Nederland)

Meestal is slapen in je kindertijd een opdracht die volbracht moet worden om mooie dagen en gebeurtenissen te bereiken: nog drieëndertig keer slapen. Slapen als kind is een uitzonderlijke genade. Een slaapje als tijdseenheid (in de auto) tussen het huis van opa en oma en je eigen thuis. Het overbruggen van afstanden.Slapen moet altijd te vroeg, net zoals opstaan als je ouder wordt. Een mooie versie van Doornroosje uit Sesamstraat wil ik je niet onthouden.




Doornroosje is een sprookje van dood, slaap en opwekking uit de slaap. De roos is steeds een geheimzinnig beeld, enerzijds de liefde, anderzijds het dodende van de dorens. Over de betekenis van het sprookje is in de loop der tijd veel geschreven. Het sprookje wordt geduid als het verhaal van de levenscyclus: het jaarritme en de zonnecyclus. Opvallend hierbij is dat vooral wordt uitgegaan van de Grimm versie en deze min of meer als oerversie wordt beschouwd, terwijl zowel Grimm als Perrault in hun tijd een stevige literaire en inhoudelijke redactie aanbrachten. Vooral het seksuele motief uit oudere versies is door beiden geheel weggelaten.

Meer psychologische interpretaties zien in het sprookje het rijpingsproces van een jong meisje uitgebeeld. Tijdens de puberteit (de honderdjarige slaap) schermt ze zich af tegen het mannelijk geslacht (de doornhaag) en ontwikkelt ze zich tot vrouw. Men kan er ook meer in het algemeen het rijpingsproces van de menselijke ziel in zien, waarin tegenslagen zowel kunnen leiden tot desoriëntatie en inactiviteit als tot grotere kracht. In een aantal sprookjes/mythologieën komt het spinnewiel voor als symbool van het rad van Fortuin.
(Volksverhalen Almanak )

Lees meer:

https://www.beleven.org/verhaal/doornroosje

Edward F. Brewtnall (1546-1902) Sleeping Beauty

Dichtbij het grote slapen
ontdekken
dat ontwaken in letters
en het smaken van verten
de ware ogen wekken.
[The Prince arrives at the castle]. Walter Crane, RWS (1845-1915). Engraved and printed in colour by Edmund Evans. The Sleeping Beauty, pp. 4-5. 1898 ed., but the tale with these illustrations was originally published separately by Routledge in 1876.

De reacties hieronder zijn door hun bleekheid moeilijk leesbaar.  Wil zo goed zijn er even met je cursor over te gaan zodat ze leesbaarder worden.  We zoeken een betere oplossing!

Voorlezen en verbeelding (Reading aloud and imagination)

Jales Jebusa Shannon (1862-1923) ‘Jungle Tales’ 1895

Shannon studied in London during the 1880s and remained there, enjoying success as a society portraitist and figure painter. (In 1922 he renounced his United States citizenship in order to accept a knighthood.)
"Jungle Tales" portrays the artist’s wife reading to their daughter, Kitty, shown in profile, and another child. The painting’s title and date and its London origin suggest that the little group is captivated by Rudyard Kipling’s Jungle Book, which had appeared in 1894. The intensely realistic faces contrast with the decorative patterns of the dottedmuslin and lace costumes and the elaborate design on the brilliant blue backdrop.

Mother and Child (Lady Shannon and Kitty)-1929

And Yet the Books

And yet the books will be there on the shelves, separate beings,
That appeared once, still wet
As shining chestnuts under a tree in autumn,
And, touched, coddled, began to live
In spite of fires on the horizon, castles blown up,
Tribes on the march, planets in motion.
“We are,” they said, even as their pages
Were being torn out, or a buzzing flame
Licked away their letters. So much more durable
Than we are, whose frail warmth
Cools down with memory, disperses, perishes.
I imagine the earth when I am no more:
Nothing happens, no loss, it’s still a strange pageant,
Women’s dresses, dewy lilacs, a song in the valley.
Yet the books will be there on the shelves, well born,
Derived from people, but also from radiance, heights.
Berkeley, 1986
Czeslaw Milosz, translated by Czeslaw Milosz and Robert Haas

Reading Aloud by Hanna Hirsch-Pauli, public domain

En toch de boeken


En toch zullen de boeken daar op de planken staan, aparte wezens,
Die ooit verschenen, nog nat
Als glanzende kastanjes onder een boom in de herfst,
En, aangeraakt, vertroeteld, begonnen te leven
Ondanks branden aan de horizon, opgeblazen kastelen,
Stammen in opmars, planeten in beweging.
"Wij zijn," zeiden ze, zelfs als hun pagina's
werden uitgescheurd, of een zoemende vlam
hun letters weglikte, zoveel duurzamer
Dan wij, wiens broze warmte
Afkoelt met de herinnering, zich verspreidt, vergaat.
Ik stel me de aarde voor als ik er niet meer ben:
Er gebeurt niets, geen verlies, het blijft een vreemd schouwspel,
Vrouwenjurken, bedauwde seringen, een lied in de vallei.
Toch zullen de boeken daar op de planken staan, welgeboren,
Van mensen afgeleid, maar ook van uitstraling, hoogten.
William Oliphant Hutchison. (1889-1970). Reading Aloud, Margery and the Boys (The Fleming Collection)

En neen, er moeten niet altijd ‘prentjes’ in, hoe fraai en inspirerend ook. Kijk maar. De begeleidende tovenaar echter..

“Reading aloud recaptures the physicality of words. To read with your lungs and diaphragm, with your tongue and lips, is very different than reading with your eyes alone. The language becomes a part of the body, which is why there is always a curious tenderness, almost an erotic quality, in those 18th- and 19th-century literary scenes where a book is being read aloud in mixed company. The words are not mere words. They are the breath and mind, perhaps even the soul, of the person who is reading.

No one understood this better than Jane Austen. One of the late turning points in “Mansfield Park” comes when Henry Crawford picks up a volume of Shakespeare, “which had the air of being very recently closed,” and begins to read aloud to the young Bertrams and their cousin, Fanny Price. Fanny discovers in Crawford’s reading “a variety of excellence beyond what she had ever met with.” And yet his ability to do every part “with equal beauty” is a clear sign to us, if not entirely to Fanny, of his superficiality.”

Verlyn Klinkenborg. The New York Times. May 16, 2009

Albert Anker Voorlezen voor opa

Hardop lezen brengt de lichamelijkheid van woorden terug. Lezen met je longen en middenrif, met je tong en lippen, is heel anders dan lezen met je ogen alleen. De taal wordt een deel van het lichaam en daarom is er altijd een merkwaardige tederheid, bijna een erotische kwaliteit, in die 18e- en 19e-eeuwse literaire scènes waarin een boek wordt voorgelezen in gemengd gezelschap. De woorden zijn niet louter woorden. Ze zijn de adem en de geest, misschien zelfs de ziel, van de persoon die aan het lezen is.

Niemand begreep dit beter dan Jane Austen. Een van de late keerpunten in Mansfield Park is wanneer Henry Crawford een boek van Shakespeare oppakt, “dat eruit zag alsof het zeer recentelijk was gesloten”, en hardop begint voor te lezen aan de jonge Bertrams en hun nichtje Fanny Price. Fanny ontdekt in Crawfords voordracht “een variëteit van uitmuntendheid die ze nog nooit had gezien”. En toch is zijn vermogen om elk deel “met gelijke schoonheid” te doen voor ons een duidelijk teken, zo niet helemaal voor Fanny, van zijn oppervlakkigheid.

Verlyn Klinkenborg. The New York Times. May 16, 2009

Moritz Unna Denemarken ‘A Schoolmaster Reading Aloud a Letter to an Old Couple from Their Son Abroad

De voortreffelijke voorlezer-verteller is bijna uitgestorven. Lezers nemen gretig bezit van een verhaal, je hoort ze gniffelen of zuchten, ze schudden wel eens het moeë hoofd, maar de zeldzame voorlezer-verteller is als een volleerde schenker bereid tot meedelen. Een goede voorlezer houdt van stilte. Hij of zij begint met een leeg theater waar niet alleen de personages maar ook de luisteraar(s) thuis horen. De voorlezer wacht geduldig, kijkt over het boek naar de luisteraars en geeft dan enkele zinnen prijs en zwijgt nog ietsje langer. Dat is een techniek die ‘in de lucht hangen’ heet. Er hangt bijvoorbeeld spanning in de lucht of een raadsel, ook een niet gehouden belofte of een afgesproken handeling. Hij bundelt die onzekerheid met een slecht karakter, een nog onduidelijk gevaar en zwijgt weer even. Tijd voor de mengeling van ingrediënten. Bekwame voorlezers kiezen dan voor de onverwachte hoek, ongeschoolden doen het door met de deur in huis te vallen of moeten het van bliksemschichten en monstergegrol hebben.

Volleerde voorlezers slagen er zelfs in het middelmatige boek te verlaten en het eerder flauwe verhaal tot een heus raadselachtig sprookje om te bouwen.
Toen ik als kind mijn voorleesboeken terugvond, leken het onbekende slappe aftreksels van wat diep in mijn geheugen door de vertellende opa geborgen was.

De voortreffelijke voorlezer laat zich leiden. Niet dat hij op de verwachtingen en goedkope voorstellen van de luisterenden ingaat. Integendeel. Je laten leiden is net het tegenovergestelde van het verwachte debiteren. Op het juiste moment. Voorlezers die dat doen zijn later in menig politiek halfrond terug te vinden. Diep in elke luisteraar is het gemene knulletje thuis. Het ventje denkt op voorhand de afloop van elk verhaal te kennen, en na driehonderd sessies is dat ook niet verwonderlijk. Maar de goede voorlezer geeft er telkens een ferme draai aan. Niet te bruut, integendeel. Het gemene is meestal erg verzorgd. De voorlezer mag dus best zijn afkeuring laten horen maar een grammetje of tien gegniffel om de held die met de smoel in het vervuilde slotwater valt kan zeker nog door de spreekwoordelijke beugel.

Het zal je dus niet verwonderen dat ik na de dood van de heerlijke vertellende opa jaargangen van de Kempische Kippenkweker heb gevonden waar hij prachtige verhalen van had gemaakt die voortdurend van inhoud waren veranderd. De kennis van de succesvolle rassen, de Leghorn en Blue de Landes, heb ik pas op latere leeftijd ontdekt. Net op tijd om een kippenhokje te bouwen en mij van voedzame eieren en vlees te voorzien. Stel je voor dat het oorlog zou worden.

Padua-hen (kun je als schrijver niet bedenken!)

The exquisite read-aloud narrator is almost extinct. Readers eagerly take possession of a story, you can hear them chuckle or sigh, they sometimes shake their tired heads, but the rare pre-reader-teller is ready to share like a consummate giver. A good pre-reader loves silence. He or she starts with an empty theatre where not only the characters but also the listener(s) belong. The pre-reader waits patiently, looks across the book at the listeners and then reveals a few sentences and remains silent a little longer. This is a technique called ‘hanging in the air’. There is tension in the air, for example, or a riddle, also an unkept promise or an agreed action. He bundles that uncertainty with a bad character, a still unclear danger and shuts up again for a while. Time for the mixture of ingredients. Skilled readers then opt for the unexpected angle, unskilled ones do it by being straightforward or have to make do with lightning bolts and monster snarls.

Perfect read-alouds even manage to leave the mediocre book and turn the rather bland story into a real enigmatic fairy tale.
When I retrieved my read-aloud books as a child, they seemed to be unfamiliar bland excerpts of what had been salvaged deep in my memory by the narrating grandfather. Therefore, hide the children’s books you read aloud to avoid trauma and today’s abundant backpacks.

The exquisite pre-reader allows himself to be guided. Not that he acts on the expectations and cheap suggestions of the listeners. On the contrary. Being led is just the opposite of expected debating. At the right time. Readers who do that can later be found in many political arenas. Deep inside every listener is the mean little lad at home. The little guy thinks he knows the outcome of every story in advance, and after three hundred sessions, this is not surprising. But the good pre-reader gives it a firm twist every time. Not too brutal, on the contrary. The nastiness is usually very neat. So the reader may well voice his disapproval but an ounce or ten of chuckle at the hero falling with his mug in the polluted final water can certainly still pass the proverbial test.

So it won’t surprise you to learn that after the death of the delightful storytelling grandfather, I found annual issues of the ‘Kempische Kippenkweker'(Kempen chicken grower) from which he had produced wonderful stories that had constantly changed content. I only discovered the knowledge of the successful breeds, the Leghorn and Blue de Landes, later in life. Just in time to build a chicken coop and provide me with nutritious eggs and meat. Imagine if it went to war.

Gmt (Thank you DeepL)

‘Cautiously Optistic’ (or Chicken|Man) Ron Mueck

Een zachter regel

Edvard Munch – Four Women in the Garden, 1926


Spraakzaam in de spreuken


In het dialekt van een mus hoor ik
mijn moeder roepen; verdwaald tussen
de bloemen moet ik haar zoeken. Purper
valt haar mantel op het koningskruid.

Zij is mijn moeder: hoe bedrijvig
waren de mieren in het handwerk
van haar vreugde.

Ik heb mij vaak in haar huis betrapt.

In niets werd zij misleid: aan de wijnkleur
van de daken was de liefde te herkennen.

Nog wiedt zij een hemel van kers
en radijs, op zachte knieën maakt zij
onderscheid tussen waarheid en leugen.
En waar zij van loutere goedheid spreekt,
wordt haar tong met laurier bedekt.

Een zachter regel heeft de liefde niet.

Gwij Mandelinck (1937-2024)
Uit: De wijzers bij elkaar (1974)
Moeder en dochter in de tuin. Edvard Munch 1920

Mandelinck was de vader van de journalist en schrijver Jan Haerynck (1964-2023) en van de kinderimmunoloog Filomeen Haerynck (1972). Zijn pseudoniem komt van de rivier de Mandel die te Wakken in de Leie vloeit. Paul Snoek zou hem hebben opgedragen een pseudoniem te kiezen, omdat die één vissennaam in de Vlaamse literatuur wel genoeg vond.

Hij overleed op 5 april 2024 (Wikipedia)


Schemerzone

Dat er sterren
 
Dat er sterren boven ons gespijkerd staan,
 het gehamer aanhoudt in ons hoofd;
 dat de wereld ons te buiten gaat alsof men
 op het kookpunt van het water naar
 
 ons fluit; dat wij van dorst vergaan,
 er dode vissen op de rugkant drijven;
 dat je een hand verheft die voor een zee van
 tijd het zoute van het zoete water scheidt.

Gwij Mandelinck
Douviehoeve Kunstenfestival Watou foto: Onzekopthee. Leny & Chris

In liefdevolle herinnering?
Zou het kunnen dat het een te verwerven kunst is, liefdevol herinneren?
Wacht.
Je moet een stapje achteruit zetten, weg uit de spiegeling van jezelf.
Weg van wat anderen je hebben gezegd wat liefdevol was en wat niet.
Dat is een grote stap.
Uit de cirkel van het geraas en gemurmel.
Uit de koepel van nu naar de aanwezigheid van toen.
Tussen Proust die het verleden opnieuw wil beleven en Walter Benjamin het verleden als voorteken van wat er nog moet gebeuren ontleedt. Je kunt beiden idealiseren of verdoemen. Het nu als de ellendige plaats van een verloren paradijs of een verdoemd voorteken van rampen allerlei.


Hannah Arendt omschrijft de eindigheid van de mens als iets dat onherroepelijk gegeven is door de korte duur die we doorbrengen binnen de oneindige tijd. Zij strekt zich oneindig ver uit naar het verleden, en in tegenovergestelde richting, oneindig ver naar de toekomst. Zodra we met onze geboorte de ruimte van de wereld binnenkomen, zijn we ook in de tijd. We herinneren, we verzamelen en, zoals Augustinus dat zegt: we halen uit de buik van het geheugen terug wat niet meer tegenwoordig is. We denken echter niet alleen na over het verleden, over wat is geweest, we denken ook vooruit de toekomst in en maken plannen voor wat nog niet is. (De herinnering en de herhaling, (Heidi Dorudi)




We mogen niet vergeten dat een herinnering zich altijd in het heden afspeelt. We mogen niet vergeten dat telkens wanneer we een herinnering oproepen, die aan verandering onderhevig is, maar we mogen ook niet vergeten dat er in het kielzog van die veranderingen waarheden kunnen komen bovendrijven.

En:

Iedereen zeult zijn verleden met zich mee naar een stoel en gaat naast iemand zitten die haar verleden ook bij zich heeft – moeders en vaders en tantes en ooms en vrienden en vijanden en geboorteplaatsen en wegen en brievenbussen en straten en etentjes en wolkenkrabbers en bushaltes zijn allemaal aanwezig in de gebeurtenissen die hem of haar zijn bijgebleven omdat ze pijn of plezier of angst of schaamte veroorzaken.

(Uit: Siri Hustvedt, Herinneringen aan de toekomst.)

Herinneringen aan de tuin van Etten. Vincent van Gogh (Ladies of Arles) 1888

Die ene mooie versregel ‘Een zachter regel heeft de liefde niet’ uit het gedicht ‘Spraakzaam in de spreuken’ van de gisteren overleden dichter Gwij Mandelinck was de aanleiding om het mysterieuze van herinneringen en verwachtingen te belichten, en de betovering ervan te smaken. Elke kunstwerk kan andere woorden en beelden oproepen, biedt plaats aan onze eigen ervaringen, en schenkt het niet altijd troost, het verzekert ons dat we niet alleen zijn met onze herinneringen en verwachtingen maar wij bij elkaar kunnen te rade gaan met de zekerheid dat ons verblijf in de tijd steeds weer door vroeger en later gedragen wordt. Wij zijn niet tijdelijk maar met velen van gisteren en morgen in de tijd. ‘Een zachter regel heeft de liefde niet.’

Laten wij zacht zijn voor elkaar.

Twee jongetjes, kunstwerk van Clemens Bierings.

Het werk ‘Mother and Child gardening’ bij de titel is van de Amerikaanse schilder Frederick Carl Gottwald 1858-1941