Macht en onmacht verbeeld en beletterd (3): De mantel van barmhartigheid

Simone Martini. circa 1310. Pinotheca Siena 154 x 84cm
De Madonna van Barmhartigheid is een christelijke iconografie waarin de Maagd Maria de gelovigen - en symbolisch de hele mensheid - beschermt onder haar open mantel. Dit picturale schema heeft middeleeuwse wortels en verspreidde zich voornamelijk onder de Broederschappen van Barmhartigheid.
De Madonna wordt meestal staand afgebeeld, met haar mantel geopend door engelen of door haar armen, om de gelovigen die eronder knielen te verwelkomen, die bijna altijd op een kleinere schaal worden afgebeeld. De periode van maximale populariteit was de 15e eeuw, maar er zijn nog enkele voorbeelden te vinden tot in de barok.

[de liefde] bedekt alle dingen,
zij gelooft alle dingen,
zij hoopt alle dingen,
zij verdraagt alle dingen.

1 Kortinthe 13:7
Domenico di Michelino, Madonna degli innocenti, 1440, Ospedale degli Innocenti, Firenze

The scene takes place before the portico of the hospital, a well-known architectural monument designed by Filippo Brunelleschi and completed in 1426. The arcade of rounded arches draws on the heritage of classical antiquity to confer a gravitas to the institution and its work. The roundels shown in the painting as empty were filled in 1487 with terracotta figures of swaddled infants made by Andrea della Robbia. The Ospedale was founded by the Prato merchant, Francesco Datini, with his legacy of one thousand florins in 1419. In his will he wrote: “…in order to increase the alms and devotions of citizens, rural dwellers, and others who have compassion for the boys and girls called ’throwaways’ and so that these little children shall be well fed, educated and disciplined.” (Gavitt, 1990, p. 52)

De scène speelt zich af voor de portiek van het ziekenhuis, een bekend architectonisch monument ontworpen door Filippo Brunelleschi en voltooid in 1426. De arcade van ronde bogen put uit het erfgoed van de klassieke oudheid om een status te verlenen aan de instelling en haar werk. De ronde bogen die op het schilderij leeg lijken, werden in 1487 opgevuld met terracotta figuren van gewikkelde baby’s gemaakt door Andrea della Robbia. Het Ospedale werd gesticht door de koopman van Prato, Francesco Datini, met zijn erfenis van duizend florijnen in 1419. In zijn testament schreef hij: “…om de aalmoezen en devoties te vermeerderen van burgers, plattelandsbewoners en anderen die medelijden hebben met de jongens en meisjes die ‘weggeworpenen’ worden genoemd en zodat deze kleine kinderen goed gevoed, opgevoed en gedisciplineerd zullen worden.” (Gavitt, 1990, p. 52)

Andrea della Robbia. Ospedale degli Innocenti. terracota reliëf

In de linkerhoek van de zuilengang zie je nog de oude vondelingentrommel, la ruota dei gettatelli zoals de Florentijnen zeggen. (‘de trommel van de verworpelingen’). Tussen 1419 en 1875 konden vrouwen hier ongewenste kinderen in een trommel leggen. Omdat de trommel twee verdiepingen had kon de vrouw het kindje aan de straatzijde in de trommel leggen, terwijl de andere zijde gesloten was. Wanneer zij de trommel draaide, kon men binnen in het gebouw het kindje oppakken. Op deze manier werd het kind onmiddellijk doorgegeven aan de relatieve veiligheid van het ziekenhuis terwijl de identiteit van de ouder gewaarborgd bleef en zij ongezien en anoniem het kind kon achterlaten. (Italië uitgelicht)

In the left corner of the colonnade, you can still see the old foundling drum, la ruota dei gettatelli as the Florentines say. (‘the drum of the reprobates’). Between 1419 and 1875, women could put unwanted children in a drum here. As the drum had two floors, the woman could place the baby in the drum on the street side, while the other side was closed. When she turned the drum, people inside the building could pick up the baby. In this way, the child was immediately passed to the relative safety of the hospital while the identity of the parent was guaranteed and she could leave the child unseen and anonymous. (Italy highlighted)

Nu afgesloten trommel waarvan sprake. Firenze was niet de enige stad met een weeshuis, maar wel de eerste. Duizenden baby’s werden hier achtergelaten en het gebouw is nog steeds als zodanig in gebruik. Al wonen er nu nog maar een paar kinderen.

Een van de aangrijpendste versjes van Annie M.G. Schmidt is Het girafje dat niets zag. Het gaat over een ruzie tussen drie kleine wezeltjes en een girafje op weg naar Hilvarenbeek. Ze komen langs een muurtje en aangezien het girafje de enige is die daar overheen kan kijken, vragen de wezeltjes telkens aan het girafje wat daar te zien is, ondertussen de wildste fantasieën koesterend over bloemen, blauwe konijnen, prinsen en draken. Het girafje werpt een blik, tuurt oneindig lang en ver, gaat nog eens extra op zijn tenen staan, maar helaas, iedere keer moet hij zijn reisgenoten teleurstellen. Er is niéts te zien. Het girafje wordt uiteindelijk achtergelaten door de boze wezeltjes: «en dat staat nu heel z’’n verdere leven/ treurig te zwijgen/ en denkt bij z’n eigen:/ Er was toch echt niéts». (Marja Pruis Mantel der Liefde De Groene Amsterdammer)

Juan de Nalda, Vergine della Misericordia, c. 1500, olio su tavola, cm 157×75
Onder mijn mantel is niets dan God.
Bayazid

Hans: Onder mijn mantel is niets.
Ayah: En God dan?
Hans: God is niets dan mijn mantel.
Giovanni da Gaeta, mater Misericordiae, 1448, tempera su tavola, cm 215×137, Wawel Castle, Cracovia
 Aanwezigheid

Gij zijt bij mij den nacht, den dag, den nacht.
Eens hebt gij het heelal mij toegedacht,
maar dat is tot dit lichaam teruggebracht.
Gelijk de wind die om de huizen is,
zoo zijt gij mij een wenscheloos gemis.
Ik heb u lief, het is zooals het is.


Gerrit Achterberg uit de bundel 'Morendo' (1944)
Galezzo Camp, Madonna delle Misericordia. XVI seculo


Alie Swillens is 77 jaar en verzorgt al jaren haar moeder die bijna 100 jaar is. Eerst was dat een dag in de week, maar geleidelijk aan is dat de hele week geworden. Samen met haar man Jan (80) wonen ze nu permanent bij haar moeder in huis. Een dag in de week gaan zij naar hun eigen huis in Hoogvliet om de post op te halen. Naast het verzorgen van haar moeder, doet ze ook het huishouden. Alie vindt het een plicht om voor haar moeder te zorgen en haar een rustige oude dag te geven op haar vertrouwde stek, waar ze 80 jaar heeft gewoond. Een teder sterk document. Neem je tijd. (23’11”)

Alie Swillens is 77 years old and has been caring for her mother who is almost 100 for years. First it was one day a week, but gradually it became the whole week. Together with her husband Jan (80), they now live permanently at her mother's house. One day a week, they go to their home in Hoogvliet to collect the mail. Besides taking care of her mother, she also does the housework. Alie considers it a duty to care for her mother and give her a peaceful old age in her familiar place, where she has lived for 80 years. A tenderly strong document. Take your time. (23'11‘’)

Giovanni di Paolo, Madonna del manto, 1436

Een gesprek


"Waar zullen wij afscheid nemen?
"In de regen"
"Zullen wij schuilen?"
"Nee!"
"Hoe zullen wij ons voelen?"
"Ziek, vals en verlegen."
"Wat zullen wij zeggen?"
"Wij zullen het niet weten."
"Wat zullen wij denken? "
"Was het maar gisteren, morgen of nooit."
"Zal een van ons gelijk hebben?"
"Geen van ons zal gelijk hebben."
"Zullen wij elk een andere kant op gaan?"
"Wij zullen elk een andere kant op gaan.
""Zullen wij omkijken?"
"Een van ons zal omkijken. Stilstaan, aarzelen en omkijken"

Zo spraken ze tegen elkaar, telkens weer
opnieuw.
Maar zij vroegen nimmer wie. Wie
zou omkijken. Wie.

Toon Tellegen
Uit: Mijn winter
Querido Amsterdam 1987
Lippo memmi, madonna della misericordia, Chapel of the Corporal, Duomo, Orvieto.jpg

Geel

Als ze de zon
weer aanzetten dan plant ik er kinderen
onder, dan steek ik mijn ziel aan
met een lucifer en laat hem zingen, dan
neem ik mijn moeder en zeep haar in, dan
pak ik mijn botten en poets ze op, dan
stofzuig ik mijn verschraalde haar, dan
betaal ik alle erge schulden van mijn buren, dan
schrijf ik een gedicht dat Geel heet en
leg ik mijn lippen neer om het op te drinken, dan
voer ik mezelf lepels vol hitte en
iedereen zal thuis met zijn vleugels
zitten spelen en de planeet
zal schokken van al dat glimlachen en
er zal nergens vergif zijn, geen plaag
aan de hemel en er zal een moedersoep
zijn voor alle mensen en we zullen
nooit doodgaan, niet één van ons, we gaan door,
toch?

Anne Sexton.
Uit: In het diepe museum, uitgeverij Papieren Tijger 1988, gedichten uitgekozen en vertaald door Annemarie Slootweg
Lippo Memmi, Madonna dei Raccomandati, 1350-1360, tempera su tavola, Cattedrale di Orvieto

Yellow
BY Anne Sexton

When they turn the sun
on again I’ll plant children
under it, I’ll light up my soul
with a match and let it sing. I’ll
take my bones and polish them, I’ll
vacuum up my stale hair, I’ll
pay all my neighbors’ bad debts, I’ll
write a poem called Yellow and put
my lips down to drink it up, I’ll
feed myself spoonfuls of heat and
everyone will be home playing with
their wings and the planet will
shudder with all those smiles and
there will be no poison anywhere, no plague
in the sky and there will be a mother-broth
for all of the people and we will
never die, not one of us, we’ll go on
won’t we?
Girolamo di Giovanni, Madonna della Misericordia e i Santi Venanzio e Sebastiano, 1463, tempera su tavola, Pinacoteca e Museo Civici, Camerino

3 Poems from Kenyatta Rogers (USA)

Ik hoor je zuchten: ‘Jaja, in het wilde weg!’ En dat ‘wilde-weg’ mag je best noteren, of zou je tevreden zijn met ‘uitwaaieren’? Weg uit het besloten kamertje in je hoofd waar je nu al jaren lang… Of pleit ik gewoonweg voor ‘de associatie’ als denkoefening, als methodiek om met dat ‘associëren’ een poging te ondernemen om uit het muffe van mijn beperkt ego te ontsnappen? In het Anoniem Algemeen letterkundig lexicon wordt ‘associatie’ helder beschreven als:

associatie
Term uit de literaire kritiek, bekend geworden door S.T. Coleridge (1772-1834), waarmee wordt aangegeven dat ideeën of voorstellingen elkaar intuïtief kunnen oproepen in het bewustzijn. Vaak gaat het daarbij om woorden of woordgroepen die dat verband bereiken door formele of semantische (deel)overeenkomsten. Zo kan een deelvoorstelling een geheel oproepen, zoals in de stijlfiguur van het pars pro toto. Een zintuigelijke waarneming kan verbonden worden met iets uit het verleden. Daarbij kan men denken aan de madeleine van Proust, het bekende cakeje waaraan Marcel Proust in zijn roman À la recherche du temps perdu (1913-1927) een hele reeks associaties hecht.

In al deze gevallen krijgt een woord of tekstgedeelte een connotatieve (connotatie) meerwaarde, hetzij door de auteur expliciet bewerkstelligd, hetzij door de lezer (bijv. door invulling van een open plek) als zodanig gerecipieerd. Dergelijke associaties ontstaan doorgaans  door de suggestieve werking van de tekst.
Wassily Kandinsky Komposition VIII, 1923, Solomon R. Guggenheim Museum, New York

En hoe doet dichter Kenyatta Rogers dat?


But Kenyatta Rogers is a poet with a wonderful sense of flow. My favorites among his poems tend to be associative, with connective tissue that's more intuitive than logical. To write a poem of this sort requires a highly attuned awareness of balance, and an acceptance of the fact that sometimes the poem wants to become something greater than even the creator might anticipate.

Rogers has these qualities in full. The work I've chosen to include is one of my favorite list poems - versatile, funny, challenging and saddening by turns. With Rogers, you never quite know what you're going to get – but the surprise is always welcome.



Maar Kenyatta Rogers is een dichter met een heerlijk gevoel voor flow. Mijn favorieten onder zijn gedichten zijn over het algemeen associatief, met bindweefsel dat meer intuïtief dan logisch is. Om zo’n gedicht te kunnen schrijven, moet je heel evenwichtig zijn en accepteren dat het gedicht soms iets groters wil worden dan zelfs de maker kan verwachten.

Rogers heeft deze kwaliteiten ten volle. Het werk dat ik heb gekozen om op te nemen is een van mijn favoriete lijstgedichten – veelzijdig, grappig, uitdagend en bij vlagen droevig. Met Rogers weet je nooit precies wat je gaat krijgen – maar de verrassing is altijd welkom.

(Muzzle Fall 24)


Ars Poetica

Poems are bullshit unless they are broken  

like a horse, like a dog kicked in the ribs,  

Like your favorite toy that’s missing an arm.

Love can make you feel used. 

I want the poem that limps back to me. 

Poems should hurt like love,

like ice water on your teeth 

like a massage to smooth out a cramped muscle.

Give me the poem that’s like leather. 

Give me the poem that smells like gasoline.

I want a poem that is a warning,

a poem that makes me check to see

if I left the shotgun by the door, 

a poem that’s a runny nose, a sneeze, a poem

that’s the moment the sky turns green.

Kenyatta Rogers (USA)

Copyright © 2024 by Kenyatta Rogers. Originally published in Poem-a-Day on November 20, 2024, by the Academy of American Poets.

Wassily Kandinsky Der Blaue Reiter, 1903. (part.Coll.)
Ars Poetica

Gedichten zijn onzin tenzij ze gebroken zijn
als een paard, als een hond die in de ribben is geschopt,
Als je favoriete speeltje dat een arm mist.

Liefde kan je gebruikt laten voelen.
Ik wil het gedicht dat terug hinkt naar mij.
Gedichten moeten pijn doen zoals liefde,
als ijswater op je tanden
als een massage om een verkrampte spier glad te strijken.

Geef me het gedicht dat als leer is.
Geef me het gedicht dat ruikt naar benzine.
Ik wil een gedicht dat een waarschuwing is,
een gedicht dat me laat kijken
of ik het geweer bij de deur heb laten liggen,
een gedicht dat een loopneus is, een niesbui, een gedicht
dat het moment is dat de lucht groen wordt.

Kenyatta Rogers 2024
Assemblage, Marc Mestdagh

About this Poem

“Poet Stefania Gomez came to do a teaching demo at my school and gave the students a prompt to write an ars poetica after reading an excerpt of ‘Black Art’ by Amiri Baraka. I wrote along with them as we were asked, ‘What can a poem do? What can a poem be in the world?’ And I have been writing a lot this past summer, and in some ways, rediscovering poetry, and those questions really resonated with me. I guess for me, poetry is a love that never leaves and is always there when I’ve needed it. It’s a wild, crazy, unhinged fever dream of a love language, it can be.”
—Kenyatta Rogers

Kenyatta Rogers teaches at The Chicago High School for the Arts and is the co-host of the Sunday Reading Series with Simone Muench. He lives in Chicago.

Carpet Bomb
By Kenyatta Rogers


I can’t get rid of useful things
and nobody wants to pick them up,
I keep forgetting where I lay my umbrella.
 
I don’t leave footprints in the snow anymore,
we haven’t had a war on domestic soil in so long
I wonder if I still got it. Because once I had it.
 
I heard about a boy who once tied a string to his brother,
he tied his brother to the ocean and the ocean to the blackbird—
 
from the ground all the birds look like blackbirds
from the ground a Stealth Bomber looks like a spaceship.
 
The aliens are coming,
they walk through birthday parties
and basically go unnoticed.
 
And this is kind of how I go through life,
once I heated up a spoon in the microwave
the fish have so much mercury in them they spark.
 
I was handed a bayonet from the Civil War
and a copper penny corroded with rust.
When they take the Statue of Liberty apart to clean her
her neck explodes with a million little spiders.
 
Meanwhile in a forest somewhere
someone cut open my grandmother’s belly
and filled it with bricks
 
something is coming soon
I keep a bucket of lambs blood
by the front door.
met AI gemaakt naar het thema ‘dreiging’.

Tapijtbom

Door Kenyatta Rogers


Ik kan geen bruikbare dingen wegdoen
en niemand wil ze oprapen,
Ik vergeet steeds waar ik mijn paraplu neerleg.

Ik laat geen voetafdrukken meer achter in de sneeuw,
we hebben al zo lang geen oorlog op eigen bodem gehad
Ik vraag me af of ik het nog heb. Want ooit had ik het.

Ik hoorde over een jongen die ooit een touw aan zijn broer bond,
hij bond zijn broer aan de oceaan en de oceaan aan de merel-

vanaf de grond lijken alle vogels op merels
vanaf de grond lijkt een Stealth bommenwerper op een ruimteschip.

De aliens komen eraan,
ze lopen door verjaardagsfeestjes
en blijven eigenlijk onopgemerkt.

En dit is een beetje hoe ik door het leven ga,
Eens heb ik een lepel opgewarmd in de magnetron
De vissen bevatten zoveel kwik dat ze vonken.

Ik kreeg een bajonet uit de Burgeroorlog
en een koperen stuiver aangetast door roest.
Als ze het Vrijheidsbeeld uit elkaar halen om haar schoon te maken
explodeert haar nek met een miljoen kleine spinnen.

Ondertussen ergens in een bos
sneed iemand mijn oma’s buik open
en vulde haar met bakstenen

er komt iets aan
Ik bewaar een emmer met lamsbloed
bij de voordeur.

Copyright Credit: Kenyatta Rogers, "Carpet Bomb." Copyright © 2018 Kenyatta Rogers.
Kenyatta Rogers


Het Joodse volk moest tijdens de laatste plaag (de dood van elke eerstgeborene) klaar staan om weg te trekken. Als ze bloed (van een lam) op de deurpost hadden gesmeerd, zou de dood hun eerstgeborenen niet treffen. Midden in de nacht (het is volle maan) werden ze Egypte uitgejaagd.
The Jewish people had to be ready to move out during the last plague (the death of every firstborn). If they had smeared blood (of a lamb) on the doorpost, death would not strike their firstborn. In the middle of the night (it was a full moon), they were driven out of Egypt. 

Turner, John; Death of the First Born; National Museums Northern Ireland; http://www.artuk.org/artworks/death-of-the-first-born-122914
King Friday and the Land of Make Believe
By Kenyatta Rogers

This may not be the time to offer this,
but I’m not as good as you hope I’ll be.

When we’re in a tunnel and I’m driving
I’m sure it would seem imaginary,

when I ask to lie on your floor
I really want to say—

“Can I stay and watch you
chop up green onions?”

You’re better than me,
I don’t know if you ever heard me say that.

On your phone you keep
a picture of the human brain.

When your father was deep-frying a turkey
your mother told me to keep playing music.

Maybe now I finally know what love is—
taking pictures while your dog wears glasses,
trying to describe what stuffing should taste like.

In my friend’s basement
you gave everyone Polaroids of themselves,
then we laughed at a poster of the human body.

And this is the part where I sit on your couch
and watch you teach your friend merengue.

This is where I try
to prevent myself from smiling
and I hope Trolley doesn’t show up
to tell me it’s time to go home.

Source: Poetry (April 2021)

Koning Vrijdag en het land van de schone schijn
Door Kenyatta Rogers


Dit is misschien niet het moment om dit aan te bieden,
maar ik ben niet zo goed als je hoopt dat ik zal zijn.

Als we in een tunnel zitten en ik rij
Ik weet zeker dat het denkbeeldig lijkt,

als ik vraag om op je vloer te liggen
wil ik echt zeggen...

“Mag ik blijven en kijken hoe jij
groene uien hakt?”

Je bent beter dan ik,
Ik weet niet of je me dat ooit hebt horen zeggen.

Op je telefoon heb je
een foto van het menselijk brein.

Toen je vader een kalkoen aan het frituren was
zei je moeder dat ik muziek moest blijven spelen.

Misschien weet ik nu eindelijk wat liefde is-
foto's maken terwijl je hond een bril draagt,
proberen te beschrijven hoe vulling moet smaken.

In de kelder van mijn vriend
gaf je iedereen polaroids van zichzelf,
daarna lachten we om een poster van het menselijk lichaam.

En dit is het deel waar ik op je bank zit
en kijk hoe jij je vriend merengue leert.

Dit is waar ik probeer
te voorkomen dat ik lach
en ik hoop dat Trolley niet komt opdagen
om me te vertellen dat het tijd is om naar huis te gaan.

Wonderlijk licht in de donkerste duisternis: de heilige Lucia

De heilige Lucia voor Paschasius, ze weerstaat aan het bevel haar te verplaatsen (zie verhaal) (schrijn van de heilige Agatha). The Met museum

Vroeg donker, tijd om al dan niet oude (heilige) verhalen te vertellen hopend op het terugkerend licht van de lente. Ontdek dus Lucia van Syracuse zodat je in de nacht van de dertiende december, haar feestdag, al dan niet met kaarsen op het hoofd, het geloof of de hoop in (op) lichtende dagen kunt terugvinden. Deze bijdrage is vooral de geschiedenis van een beeldvorming, naar vorm en naar inhoud. De kracht van het vrouwelijke verbeeld in de gestalte van Lucia.

In een legendarische Passio uit de 5de of de 6de eeuw beschreven, op stevige historische bodem geschoeid door ontdekkingen van haar graf en een inscriptie die over de cultus bericht in de 5de eeuw, in haar stad Syracuse (Sicilië) weten we dat Lucia in 305/05 onder de vervolging van Diocletianus werd gedood.


Volgens de Passio kreeg het reeds met de consul Paschasius verloofde meisje, toen zij haar zieke moeder Eutychia naar het graf van »Agatha te Catania begeleidde, een verschijning van deze heilige. De moeder werd door Agatha genezen en Lucia kreeg het martelaarschap aangezegd, waarop zij haar bezittingen onder de armen verdeelde en haar verloving verbrak. Haar boze verloofde bracht haar aan. Vanwege Lucia's standvastigheid tijdens het verhoor besloot men haar in een bordeel te plaatsen, maar de maagd bleek zelfs niet door een aantal ossen te verporren. Toen verbranding mislukte, doodde men de martelares met een dolksteek in haar hals. Een later toegevoegd element in de legende zegt dat zij, om aan haar verloofde te mishagen, zich de ogen uitstak en hem deze toezond. (Lucia van Syracuse, Louis Goosen 1992 DNBL)

Op hetzelfde schrijn als hierboven: Lucia is duidelijk niet te verplaatsen. The Met museum

Latere toevoegingen hebben alles te maken met wat Louis Goossens een ‘populair misverstand’ noemt: haar naam zou verwant zijn aan ‘lux’, licht dus.

Rond Lucia's feestdag op 13 december ontstonden folkloristische midwintergewoonten: naast het plegen van orakels (vgl. Agatha's voorspelling) en het consumeren van het Luciabrood ook bezweringsgebruiken zoals het ontmaskeren van heksen en het laten verschijnen van schrikaanjagende figuren (Fersenlutzel, Frau Lutze). In de Scandinavische landen werd zij een geseculariseerde brengster van het nieuwe licht. Lucia's patronage heeft soms te maken met elementen uit haar legende: zo werd zij aangeroepen bij oogziekten en keelpijn en beschermt zij messenmakers. Soms heeft dit te maken met de folklore: zij is de patrones van de dienstmeisjes, die vaak in de nacht van haar feest met kaarsenkronen op het hoofd paradeerden; soms met elementen uit de Germaanse voorgeschiedenis: evenals de stralende en spinnende Berchta beschermt zij wevers en kleermakers. Lucia's attributen zijn naast palm, boek en kruis (algemeen voor martelaressen) een lamp, zwaard of dolk door de keel, fakkel of kaars en (vanaf de 14e eeuw) een schaaltje waarop twee ogen, soms vuur en vlammen aan haar voeten. Zij wordt altijd voorgesteld als een mooie jonge vrouw, soms met kroon of diadeem. (Louis Goossens)

Sint-Lucia door Francesco del Cossa, National Gallery of Art (Washington DC). Olieverf en bladgoud, iets na 1470.

Lees:

https://www.dbnl.org/tekst/goos020vana03_01/goos020vana03_01_0114.php

In Syracuse, de geboortestad van de heilige, begint de viering ter ere van Sint-Lucia op de vooravond van 13 december. Het zilveren beeld van de heilige wordt dan uit haar kapel naar het altaar van de kathedraal verplaatst en er wordt cuccia gegeten, een zoete Siciliaanse soep. Op de eigenlijke feestdag, 13 december, wordt het beeld in processie door de stad gedragen naar de kerk boven het graf van de heilige geplaatst. Acht dagen later volgt een processie in tegenovergestelde richting. In het zuiden en midden van Italië vieren diverse steden de dag van Sint-Lucia met processies, feesten en vuurwerk. (Wikipedia)

Schrijn van de heilige Agatha: Lucia deelt haar bruidschat uit aan armen en behoeftigen.
(Met-museum)

In het Noorden van Italië wordt er de nacht van 13 december een soort Sinterklaasfeest gevierd. Sint Lucia met ezel en koetsier brengen ’s nachts cadeautjes. De kinderen wordt verteld vroeg naar bed te gaan omdat de heilige anders as in hun ogen komt strooien, waardoor ze verblind kunnen raken. De volgende dag zoeken de kinderen hun cadeaus, die in het huis verstopt zijn.

In de Scandinavische landen is het een traditionele feestdag ook al is er sinds de Reformatie geen grote katholieke bevolkingsgroep meer. Waarschijnlijk stamt deze viering deels af van een voorchristelijke viering van de winterzonnewende. Traditioneel vormde de dag het begin van de adventstijd voor Kerstmis. Het feest wordt zowel thuis als op scholen en werkplaatsen gevierd met zoete lekkernijen en kaarslicht. Er worden optochten met fakkels of kaarsen gehouden waarin meisjes als de heilige verkleed gaan. (Wikipedia)

Francisco de Zubarian. Heilige Lucia

Wat kun je verwachten in Zweden op 13 december?

Het personage Lucia leidt de processie en wordt gevolgd door meisjes (‘tärnor’), sterrenjongens (‘stjärngossar’) en peperkoekmannen (‘pepparkaksgubbar’). Als kinderen deelnemen aan de processie, gaan ze vaak verkleed als kerstelfjes (’tomtenissar’). Lucia herken je gemakkelijk aan de verlichte krans boven op haar hoofd, ze loopt voorop. Traditioneel gebruikten ze echte kaarsen, maar om veiligheidsredenen zijn ze vervangen door lampjes op batterijen. Dat geldt ook voor de kransen die worden gedragen door de meisjes in de optocht, die meestal glitters of een krans (zonder kaarsen) in hun haar dragen. Ook dragen ze vaak een decoratief rood lint of glinterband om de taille. Sterrenjongens zijn geheel in het wit gekleed – net als Lucia en de andere meisjes – met kegelvormige hoeden en met sterren op stokken. De peperkoekmannetjes met lantaarns dragen peperkoekkostuums, met de herkenbare witte glazuur erop getekend of genaaid – je vindt deze in veel Zweedse winkels.

Het draait bij Lucia om uit het uitdragen van licht, maar lekker snoepen is net zo belangrijk. Lucia is vaak vereeuwigd – terwijl ze een dienblad draagt met fika lekkernijen – door verschillende iconische Zweedse kunstenaars, zoals Carl Larsson. Het eten bestaat uit peperkoekjes en een S-vormig saffraanbroodje genaamd “Lussekatt” – een traktatie die bijna net zo klassiek is als het kaneelbroodje. Veel Zweden zouden het heiligschennis vinden om een ​​’lussekatt’ te eten op een ander tijdstip dan Lucia en in de weken voorafgaand aan Kerstmis. Je drinkt er traditegetrouw “glögg” (glühwein) bij, geserveerd met amandelen en rozijnen. Ook koffie wordt vaak geserveerd.

(Visit Sweden Officiële website van Zweden voor Toerisme en Reisinfo)

https://visitsweden.nl/te-doen/cultuur-historie-kunst/zweedse-tradities/zweeds-kerstfeest-tradities/lucia-kerst/

In de Sint-Jakobskerk in Brugge bevindt zich een prachtig retabel ‘De legende van de heilige Lucia. 1480-1483. Klik op het onderschrift om het in al zijn glorie te kunnen bekijken.

‘De legende van de heilige Lucia. 1480-1483.

Lees ook hierover:

https://totindetail.be/nl/showcase/legende-van-de-heilige-lucia

Dit schilderij lijkt het vroegst bekende werk te zijn van de onbekende 'Meester van de Lucialegende' en het heeft de typische kenmerken van zijn hele oeuvre: de voorliefde voor architectonische elementen de bijna wetenschappelijke aandacht voor bloemen de slanke vrouwen met hun ovale gezichten met lichte spleetogen onder bolle oogleden de stijf weergegeven golvende haren de brede en clichématige gezichten van de mannelijke figuren met hun grote gesloten ogen en vlezige mond het harde coloriet. Aan de hand van deze kenmerken kunnen andere werken aan hem worden toegeschreven. Het schilderij verbindt deze meester met belangrijke Vlaamse schilders als Dirk Bouts in wiens omgeving hij mogelijk opgeleid is.

(in boven aangeduid totindetail kun je tot in de allerkleinste details scrollen.)

Het licht in je ogen in dit prachtige lied van Hildegard van Bingen: De Spiritu Sancto (Heilige Geest bezieler van het leven)

Het martelaarschap van Sint-Lucia Rijksmuseum

Het martelaarschap van de heilige Lucia. De heilige staande op een brandstapel wordt door een beul met een zwaard door de hals gestoken. Andere beulen wakkeren de vlammen aan met blaasbalgen, links kijken gezagsdragers toe. Op de achtergrond scènes uit het leven van de heilige. Linksachter staat Lucia voor een bordeel, rechts een vrijend paartje. Daarnaast tracht men Lucia met een span ossen voort te slepen. Lucia krijgt van een priester de laatste sacramenten toebediend. Rechts wordt de landvoogd Paschasius onthoofd. Het paneel vormde oorspronkelijk de achterzijde van de Kruisafneming, vroeger in het Kaiser-Friedrich-Museum.

Zie je ik hou van je,
ik vin je zo lief en zo licht –
je ogen zijn zo vol licht,
ik hou van je, ik hou van je.

En je neus en je mond en je haar
en je ogen en je hals waar
je kraagje zit en je oor
met je haar er voor.

Zie je ik wou zo graag zijn
jou, maar het kan niet zijn,
het licht is om je, je bent
nu toch wat je eenmaal bent.

O ja, ik hou van je,
ik hou zo vrees’lijk van je,
ik wou het helemaal zeggen –
Maar ik kan het toch niet zeggen.


Herman Gorter (1864-1927)

Uit: Verzen (1890)
Uitgever: W. Versluys – 4e dr. 1916

Misprijs de levens van vrouwen niet. Ook toen al waren ze duidelijk in wat ze voorstonden. Zie hoe het verhaal van Lucia tijd en ruimte heeft ingenomen. Onwrikbaarheid in ruime mate met gulheid en consequentie aangevuld. In de uitlopers van het Romeinse rijk ontstaan en langs Italië en het Westen doorgedrongen tot in de protestantse Scandinavische streken. Het bekende gedicht van Herman Gorter hierboven is dan ook aan de liefste uit mijn eigen leven gewijd. Kaarsen hoef ik niet meer op mijn grijs hoofd te dragen, ze is met een lichtende oogopslag mijn dappere medestander. Haar blog, deze keer aan haar moeder gewijd, kan ik ten zeerste aanbevelen. En kijk, of je dit weekend de Leoniden vanuit de sterrenhemel de donkerte ziet oplichten. Een sterrenregen met haar moeders naam.

De meteorenzwerm Leoniden bereikt op zondag 17 november 2024, rond 8 uur, zijn maximum. De meteoren van de Leoniden zijn snel, en de zwerm is bekend vanwege zijn regens in 1799, 1833, 1866, 1966 en 1999. Wanneer de radiant in het zenit zou staan, zouden er van deze zwerm naar verwachting gemiddeld zo'n 13 meteoren per uur vallen. De radiant van de zwerm staat rond 7:00 uur in het hoogste punt aan de hemel, op 60° boven de horizon. Door de matige omstandigheden zijn er bij ons dan ieder uur vermoedelijk slechts ongeveer 2 meteoren zichtbaar van deze zwerm. Samen met meteoren van andere zwermen, en sporadische meteoren, zijn er bij donkere, heldere hemel in totaal circa 4–8 “vallende sterren” per uur te zien. De Maan is voor ongeveer 95% verlicht en is een flinke stoorzender; dit jaar zijn hierdoor alleen de helderste meteoren zichtbaar. Rond 7:30 uur gaat het schemeren en om 8:04 uur komt de Zon op.

‘De ogen’ titel van een kortverhaal dat ik schreef voor radio-1. Lang geleden.

Oorlog, het steeds ontstaan van nodeloze leegte

Michelangelo Buonarroti (Caprese 1475-Rome 1564) Archers Shooting at a Herm c.1530
Red chalk (two shades) | 21.9 x 32.3 cm (sheet of paper) | RCIN 912778
(vergroot door op onderschrift te klikken.)

De scène is een onbepaald rotsachtig platform waarop een groep figuren, mannen en vrouwen, staan alsof ze pijlen afvuren op een schild dat aan een kariatide (een vrijstaande zuil met de bovenste helft in menselijke vorm) is bevestigd. Sommige figuren, het duidelijkst de vrouw achterin de groep, staan in de lucht en de meesten dragen geen boog, hoewel er pijlen te zien zijn die in het doel en elders op de kariatide zijn gestoken.
Rechts op de voorgrond slaapt een gevleugelde Cupido, god van de liefde, met zijn boog en pijlen, terwijl helemaal links twee kinderen op een vuur blazen (met pijlen die uit de basis steken) en het voeden met bundels stokken.

The scene is an indeterminate rocky platform upon which a group of figures, male and female, are posed as if firing arrows at a shield fixed to a herm (a freestanding column with the upper half in human form). Some of the figures, most clearly the woman at the back of the group, are airborne, and most do not bear bows, though arrows are seen stuck into the target and elsewhere on the herm – their aim has been conspicuously awry. At the front of the group two figures sprawl on the ground, and two infants can be seen among the main group. In the right foreground a winged Cupid, god of love, is sleeping with his bow and arrows, while to the far left two children blow on a fire (with arrows protruding from its base) and feed it with bundles of sticks. Michelangelo plays with the contrast between the high polish of the central group and the looser finish of the sleeping Cupid and the herm. (Royal Trust Collection)

Deze prachtige tekening van Michelangelo koos ik als tijdsbeeld. De menselijke meute die met de onzichtbare bogen op een doel schieten dat aan de vrouwelijke kariatide is bevestigd. Gemaakt rond 1530 en voor mij helemaal actueel in 2024. Mannen en alvast één zichtbare vrouw op hetzelfde doel terwijl beneden Cupido, zijn boog in zijn armen, in slaap is gevallen en twee vurige soortgenootjes het strijdvuurtje aanblazen.
Plaats in de hedendaagse armen moderne wapens, vermenselijk het doel. En begrijp de diepe slaap van de liefdesgod.


I chose this beautiful drawing by Michelangelo as a period image. The human mob shooting with the invisible bows at a target attached to the female caryatid. Made around 1530 and for me entirely relevant in 2024. Men and at least one visible woman on the same target while below Cupid, his bow in his arms, has fallen asleep and two fiery peers are fanning the fires of battle.
Place in today's arms modern weapons, humanise the target. And understand the love god's deep sleep.

Een mij onbekende straatartiest in Lyon drukt het, ‘Place de la Paix (!)’ op zijn hedendaagse manier zo uit:

Zelf nog in de tweede wereldoorlog geboren, een grootvader als jongeman verminkt thuisgekomen na de ontploffing van het Naamse fort dat hij moest verdedigen, augustus 1914. en bij het einde van de reis, zijn kind en kleinkind, door oorlogen omringd en bedreigd. Een kring van vuur op de wereldkaart. Waarin komen je eigen kind en kleinkind met hun leeftijdsgenoten terecht?

Still born in the war himself, a grandfather as a young man maimed coming home after the explosion of the Namur fort he had to defend, August 1914. and at the end of the journey, his grandchild, surrounded and threatened by wars. A circle of fire on the world map. Where does that leave your own child and grandchild with their peers?
Self-portrait as a Prisoner of War by Otto Dix, 1947, via Otto Dix organization
 

Dix was conscripted into Volkssturm, the last resort of the Nazi party to halt the refraction of coalition troops on the territory of Germany. Men from  16 to 60 years old were forced to join the German Army. Otto Dix was captured by French troops as the Reich collapsed and imprisoned in a camp. Eventually, he was released in February 1946 and returned to Dresden.
 
His own contribution to highlighting the horrors of the war, along with those of other artists who had also lived through it, did not prevent the outbreak of World War II, unfortunately. After WWII, Dix gained recognition in both East and West Germany. His works act as a poignant reminder about the importance of artistic expression through hard times in history. Otto Dix continued to work until his death in 1969.

Otto Dix. De oorlog (1932)


Brian Turner's (1967-) gedicht " The Hurt Locker " beschrijft huiveringwekkende lessen uit Irak:

Niets dan pijn bleef hier over.
Niets dan kogels en pijn...
Geloof het als je het ziet.
Geloof het als een twaalfjarige
een granaat de kamer in rolt.
Henri Rousseau ‘La Guerre’. 1894 Klik op titel om te vergroten

'Dacht niet'
“Ik dacht niet aan mijn moeder toen ik de stengun plaatste in het open raam
Ik dacht ook niet aan haar toen ik vermoedde dat aan de overkant iemand geraakt was
Ik dacht pas weer aan haar toen ik die avond het geweer naar binnenhaalde
hoe zij met de hoek van haar schort de tafel veegde als ik weer had gemorst
en hoe ze dan zei: Pas op, de vensterbank is net geverfd, dat daar geen kras op komt. “

- Judith Herzberg
Wat is hybride oorlog?

Een militaire strategie die de conventionele oorlogsvoering mengt met niet-militaire middelen zoals desinformatie, propaganda en politieke intimidatie.

Kathe Kollwitz. De wachtende ouders

Oorlog is ontbinding. Hij maakt
van vrolijke mensen bange mensen
van sportvelden begraafplaatsen. Hij maakt
van benzinetanks gevangenissen. Van granaathulzen
vazen. Van voedsel stront, en van stront voedsel
Hij maakt van parket kachelhout, van een badkuip
een moestuin. Hij maakt van kinderwagens karretjes
om water mee te zeulen. Niets blijft wat het is,
of waar het voor bedoeld is
Oorlogen zijn de maden in het vlees
van de beschaving

(Van Duijnhoven 1996)
Oekraïne

Het is voor het Westen even wennen dat in deze multipolaire wereld niet meer iedereen achter ons aanloopt. Als je die relaties goed wilt krijgen, moet je je echt minder moralistisch opstellen.

Rob de Wijk: Europa heeft niet de capaciteiten om een oorlog te voeren. (The Hague Centre for Strategic Studies)

Geconfronteerd met wat hij typeert als ‘een Europese oorlog’ stelt de Franse filosoof Étienne Balibar zich voor wat Poetin zou kunnen doen terugdeinzen. Steun aan het verzet van het Oekraïense volk. Maar ook steun aan de Russische dissidente bevolking. Het is, denkt hij, de enige manier om een ‘wederopbouw van de blokken’ te vermijden. Als voorvechter van een Europees federalisme op democratische grondslagen, zoals ooit gedefinieerd door de Italiaanse communist en verzetsstrijder Altiero Spinelli, had hij niet voorzien dat Europa zich nog eens op het hellende vlak van militarisering zou bevinden – iets wat nu opeens onontkoombaar lijkt. Hij pleit voor een internationalisme dat tot stand komt via steun aan het verzet van het Oekraïense volk maar ook aan dat van het dissidente Russische volk. Want, zo denkt hij, het gaat hier uiteindelijk om een Europese oorlog. En in dat opzicht moet tegen elke prijs worden voorkomen dat er ‘een moreel ijzeren gordijn tussen “hen” en “ons” wordt opgetrokken’.

(Mathieu Dejan in De Groene Amsterdammer 11 maart 2022)


Faced with what he characterises as ‘a European war’, French philosopher Étienne Balibar imagines what might make Putin recoil. Support for the resistance of the Ukrainian people. But also support for the Russian dissident population. It is, he believes, the only way to avoid a ‘reconstruction of the blocs’. As an advocate of a European federalism on democratic foundations, as once defined by Italian communist and resistance fighter Altiero Spinelli, he did not foresee that Europe would once again find itself on the slippery slope of militarisation - something that now suddenly seems inescapable. He advocates an internationalism achieved through support not only for the resistance of the Ukrainian people but also for that of the dissident Russian people. Because, he believes, this is ultimately a European war. And in that respect, ‘a moral iron curtain between “them” and “us” must be avoided at all costs’.

Mei 1940
 
De geur van as en van seringen
 komt in de warme nacht van Mei
 beklemmend door het venster dringen,
 krimpt terug, en golft opnieuw nabij.
 
 In 't donker staat achter de ogen
 het beeld: seringen in een tuin,
 naast dode vensters, wreed verbogen
 binten van staal en walmend puin.
 
 Alles wat men geen naam kan geven,
 het meest het denken, wrang en zoet,
 aan wie ons lief zijn, schijnt te leven
 in deze geur: een smaak van roet
 
 ligt op de lippen. Hoeveel jaren
 gaan langs ons in dit machteloos uur?
 Men peilt vertwijfeld wat zij waren
 en keert zich dichter naar de muur.
 
 
 Ida Gerhardt Rotterdam 1940
Oekraine

Lees:



Voor de verdwenen jongens in Flanders Fields

Nog in augustuszon zo onbezorgd gevlogen
prikt u de minnaar in zijn kleurenkast
de schoonheid telkens weer bedrogen
heeft uw naam in steen gekrast.

In Flanders Fields de tuinen en ’t getoeter
dat het een vaderland was dat u als jongen at
en niet de wanhoop van een verre moeder
of een kind dat snel uw beeld vergat.

Uw honger naar de nieuwe tijd bekend
aan oude mannen in hun oorlogstooi
gooide u in ’t slijk en aan hun firmament
schitterde jouw jongensster als prooi.

In deze vlakten is geen plaats voor vredig slapen,
geen krans of heldensteen mag u bedekken.
Ook zal geen god de scherven van u samenrapen
slechts machteloze woorden proberen u te wekken.

En voetjes van al die ongeboren bleven, lopen
onder de Leoniden-sterrenregens naar u toe,
die door uw dood nooit naar buiten kropen
en willen dat ik even voor hen opendoe.

Zo scheur ik uit uw dood de niet-nakomelingen,
uw kinderen en zij die weer hun kinderen wilden zijn,
en daarvan weer de kinderen, en allen die ontspringen
maar zonder sprong stierven in uw levenslijn.

In Flanders Fields bevolken zij de nodeloze leegte,
de nooit gekusten, en zij die nooit zijn thuisgekomen.
Wie jou gedenkt, gedenkt meteen de uitgeveegden,
en droomt met hen de nooit gedroomde jongensdromen.

Gmt

De handpalm geopend naar het licht

Eigen foto Gmt

Zondagmorgen



Het licht begint te wandelen door het huis

en raakt de dingen aan. Wij eten

ons vroege brood gedoopt in zon.

Je hebt het witte kleed gespreid

en grassen in een glas gezet.

Dit is de dag waarop de arbeid rust.

De handpalm is geopend naar het licht.

Ida Gerhardt (1905-1997)
Eigen foto Gmt

DE WARE NACHT


Dieven, dichters en drinkebroers logeren in de nacht, geliefden
Trekken kroonkurken van de donkerte, baden zich met huurlingen
In een overschot aan trekkebekken en woordenpraal, kliefden zij
Jouw uitgegroeide stilte in gemakkelijke poëtische hebbedingen.

Dansers, dromers en dijenkletsers likken de hielen van de nacht,
Verknoeien toegangswegen tot het niemandsland met verzinnen
Van amoureus hartenzeer voor weinig kopergeld gratis thuisgebracht,
Op zilverschermen uitgesmeerd en eindeloos te herbeginnen.

Geen allegorie maar een alleenverkoop is de ware nacht, duisternis
Met een afschuwelijk gehalte aan gemis, jouw dood als nom de guerre.
Wat in de donkere kamer nog zichtbaar wordt, jouw opalen beeltenis
Verbrandt het heimwee niet.
Bloemetje uit het verdoemde vers van Baudelaire.

Gmt (naar onderstaand vers)

Un soir fait de rose et de bleu mystique,
Nous échangerons un éclair unique,
Comme un long sanglot, tout chargé d'adieux ;

Et plus tard un Ange, entr'ouvrant les portes,
Viendra ranimer, fidèle et joyeux,
Les miroirs ternis et les flammes mortes.

Uit: La morts des amants, Charles Baudelaire)

Weerspiegeling en Tuin in de beginnende herfst. Eigen foto Gmt

De ervaring van licht heeft dus alles met de donkerte te maken. Het licht immers is onzichtbaar. Het maakt zichtbaar maar blijft zelf onopgemerkt. Het is fraai om verschillende technieken te onderzoeken waarmee kunstenaars die zichtbaarheid realiseren: doorvallend licht, tegenlicht, strijklicht, glimlicht, verschillende schaduwsoorten, spiegeling, enz. Zo kan een schilder met bruine en groene omber beter schaduwen weergeven. Met licht en donker kun je ‘diepte’ weergeven.

Eigen foto Gmt


"Zelfs het witste wit is donkerder dan het licht.” Het is een uitspraak van kunstenaar Jan Andriesse, besproken door Joost Zwagerman in zijn laatste boek, De Stilte van het Licht. Andriesse probeerde het vormloze licht van de regenboog te schilderen, maar kwam tot de onvermijdelijke conclusie dat hij niet anders kon dan de regenboog donkerder te maken dan dat hij is. Want verf is nu eenmaal altijd donkerder dan licht, “zelfs het witste wit”.

Een van de bekendste “meesters van het licht” is misschien wel de 17e-eeuwse Italiaanse kunstschilder Caravaggio. Door extreem versterkte donker-lichtcontrasten die typisch zijn voor de chiaroscuro of clair-obscur, bereikt hij een groot dramatisch effect. Volgens Kieft is de duisternis op de achtergrond van Caravaggio's voorstellingen daarbij minstens zo belangrijk als het licht op de voorgrond.

Erwin Maas ‘Het onmogelijke licht in de kunst’

Caravaggio. Gevangenneming van Christus. 1602

Judas heeft Christus geïdentificeerd met een kus, terwijl de tempelwachters hem grijpen. De vluchtende discipel links is Johannes de Evangelist. Alleen de maan verlicht het tafereel. Hoewel de man uiterst rechts een lantaarn vasthoudt, is het in werkelijkheid een ondoeltreffende bron van verlichting. In de gelaatstrekken van die man portretteerde Caravaggio zichzelf, 31 jaar oud, als een waarnemer van de gebeurtenissen, een middel dat hij vaak gebruikte in zijn schilderijen. (ibidem)

“What if I could ride
a beam of light
across the universe ?”

Albert Einstein

In het Museum für Licht-Kunst in het Duitse Unna is een museum gewijd aan licht-kunst. Van Eliasson is er een waterval-installatie van zijn hand te zien, met stroboscopisch licht, waardoor de vallende waterdruppels in flitsen stil in de ruimte lijken te hangen. Een hallucinante ervaring.
Op YouTube hierboven is deze video te zien van de installatie “Notion Motion” van Elafur Eliasson. (Thijs van de Ven)

GERRIT ACHTERBERG (1905-1962)

November

De nederige dagen van november
zijn weer gekomen, grijze als een emmer;

tevreden met het licht dat minderde
op de gezichten van de kinderen.

De wereld heeft derde dimensie over.
Stakerig staan de bomen zonder lover.

Door iedereen van ver te onderkennen,
moeten wij aan het nieuwe platvlak wennen

en lopen groot voorbij de kale heg.
De fietsen rijden hoog over de weg.

Verwintering gaat zienderogen door.
De eerste kouwe handen komen voor.

Geslachte varkens hangen te besterven;
ontnuchteren de paarse boerenerven.

De protestantse dagen van november
dragen geen heiligen op de kalender.

Een rij weesjongens met gelijke trekken.
In ’t lege land opengebleven hekken.

Weduwen, terend op een schraal pensioen.
Gemeentewoningen die weinig doen;

Toon van november knalt het jagersschot.
Verder en verder valt een deur in ’t slot.

Eerlijke kerken houden voor ’t gewas
dankstonden achter dun, armoedig glas.

Alles wordt enkeling. Een eigen graf
wacht op het kerkhof zijn bewoner af.

Huizen verwijderen zich van elkaar.
Wij kijken in de gaten van het jaar.

Eigen foto Gmt

Niet alleen de bladeren, maar schrijft Rilke:

Herbst
Die Blätter fallen, fallen wie von weit,

als welkten in den Himmeln ferne Gärten;

sie fallen mit verneinender Gebärde.

Und in den Nächten fällt die schwere Erde

aus allen Sternen in die Einsamkeit.

Wir alle fallen. Diese Hand da fällt.

Und sieh dir andre an: es ist in allen.

Und doch ist Einer welcher dieses Fallen

unendlich sanft in seinen Händen hält.

Herfst
De bladeren vallen – als uit oneindigheid,

als dorden er verre hemelse gaarden;

ze vallen met afwerende gebaren.

En ’s nachts, dan valt de zware aarde,

weg van de sterren, in de eenzaamheid.

Wij allen vallen. Het geldt ook deze hand.

En zie nu toch de anderen: het is in allen.

Toch is er Iemand die dit algemene vallen

oneindig teder met zijn hand omvat.

Kleine en grote bezieling voor donkere dagen (1)

Nauwelijks vijf minuutjes het filmpje hierboven bekijken en je bespaart mij een woordenboek-uitleg omtrent bezieling.

    “Tegenwoordig zijn we gewend dat stilstaande objecten de suggestie van beweging kunnen wekken. De oude Grieken waren in de zesde eeuw voor Christus pioniers op dit gebied, de eersten die in schilderingen en beeldhouwkunst beweging konden suggereren. Dit deden ze bijvoorbeeld door het weergeven van actielijnen bij wapperende gewaden en het inspelen op de verwachting en voorkennis van de kijker: iets gaat bewegen omdat de kijker het afgebeelde verhaal herkent.”  (Historiek 2015)
Panatheneïsche Prijsamfoor met hardlopers

Bekijk je het werk uit ‘Der Blaue Reiter-periode in 1911 opgericht door Wassily Kandinsky, Franz Marc, Gabriël Münter en August Macke dan merk je vaak diezelfde drang naar bewegen in hun werk dat je onder de term ‘expressionisme’ kunt thuisbrengen.

Franz Marc: Die gelbe Kuh, 1911,

De beweging kan ook door de vormgeving ontstaan, je zou dan van een ‘innerlijke’ beweging kunnen spreken, zelfs in die mate dat ze de voorstelling in vlakke en ruimtelijke stukken samenstelt.

Juan Gris: Portret van Picasso, 1912

De concentratie van de innerlijke beweging, dat wat je gemoed laat bewegen, kun je natuurlijk ook via de concentratie van het personage weergeven omgeven door een atmosfeer die zijn innerlijk naar voren brengt. Het claire-obscure vervult hier die rol.

Michelangelo Merisi da Caravaggio, Johannes de Doper in de woestijn (1603-06). Olieverf op doek, 97 x 131 cm © Rome, Galleria Corsini

Zijn blik is grotendeels verborgen onder zijn haar, je ziet niet wat hij denkt, of waar hij naar kijkt, maar er is duidelijk iets in aantocht, iets wat hem heeft opgewekt. Daar gaat het om. Net als in de extase van de Magdalena, die door goddelijk licht wordt verlost van haar zondige verleden, ontstaat er iets in deze Johannes, een beweging in zijn geest, die door de beweging van het lichaam wordt vertaald: een ontwaken, een alertheid voor iets wat op hem afkomt. Johannes herkende Jezus niet direct als de verlosser – hij liet twee hulpjes aan hem vragen of Jezus wel ‘de Komende’ was, degene die werd verwacht. Je ervaart de gewaarwording in zijn geest, in de aarzelende beweging van dat aardse lijf: er komt iets aan.

(Koen Kleijn, De beweging van de ziel, 11 maart 1920. De Groene Amsterdammer)

Het andere uiterste van de beweging vind je in dit beeld van Hammershoi uit 1900.

Dust Motes Dancing in the Sunbeams, 1900, Statens Museum for KunsT


"Een van zijn mooiste werken noemt hij Stofdeeltjes die dansen in zonnestralen (1900). We zien vermoedelijk laat-middaglicht, dat door een raam op de vloer van een lege kamer valt. Meer is er niet te zien. Maar wat een samenzang van vreugde en weemoed. Wat een ode aan de schittering van het heden en tegelijk de vluchtigheid ervan in één schijnbaar eenvoudig beeld.

In dit beeld figureren tevens twee andere voorname spelers in Hammershois wereld: ramen en deuren. Meestal zijn de eerste dicht en staan de laatste open. Natuurlijk spreken ze over een wereld binnen en de wereld buiten. En soms staan er zoveel deuren open na elkaar in de uiteenlopende kamers dat het de kijker duizelt: hoeveel werelden zijn er wel in dit labyrint van twee mensen bij elkaar, jarenlang samenwonend in het even wisselende als eendere licht van de dagen?"

Bernard Dewulf over het raadsel Hammershoi. 'In het licht van elkaar' (De Standaard )
Harriet Backer Rest, 1905, Bridgeman art

Beweging. Je weegt het beeld in je hoofd. Dat heet be-zieling. Lijnen, vlakken, kleur, diepte verlaten hun enkelvoudigheid en houden het niet alleen bij een mogelijke uiterlijke beweging maar brengen innerlijk een proces te weeg. Misschien wordt hun ‘animus’ (ziel) zichtbaar. Het samenspel tussen kunstenaar en kijker.

Harriet Backer-Ved lampelys.-1890

Mij lezen bij het lamplicht, lief,
de dagen, de dief
die ons van elkander dreef
en ik je ook bij lamplicht, lief,
wat niet te schrijven was toch schreef.

Gmt
Harriet Backer. Avond-interieur 1890

Het ‘panta rei’, alles beweegt, zal hoe dan ook in de grote verstilling verdwijnen. Er zijn dagen waarin het zo donker blijft dat het geloof in nieuw licht, zelfs niet in het kleinste kaarsenvlammetje of de hoop op een vlekje maan verlichting brengt. Ik wil je niet in die duisternis achterlaten, en probeer met een onbeschrijfbaar vleugje muziek vaarwel te zeggen, tot weldra.



Loop met mij door alle zalen
In 't museum van weemoed en gemis
Je hoeft geen toegang te betalen
Omdat hier niks van waarde is
Rechts van u hangt alle schaamte
Dan door de gang van spijt en zelfverwijt
Links liggen vergeten dromen
Dan een grote zaal verloren tijd

Zie de onbegane paden
En de uitgestelde daden
Vervolgens een collectie oud verdriet
Kijk naar mijn mislukte dagen
En schuldgevoel dat door blijft knagen
Hier ligt de verspilde energie
En kijk daar staat mijn prijzenkast
Neem maar mee want hij was alleen tot last
Hier hangt pech op ware grootte
Naast de ijdelheid met grove kwast

Langs de overtreden regels
Komt u bij het restaurant
Op de kaart alleen gebakken lucht
Kijk ook even in de winkel
Soms heeft men een doos geluk
Maar pas op want het valt gemakkelijk stuk
Nee wordt niet droef van al dit falen
Hiernaast ligt het museum "de goede hoop"
Daar valt vast wel wat te halen
Maar het is er niet goedkoop

(Wij missen jou!)

’Espérance et la douleur, Armand Point, après 1891

En helemaal aansluitend dit prachtige blog van mijn medestander. Deze aflevering heet niet toevallig ‘De mantel der Liefde’.

Tussen moment en levensloop

‘Portrait de jeune garçon’ Thérèse Debains, huile sur panneau

De kostbare momenten waarin tijdens het bestaan alles op zijn plaats valt, ook al begrijpen we niet het waar en waarom, en de terugkijk op een levensloop waarin gebeurtenissen een naam krijgen, maar… voorbij zijn. Een gedicht van de Amerikaanse dichter Ted Kooser als voorbeeld.

Raft, a poem by Ted Kooser
At the said-to-be bottomless pond
at the sand pit, the raft we discovered
was a heavy barn door, maybe ten feet
by twelve, halfway in, halfway out
of the water where others had left it,
probably older boys, always the first
to find something good, use it a while,
then leave it for us, Billy and Larry,
Danny and me, floating it out onto
the water, wading in after it, holding
onto its edge as we slid down the slope
up to our shoulders, then one by one
helped each other climb on, soaked
and shivering, standing to balance,
arms spread, each to a corner, facing
each other, frightened but laughing,
not a forethought among us for a pole
to push out with, nor a plank for an oar,
as we trusted that door as it floated
not on but just under the surface,
one corner sinking, then slowly lifting
as another went down, ankle deep
over the cold, bottomless darkness.
Seventy years later, I still feel that door
sinking under my weight, can still see
the white faces of Larry and Billy
and Danny looking across into mine
as we held our arms wide, as if to keep
some wild, free, invisible creature
there at the center from running away,
and at eighty I know what it was.
Foto door Hikmaturridho Yusuf op Pexels.com

Vlot.
een gedicht van Ted Kooser

Bij de naar verluidt bodemloze vijver
bij de zandafgraving, ontdekten we een vlot
was een zware schuurdeur, misschien tien voet
bij twaalf, half erin, half eruit
uit het water waar anderen ze hadden achtergelaten,
waarschijnlijk oudere jongens, altijd de eersten
om iets goeds te vinden, het een tijdje te gebruiken,
en het dan achter te laten voor ons, Billy en Larry,
Danny en ik, visten het uit het water,
er achteraan wadend, ons vasthoudend
aan de rand terwijl we de helling afgleden
tot aan onze schouders, dan één voor één
elkaar hielpen om erop te klimmen, doorweekt
en rillend, staand om in evenwicht te blijven,
armen gespreid, elk naar een hoek, tegenover
elkaar, bang maar lachend,
zonder een gedachte bij ons aan een stok
om er mee te duwen, noch aan een plank als roeispaan,
terwijl we op die deur vertrouwden terwijl hij dreef
niet op maar net onder het oppervlak,
een hoek zinkend, dan langzaam omhoog
terwijl een andere naar beneden ging, enkeldiep
over de koude, bodemloze duisternis.
Zeventig jaar later voel ik nog steeds die deur
zinken onder mijn gewicht, zie ik nog steeds
de witte gezichten van Larry en Billy
en Danny naar het mijne kijken
terwijl we onze armen wijd hielden, alsof we
een wild, vrij, onzichtbaar wezen daar in het midden
wilden verhinderen weg te rennen,
en nu ik tachtig ben, weet ik wat het was.

About Ted
Ted Kooser is a poet and essayist, a Presidential Professor of English at The University of Nebraska-Lincoln. He served as the U. S. Poet Laureate from 2004-2006, and his book Delights & Shadows won the 2005 Pulitzer Prize for poetry. His writing is known for its clarity, precision and accessibility. He worked for many years in the life insurance business, retiring in 1999 as a vice president. He and his wife, Kathleen Rutledge, the retired editor of The Lincoln Journal Star, live on an acreage near the village of Garland, Nebraska. He has a son, Jeff, and two granddaughters, Margaret and Penelope.

https://www.tedkooser.net/

Foto door Mohamed Almari op Pexels.com

De Italiaanse kardinaal, schrijver en humanist Pietro Bembo (1470-1547) -er is zelfs een lettertype naar hem vernoemd- zei dat de schilder Rafael, wiens grafrede hij schreef, ‘realistischer’ mensen schilderde dan zij in feite waren. We kennen hem via een portret door Titiaan geschilderd, maar graag toonde ik uit de verzameling van het Prado-museum een portret van een tot nu onbekende kardinaal uit die tijd, portret dat best de uitspraak van monseigneur Bembo staaft.

El Cardenal. Rafael. 1510. 79 x 61 cm

De deskundigen van het Prado:

Wat het meest opvalt aan dit portret, ongeacht de kwaliteit van zijn uitvoering, is Rafaëls buitengewone icastische scherpzinnigheid, waarmee hij het definitieve en universele beeld van een kardinaal uit de Renaissance kon vastleggen en toch de uniciteit van deze persoon kon weergeven. De effectieve weergave van de kwaliteiten van de stoffen, zoals de glans van de rode zijden muceta, getuigt van een directe kennis van de Venetiaanse schilderkunst. Het is niet voor niets gedocumenteerd dat Lorenzo Lotto in 1509 in het Vaticaanse paleis werkte en zijn mogelijke invloed op Rafaël is meer dan eens gesuggereerd.

Het werk wordt gedateerd rond 1510, een jaar voor Alidosi’s dood, vanwege de gelijkenis met het portret van Leo X (National Gallery), en de driehoekige compositie is duidelijk afgeleid van Leonardo’s motieven en in het bijzonder van de Mona Lisa.

icastisch adj. [van Gr. εἰκαστικός 'representatief', d. van εἰκάζω 'weergeven'] (pl. m. -ci). - Beschrijven, afbeelden of uitbeelden in zijn essentiële kenmerken, en dus effectief en vaak droog, scherp: stijl i.; uitdrukkingen i.; een icastische beschrijving. ◆ icastisch, realistisch; met directheid, met representatieve effectiviteit: icastisch beschrijven. 

Dit is een van de mooiste schilderijen van de kunstenaar, waarin de neutrale achtergrond (schijnbaar een donkergroen gordijn of ophanging) de aandacht vestigt op het iets groter dan levensgrote model, wiens figuur een driehoek vormt dicht bij het beeldvlak. Het kleurengamma is niet breed maar wel heel levendig, en het is toegepast met buitengewone helderheid en vaardigheid. Het resultaat is dat het moiré-effect van de rode zijden mucete (waarin de lichten in roze zijn geschilderd) contrasteert met het zuivere wit van de mouw en een bijna tastbare indruk van de werkelijkheid geeft.

Bekijk op je scherm de details bij Museo del Prado:

https://www.museodelprado.es/coleccion/obra-de-arte/el-cardenal/4c01eae6-feed-4135-88d9-6736140212fb

De kern van beide kunstwerken, een gedicht (Het vlot) van Ted Kooser en het portret geschilderd door Rafael zou je kunnen gaan zoeken bij hun uitstekende vormgeving: de levendige beschrijving van de vier jonge kinderen op hun geïmproviseerd vlot en de technische knappe uitbeelding van een belangrijk personage uit de Renaissance. Beiden onder de noemer: ‘Net echt’. Emotioneel aanwezig.


In zijn boek ‘Het gelijk van Spinoza, vreugde, verdriet en het voelende brein’ toont neuroloog, hoogleraar ern schrijver Antonio Damasio, aan hoe gevoelens van vreugde, verdriet, jaloezie en angst essentieel zijn voor rationeel gedrag en het leveren van culturele prestaties. De auteur werpt een nieuw licht op de filosofie van Spinoza, die lichaam en geest zag als een samenhangende eenheid, en rationaliteit, emoties en gevoelens intuïtief beschouwde op een wijze die pas door de moderne neurologie kon worden aangetoond.

In Damasio’s verklaring staat een thema centraal waar ook Spinoza veel aandacht aan besteedde: het voelen. Pijn en genot zijn de essentiële bestanddelen van alle gevoelens. De gangbare opvatting is dat we eerst gevoelens hebben en daar vervolgens uiting aan geven, door gedrag of gelaatsuitdrukking. Damasio draait het om: de uiterlijk waarneembare emoties komen eerst en daarna de innerlijke gevoelens.
Het onderscheid tussen emotie en gevoel valt volgens Damasio samen met dat tussen lichaam en geest. Emoties zijn geheel lichamelijk, pas bij de verinnerlijking ervan belanden we in het domein van de geest. Gevoelens zijn ‘mentale gebeurtenissen’, altijd verbonden met het lichaam.
De emoties gaan aan gevoelens vooraf.

Zelfportret van Rafael ongeveer 23 jaar

Het gaat dus duidelijk over kunde en ver-innerlijking. Voorbij de eerste emoties, wegen naar ‘mentale gebeurtenissen’ .
De kunde het ritme van het spel, de evolutie ervan en de uiteindelijke betovering in één gedicht samen te brengen met de laatste regel als open vraag aan de lezer.
‘De kardinaal’ kijkt je aan. Niet rechtstreeks maar vanuit zijn Mona Lisa-houding. De kunde om belichting en stofstructuren te verbinden met de menselijke aanwezigheid verbindt ons ondanks de tussenruimte van meer dan vijfhonderd jaar.

Natuurlijk wist Shakespeare het al. Aan het einde van Richard II, als de
 troon verloren is en de gevangenis dreigt, vertelt Richard zonder het te 
weten iets aan Bolingbroke over een mogelijk onderscheid tussen emoties 
en gevoelens. Hij vraagt om een spiegel, ziet zijn gezicht en wordt geconfronteerd met een schouwspel van ravage. Vervolgens merkt hij op dat
‘de uiterlijke jammerklachten’, die op zijn gezicht tot uitdrukking komen,
‘slechts schaduwen zijn van ongezien verdriet’, een verdriet dat ‘in stilte
 groeit in de gekwelde ziel’.  Zijn verdriet bevindt zich, zoals hij zegt, ‘geheel 
van binnen’. In slechts vier versregels geeft Shakespeare aan dat het gebundelde en ogenschijnlijk enkelvoudige proces van gemoedsaandoeningen,
dat we vaak nonchalant en onverschillig aanduiden als emotie of gevoel, in 
onderdelen kan worden geanalyseerd.
 (Antonio Damasio Het gelijk van Spinoza p.31)

Give me that glass, and therein will I read.
(He takes the mirror.)
No deeper wrinkles yet? Hath sorrow struck
So many blows upon this face of mine
And made no deeper wounds? O flatt’ring glass,
Like to my followers in prosperity,
Thou dost beguile me. Was this face the face
That every day under his household roof
Did keep ten thousand men? Was this the face
That like the sun did make beholders wink?
Is this the face which faced so many follies,
That was at last outfaced by Bolingbroke?
A brittle glory shineth in this face.
As brittle as the glory is the face,
-He breaks the mirror.-
For there it is, cracked in an hundred shivers.
Mark, silent king, the moral of this sport:
How soon my sorrow hath destroyed my face.

Uit Richard II. Act 4, scene 1

Richard II of England
Hier ligt de beroemde Rafael. De Natuur, Moeder van alles, was tijdens zijn leven bang dat hij haar zou overvleugelen; maar toen hij stierf, ging ook Zij bijna dood.  (Kardinaal Bembo bij de begrafenis van Rafael)

Spiegelingen: door jezelf gezien worden.

Giula Marangoni Reflection photography

Tot dat andere kind
niet meer achter de spiegel
zal te vinden zijn
maar als kijker
zichzelf herkent,
tot dan
mag er van enige onbevangenheid sprake zijn.
Edward Coley Burne-Jones. The Mirror of Venus. 1870-76

According to Christopher Wood, "No picture illustrates better Burne-Jones's unique genius for blending together the two traditions of Pre-Raphaelitism and the Italian Renaissance into a new aesthetic style than The Mirror of Venus. The scene is purely imaginary, and shows Venus and her maidens gazing at their reflections in a pool of water. The landscape is arid and rocky; these strangely lunar landscapes were to become a recurring feature of his art, widely imitated by his followers. The mood and the colour are Pre-Raphaelite, but the conscious sweetness and elegance of the figures recall the Italian Renaissance, and, in particular, Botticelli, an artist greatly admired by Burne-Jones, and later to become a cult among fashionable aesthetes.
(Victorian Web)
Margaret Burne Jones. Schilder: Edward Burne-Jones 1885-1886

Langs ‘de mannenkant’ gaf het schilderij met de groep mooie meisjes die zich uitvoerig spiegelen natuurlijk aanleiding tot voor de hand liggende spot, verspreid als een briefkaart:

Studie voor de ‘The mirror of Venus’. Kijk naar het mooie ritme dat verwondering heet.

Study for the Mirror of Venus

Even vergeten dat een van de voornaamste ‘spiegelaars’ wel degelijk bij de mannelijk kunne mag gerekend worden.

Narcissus. geschilderd door Caraveggio
Maar als de spiegel 
de tijd ontmaskert.
Tussen wat was en wat worden zal.
'Boetvaardige Magdalena bij kaarslicht'.

‘De boetvaardige Magdalena’. Georges de la Tour 1640

De spiegel is een meester in illusie. Hij kan onze perceptie van de werkelijkheid manipuleren door middel van complexe optische illusies. Wanneer we door een spiegel kijken, kunnen de afmetingen van een kamer veranderen. De spiegel laat ons altijd maar een deel van de werkelijkheid zien, afhankelijk van de hoek waaronder we erin kijken. We zien alleen een gereflecteerde werkelijkheid die niet noodzakelijkerwijs overeenkomt met de waarheid. Het beeld verliest zijn geloofwaardigheid in de spiegel.
De spiegel is een speeltje van het licht, een instrument van de waarneming en een symbool van misleiding en illusie. (Lea Finke Fine Arts)

Julie Lebrun met Spiegel. Elisabeth Vigée-Lebrun 1787

De ontdekking van het verband tussen jonge kijkers en hun zelfbeeld is voor hedendaagse jochies vanzelfsprekender dan hun lotgenootjes uit de achttiende eeuw. Het blikkenspel tussen personage en toeschouwer dat via reflectie tot stand komt, kun je als een psychologische werking van de spiegel beschouwen. Door jezelf gezien worden. Vroege vormen van reflectie. Nu al vlug op talrijke thuis- en schoolschermen mogelijk.

Those who find ugly meanings in beautiful things are corrupt without being charming.
This is fault.
Those who find beautiful meanings in beautiful things are the cultivated.
For these there is hope.”

Oscar Wilde in The Picture of Dorian Gray uit 1891

Vrouw met spiegel. Giovanni Bellini. 1515

Een uitvoerige thesis ‘Reflections on Reflections, De spiegel in Belgische en Britse kunst. 1848-1918’ van Jana Wijnsouw met uitvoerig beeldmateriaal kun je raadplegen:

Bezoek ook:

Meisje

Keert zich een paar keer voor de spiegel
heen en weer
zoals een vogel voor een andere vogel doet
bekijkt zichzelf als voor het eerst
schikt en herschikt aan schouder, kraag,
likt aan haar lipstick, tuit,
fluit als een vogel, rekt zich van graagte
strekt haar nek,
lokroept in zich, giechelt, vliegt.

Judith Herzberg
In: Zoals (1987).

Albert Chevallier Tayler – The Mirror, 1914 (detail), oil on canvas

Niet meer de spiegel
maar jij
die mij aankeek
en daarna woordeloos vertelde
wat je blijkbaar had gezien.
Jij, mijn barmhartige spiegel, lief.

Gmt

Herfst, de kunst van het vallen

Four Putti flying Anonymus ? Volger van Cambiaso, Luca) XVI century Museo del Prado

Zwaartekracht schijnt voor deze vliegende putti onbestaand. Hun dartele manier van bewegen is eerder tuimelen. Onbevreesd in de diepte vallen waar op aarde Wassily Kandinsky met tinten blauw en groen omgeven, de vrucht- of bloemen dragende boom borstelde, herfst in Murnau. Kijk.

Gravity seems non-existent for these flying putti.  Their frisky way of moving is rather tumbling.  Falling fearlessly into the depths where on earth Wassily Kandinsky surrounded with shades of blue and green, brushed the fruit- or flower-bearing tree, autumn in Murnau.  See.

Vassily Kandinsky, 1908 Herfst in Murnau (klik op onderschrift om te vergroten)

In Arles
wisten twee met kleur doorweekte zielen
dat onvermijdelijk vallen
over de gekwetste tijden
uit te strijken.

In Arles
two colour-soaked souls knew
that inevitable falling
over the hurt times
out.

Paul Gauguin, Landscape in Arles near the Alyscamps, 1888, Musée d’Orsay, Paris, France.

The falling leaves drift by the window
The autumn leaves of red and gold
I see your lips, the summer kisses
The sun-burned hands I used to hold

Since you went away the days grow long
And soon I'll hear old winter's song
But I miss you most of all my darling
When autumn leaves start to fall

Het gevoel van dat noodzakelijke schoolopstel, een wandeling in de herfst, en dan vanuit je kamer dromen verzinnen -buiten is het nog te nat of gevaarlijk- en hoe zeere vallen z’af, de zieke zomerblaren van Gezelle daarna met puberstem op tape achterlaten want ik moet naar het zangkoor, ma- terwijl de lente in je lijf niet weet waar eerst uit te barsten, maar ook verloren lopen in weemoed, het wentelt onder ’t vallen en tenslotte voor levenslang sonnet 73 van de grote meester lezen en het jaren later begrijpen vanaf de eerste zin: ‘Dat jaargetij brengt mij in beeld voor jou.’



Dat jaargetij brengt mij in beeld voor jou,
als een of twee, of geen, geel blad nog hangt
aan takken die zich schudden in de kou-
naakt koorskelet, eens zoet van vogelzang.
Jij ziet in mij de schemer van de dag,
wanneer, ver west, het laatst, veeg licht vertrekt,
al haast vertreden door de zwarte nacht,
Doods schaduwbeeld, die 't al in doodsrust dekt.
Jij ziet in mij het gloeien van de gloed
die jeugdig vuur nog aanhoudt op zijn as
als op het doodsbed waar het sterven moet,
verteerd met dat wat eens zijn voedsel was.
Het sterkt je liefde, zou je daarvan leren
te minnen wat jou weldra zal mankeren.

(vertaling H.J.de Roy van Zuydewijn)

Denk je aan de titel van deze bijdrage: ‘Herfst, de kunst van het vallen’, dan gaat het de opsteller eerder over de diepte dan over het oplopen van kwetsuren. Denk aan Alice in Wonderland, zij valt in een konijnenpijp en komt daardoor in een absurde wereld terecht. Vallen is nieuwe evenwichten verkennen, jezelf bevragen, loslaten dus. De schrik voor de diepte overwinnen.

Wie ben jij?’ vroeg de rups.

Dat was geen bemoedigend begin voor een eerste gesprek. Alice antwoordde, nogal verlegen: ‘Ik… Ik heb geen idee, meneer, wie ik nu ben. Ik wist wie ik was toen ik vanochtend wakker werd, maar ik moet tenminste al wel zes keer veranderd zijn sindsdien.’ ‘Wat bedoel je daarmee?’ vroeg de rups streng. ‘Leg eens uit!’

‘Ik ben bang dat ik het niet zo goed uit kan leggen, meneer…’ stamelde Alice. ‘Omdat ik niet mezelf ben, ziet u.’

Het is maar één voorbeeld, maar in de kortende dagen, het vroege donker, de herdenking van wie ons voorgingen, de innigheid van de kersttijd, de hoop op het nieuwe jaar, spreekt het raadsel van wat, wie en waarom ons voortdurend aan. Je in de diepte toelaten kan voor wonderlijke dagen zorgen.



Herbsttag

Herr: es ist Zeit. Der Sommer war sehr gross.
Leg deinen Schatten auf die Sonnenuhren,
und auf den Fluren lass die Winde los.
Befiehl den letzten Früchten voll zu sein;

gib ihnen noch zwei südlichere Tage,
dränge sie zur Vollendung hin und jage
die letzte Süsse in den schweren Wein.
Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr.

Wer jetzt allein ist, wird es lange bleiben,
wird wachen, lesen, lange Briefe schreiben
und wird in den Alleeen hin und her
unruhig wandern, wenn die Blätter treiben.

Rainer Maria Rilke

Herfstdag

Heer: het is tijd. De zomer was zeer groots.
Leg op de zonnewijzers thans uw schaduw,
en stel de velden aan de winden bloot.
Beveel de laatste vruchten rijp te zijn;

verleen hun nog twee zuidelijker dagen,
stuw hen naar de voleinding, Heer, en jaag
de laatste zoetheid in de zware wijn.
Wie nu geen huis heeft, bouwt het ook niet meer.

Wie nu alleen is, zal het nog lang blijven,
zal waken, lezen, lange brieven schrijven,
in lanen rusteloos dwalen, telkens weer,
als op de wind de blaren zullen drijven.

Anton Korteweg
Foto door Pixabay op Pexels.com

De stilte als vindplaats (3)

Eigen foto Gmt
Wat is een gedicht?
 Een verstekeling in
 de stilte,
 op woorden betrapt.

(G. van der Graft)

De vindplaats een naam geven. Zeggen we: een gedicht. Het hoort perfect thuis in de stilte, maar…het blijft een ‘verstekeling’. Het ver-breekt de stilte. De woorden ervan verbergen zich in de stilte. Ze horen bij de stilte, zijn wellicht uit haar ontstaan maar verraden haar ook, doorbreken haar.

Toch kunnen ze niet zonder elkaar. Wellicht is het de bedoeling om met die woorden de essentie van de innerlijke stilte te benaderen, haar als water of vruchtbare aarde te beschouwen waaruit de woorden naar hun innigste betekenis zoeken, alle overbodigheid vermijden, om na hun verschijnen opnieuw in de stilte te verdwijnen

Maar…ze blijven ‘verstekelingen’. Blinde passagiers. Eens ontscheept (gelezen dus) bestaat de kans dat ze voor lange tijd bij jou blijven wonen.

Echter…eens het gedicht, of…de muziek in jouw wezen thuis is gekomen, verandert de wereld. De Zweedse dichter Lars Gustavson beschijft dat proces in ‘De stilte van de wereld voor Bach’. De muziek die zelfs het woord overstijgt.

"Er moet een wereld bestaan hebben voor
de Triosonate in D, een wereld voor de partita in A mineur,
maar hoe zag die wereld er uit?"

Hier kun je naar die prachtige triosonate luisteren:

DE STILTE VAN DE WERELD VOOR BACH
 
Er moet een wereld bestaan hebben voor
de Triosonate in D, een wereld voor de partita in A mineur,
maar hoe zag die wereld er uit?
Een Europa van grote lege vertrekken zonder weerklank,
overal onwetende instrumenten
waar Musikalisches Opfer en Das Wohltemperierte Klavier
nooit over een claviatuur waren gegaan.
Eenzaam gelegen kerken
waar de sopraanstem uit de Johannes Passion
zich nimmer in hulpeloze liefde slingerde
rond de mildere windingen van de fluit,
weidse zachtmoedige landschappen
waar alleen oude houthakkers met hun bijlen te horen zijn
het gezonde geluid van sterke honden in de winter
en - als een slingerklok - schaatsen klauwend in glansijs;
zwaluwen schermend in de zomerlucht
schelp waar het kind aan luistert
en nergens Bach, nergens Bach
schaatsstilte van de wereld voor Bach.
 
(uit De stilte van de wereld voor Bach, Lars Gustavson, vertaling en samenstelling  J, Bernlef, 1988)

De aria 'Zerfließe, mein Herze' uit de Johannes-Passion, hier uitgevoerd door de Nederlandse Bachvereniging voor All of Bach. De Johannes-Passion was de eerste passiemuziek die Bach als cantor in Leipzig schreef. Het passieverhaal zoals dat wordt verteld in het evangelie van Johannes, verschilt van dat in de drie andere evangeliën – die van Matteüs, Lucas en Marcus. De nadruk ligt bij Johannes op de goddelijke afkomst van Jezus. Door het lijden heen blijft die goddelijke afkomst steeds een rol spelen, Jezus wordt nergens zo menselijk als in de andere evangeliën. 
Poetry of silence from Jaume Plensa i Suñé

Uit ‘The Aesthetics of Silence’ van Susan Sontag (1933-2004)

“De keuze van de voorbeeldige moderne kunstenaar voor stilte wordt zelden doorgevoerd tot dit punt van uiteindelijke vereenvoudiging, zodat hij letterlijk stil wordt. Typischer is dat hij blijft spreken, maar op een manier die zijn publiek niet kan horen…”

“De chronische gewoonte van de moderne kunst om haar publiek te ontstemmen, provoceren of frustreren kan worden gezien als een beperkte, plaatsvervangende deelname aan het zwijgideaal dat in de hedendaagse esthetiek is verheven tot een belangrijke norm voor “ernst”.

“Maar het is ook een tegenstrijdige vorm van deelname aan het zwijgideaal. Het is niet alleen tegenstrijdig omdat de kunstenaar kunstwerken blijft maken, maar ook omdat de afzondering van het werk van zijn publiek nooit duurt… Goethe beschuldigde Kleist ervan dat hij zijn toneelstukken had geschreven voor een “onzichtbaar theater”. Maar uiteindelijk wordt het onzichtbare theater “zichtbaar”. Het lelijke, disharmonische en zinloze wordt “mooi”. De geschiedenis van de kunst is een aaneenschakeling van succesvolle overtredingen.”

Illustration by John Vernon Lord from a rare edition of Through the Looking-Glass and What Alice Found There.

The exemplary modern artist’s choice of silence is rarely carried to this point of final simplification, so that he becomes literally silent. More typically, he continues speaking, but in a manner that his audience can’t hear…

Modern art’s chronic habit of displeasing, provoking, or frustrating its audience can be regarded as a limited, vicarious participation in the ideal of silence which has been elevated as a major standard of “seriousness” in contemporary aesthetics.

But it is also a contradictory form of participation in the ideal of silence. It is contradictory not only because the artist continues making works of art, but also because the isolation of the work from its audience never lasts… Goethe accused Kleist of having written his plays for an “invisible theatre.” But eventually the invisible theatre becomes “visible.” The ugly and discordant and senseless become “beautiful.” The history of art is a sequence of successful transgressions.

‘The Aesthetics of Silence’ van Susan Sontag (1933-2004)

“Stilte” houdt nooit op haar tegendeel te impliceren en afhankelijk te zijn van haar aanwezigheid: net zoals er geen ‘op’ kan zijn zonder ‘neer’ of ‘links’ zonder ‘rechts’, zo moet men een omringende omgeving van geluid of taal erkennen om stilte te herkennen…

“Een echte leegte, een pure stilte is niet haalbaar – niet conceptueel en niet feitelijk. Alleen al omdat het kunstwerk bestaat in een wereld die is ingericht met vele andere dingen, moet de kunstenaar die stilte of leegte creëert iets dialectisch produceren: een volle leegte, een verrijkende leegte, een resonerende of welsprekende stilte. Stilte blijft, onontkoombaar, een vorm van spreken (in veel gevallen van klagen of aanklagen) en een element in een dialoog.” (ibidem)

A binaural torso for spatial recording inside the anechoic chamber at Orfield Laboratories.Credit…Alec Soth/Magnum, for The New York Times

De ’totale’ stilte maakt je inderdaad gek. De ervaringen in ‘de dode ruimte’ van een studio, een plaats met 0,0 echo-waarden, zijn geen waarborg voor een prettige verblijfplaats.


“You’ll hear your heart beating,” Orfield was quoted as saying. And: “In the anechoic chamber, you become the sound.” The experience was so “disconcerting,” The Daily Mail reported, that no one had ever “survived” a visit of longer than 45 minutes. (NY Times Could I survive the quietest place on earth?)

De geluiden van het dagelijks leven zijn dus niet altijd onmiddellijk storend, al verkies ik graag de stilte van het bos boven de ritmes van voorbijflitsende wagens op een autoweg. En luister naar deze opname:

De ‘drukke’ wereld blijft aanwezig, maar de rust van het kabbelend water zal je zonder veel moeite naar een bucolisch landschap voeren. Stilte is ook je van de drukte en haar geluiden kunnen ontdoen door je te concentreren op je al dan niet scheppend werk, om je innerlijke wereld vanuit de verworven stiltes ook te kunnen wapenen tegen het alledaagse geweld. De stilte van je innerlijk bestaan.

Johan Christian Dahl, Noors landschap met regenboog, 1821, Statens Museum for kunst, Kopenhagen

“Wanneer hij eenmaal is begonnen met praten, is het lastig Zwagerman te onderbreken. Voorbeelden van stilte in de literatuur, in zijn eigen werk of dat van Gerard Reve, en stilte en verdwijning in de kunst, zoals bij perfomance-kunstenaar Marina Abramovic, omschrijft hij kleurrijk.
‘Door zielsverhuizing weet je pas wat stilte is. Luister maar naar Prince, een volbloed romanticus. In een nummer dat If I was your girlfriend heet, eindigt hij met de zin ‘Now I know what silence looks like’. Kortom: de ik-figuur probeert door de stilte en in de stilte zijn geliefde te bereiken. En niet door zijn geliefde te bezitten en haar te willen, maar door de ander te willen zijn.’ Zelf hoopt hij nu een aanstekelijk beeld voor de lezer te hebben beschreven van deze zoektocht naar de stilte.”

(Het Parool: Laatste gesprek met Joost Zwagerman: over stilte en zelfverdwijning. Aimée Plukker en Kim Visbeen 10 sept. 2015)





De stilte als vindplaats (2)

‘Stilte’ Nikolai Doubovskoi Tretyakov Gallery Moskou Klik op onderschrift voor veroting

Deze versie van een dreigend onweer is al een copie van het oorspronkelijke doek van de Russische landschapsschilder Nikolai Doubovskoi, in 1890 tentoongesteld en door Tsaar Alexander III onmiddellijk aangekocht. Dat oorspronkelijke doek kun je hieronder bekijken:

‘Stilte voor de storm’ Nikolai Doubovskoi Russisch Museum Klik op onderschrift voor vergroting

Er zwerven zeker nog meer al dan niet ‘officiële’ versies rond in diverse uitvoeringen want het thema van ‘de dreigende stilte’ spreekt aan, heeft vaak al een eigen ervaringscontext. Herinner je. In mijn eigen kindertijd zijn ze met de augustus-onweders verbonden. Geen angst, maar gordijnen open en stoelen op een rij alsof we naar een toneelstuk zouden kijken, tussen bliksem en donder aftellend. ‘Ja, het komt dichterbij!’ Olim meminisse iuvabit, later zal de herinnering genoegen verschaffen. Ja, later. Dus is enige troost voor dat helaas te vlug voorbije ‘later’ best op zijn plaats. De prachtige stemmen van Voces8 zingen ‘May it be’, het ‘Liedje van Enya’ uit de Lord of the Rings. Het betoverde eiland. (3’44”)

Liedje van Enya

May it be an evening star
Shines down upon you
May it be when darkness falls
Your heart will be true
You walk a lonely road
Oh, how far you are from home
Mornie utulie
Believe and you will find your way
Mornie alantie
A promise lives within you now
May it be the shadow's call will fly away
May it be your journey on to light the day
When the night is overcome
You may rise to find the sun
Mornie utulie
Believe and you will find your way
Mornie alantie
A promise lives within you now
A promise lives within you now

(Songwriters: Howard Leslie Shore
Songteksten voor May It Be © New Line Tunes)

Lesser Ury Gare haute Bülowstrasse La Nuit 1922 (klik op onderschrift voor vergroting)

Ach, de nacht: verdoken en verdrongen
bezoeken
oude en vaak vertelde verhalen
de noodzaak
het wonder wakker te schudden;
onwetend hoe en waar het zal verschijnen
en of genezen of verschrikken
aan de orde is.

Gmt
De nacht Wassily Kandinsky

Op zoek naar allerlei nachtelijke deurtjes om ‘oh’ of ‘ah’ te kunnen zeggen, vond ik een mooie, zeldzame vertaalde tekst van Kahlil Gibran, Libanese dichter en romanschrijver, bijna bij iedereen bekend met zijn werk ‘The Prophet’ uit 1933. Een overzicht, overgenomen van ‘gedichten nl.’


[Bsharri 1883 –  New York 1931]
Kahlil  (óók gespeld als Khalil) Gibran was een Libanese dichter en romanschrijver.
Hij schreef zowel in het Engels als in het Arabisch.
Gibran verhuisde naar  New York in 1912. Hij combineerde elementen van Oosters en Westers mystiek denken. Hij werd  wereldbekend met aforistische, poëtische werken zoals De Profeet (1923) en Jesus, de Zoon van de Mens (1928).

Kahlil Gibran heeft met zijn poëtische werken geschiedenis geschreven; zijn boek 'De Profeet' is aangeslagen bij het publiek en wordt tot op de dag van vandaag door velen gebruikt als persoonlijke leidraad.

Hij staat in de Arabische wereld bekend als een onafhankelijk denker, die schreef met een voorkeur voor het kijken over grenzen en verschillen heen. Zijn werk is toegankelijk voor godsdienstigen en atheïsten. Behalve schrijven schilderde hij;  zijn boeken worden soms verluchtigd door eigen werken.

Werk:
Ara'is al-Muruj (Nymphs of the Valley, vertaald als Spirit Brides, 1906) al-Arwah al-Mutamarrida (Spirits Rebellious, 1908) al-Ajniha al-Mutakassira (Broken Wings, 1912) Dam'a wa Ibtisama (A Tear and A Smile, 1914) The Madman (1918) al-Mawakib (The Processions, 1919) al-‘Awāsif (The Tempests, 1920) The Forerunner (1920) al-Bada'i' waal-Tara'if (The New and the Marvellous,1923) The Prophet, (1923) Sand and Foam (1926) The Son of Man (1928) The Earth Gods (1929) The Wanderer (1932) The Garden of The Prophet (1933)
Een foto uit zijn jeugdjaren vult aan wat niet dadelijk in taal te duiden is:


The Seven Selves
By Kahlil Gibran

In the stillest hour of the night, as I lay half asleep, my seven
selves sat together and thus conversed in whisper:
 


First Self:  Here, in this madman, I have dwelt all these years,
with naught to do but renew his pain by day and recreate his sorrow
 by night.  I can bear my fate no longer, and now I rebel.
 


Second Self:  Yours is a better lot than mine, brother, for it is 
given to me to be this madman’s joyous self.  I laugh his laughter 
and sing his happy hours, and with thrice winged feet I dance
 his brighter thoughts.  It is I that would rebel against my weary 
existence.
 


Third Self:  And what of me, the love-ridden self, the flaming brand 
of wild passion and fantastic desires?  It is I the love-sick self
 who would rebel against this madman.
 


Fourth Self:  I, amongst you all, am the most miserable, for naught
 was given me but odious hatred and destructive loathing.  It is 
I, the tempest-like self, the one born in the black caves of Hell,
 who would protest against serving this madman.
 


Fifth Self:  Nay, it is I, the thinking self, the fanciful self,
the self of hunger and thirst, the one doomed to wander without rest in search of unknown things and things not yet created; it is
I, not you, who would rebel.
 


Sixth Self:  And I, the working self, the pitiful labourer, who,
with patient hands, and longing eyes, fashion the days into images 
and give the formless elements new and eternal forms—it is I, the 
solitary one, who would rebel against this restless madman.
 


Seventh Self:  How strange that you all would rebel against this 
man, because each and every one of you has a preordained fate to
 fulfill.  Ah! could I but be like one of you, a self with a determined 
lot!  But I have none, I am the do-nothing self, the one who sits
 in the dumb, empty nowhere and nowhen, while you are busy re-creating 
life.  Is it you or I, neighbours, who should rebel?
 


When the seventh self thus spake the other six selves looked with pity upon him but said nothing more; and as the night grew deeper
 one after the other went to sleep enfolded with a new and happy 
submission.
 


But the seventh self remained watching and gazing at nothingness,
which is behind all things.
This portrait of 15-year-old Kahlil Gibran was made in 1898 by one of his mentors, photographer and publisher Fred Holland Day. (Library of Congress)


De zeven zelven.
Kahil Gibran


In het stilste uur van de nacht, toen ik half lag te slapen, zaten mijn zeven zelven samen en spraken fluisterend met elkaar:

Eerste Zelf: Hier, in deze gek, heb ik al die jaren gewoond, met niets anders te doen dan zijn pijn overdag te vernieuwen en zijn verdriet ’s nachts te herscheppen. Ik kan mijn lot niet langer dragen en ik kom nu in opstand.

Tweede Zelf: Jij hebt een beter lot dan het mijne, broer, want het is mij gegeven om het vreugdevolle zelf van deze gek te zijn. Ik lach zijn lach en zing zijn gelukkige uren, en met drie gevleugelde voeten dans ik zijn heldere gedachten. Ik ben het die zou rebelleren tegen mijn vermoeiend bestaan.

Derde Zelf: En hoe zit het met mij, het door liefde geteisterde zelf, het vlammende merk van wilde passie en fantastische verlangens? Ik ben het liefdeszieke zelf dat in opstand zou komen tegen deze gek.

Vierde Zelf: Ik, onder jullie allen, ben de meest ellendige, want niets werd mij gegeven dan verfoeilijke haat en vernietigende afkeer. Ik ben het, het onstuimige zelf, geboren in de zwarte grotten van de Hel, die moet protesteren tegen het dienen van deze gek.

Vijfde Zelf: Nee, ik ben het, het denkende zelf, het fantasierijke zelf, het zelf van honger en dorst, degene die gedoemd is zonder rust rond te dwalen op zoek naar onbekende dingen en dingen die nog niet geschapen zijn; ik ben het, niet jij, die in opstand moet komen.

Zesde Zelf: En ik, het werkende zelf, de meelijwekkende arbeider, die met geduldige handen en verlangende ogen de dagen tot beelden boetseert en de vormloze elementen nieuwe en eeuwige vormen geeft – ik ben het, de eenzame, die in opstand moet komen tegen deze rusteloze gek.

Zevende Zelf: Hoe vreemd dat jullie allemaal in opstand zouden komen tegen deze man, want ieder van jullie heeft een voorbeschikt lot te vervullen. Ach! Kon ik maar zijn als een van jullie, een zelf met een vastbesloten lot! Maar dat heb ik niet, ik ben de nietsdoener, degene die in het stomme, lege nergens en nu zit, terwijl jullie druk bezig zijn met het herscheppen van het leven. Zijn jullie het of ik, buren, die in opstand moet komen?

Toen het zevende Zelf aldus sprak, keken de andere zes zelven met medelijden naar hem maar zegden niets meer; en naarmate de nacht dieper werd, viel het een na het ander zelf in slaap, omhuld met een nieuwe en gelukkige overgave.

Maar het zevende zelf bleef kijken en staren naar het niets, dat achter alle dingen ligt.

(vertaling Gmt)

Designed and created by Kahlil George Gibran, a bronze plaque of Gibran holding a copy of The Prophet—one of the best-selling books of all time—was set atop inscribed granite in 1977 at the edge of Boston’s Copley Square, where it memorializes the writer and artist’s legacy of humanitarianism and generosity.

Bezoek: The borderless World of Kahlil Gibran

https://www.aramcoworld.com/Articles/July-2019/The-Borderless-World-of-Kahlil-Gibran

De stilte als vindplaats

Kees Verwey, Bloemstilleven met witte kom, jaartal onbekend Olieverf op doek, 68 x 89 cm incl. lijst Collectie Stichting Kees Verwey.

Sommigen zullen bij het horen van zijn naam aan Albert Verwey denken. Dat is de neef van Kees. (Amsterdam, 20 april 1900-Haarlem, 23 juli 1995). Ik kan je allerlei dingen gaan vertellen over Kees Verwey, maar stel dat je daar nieuwsgierig naar bent dan is het een kleine moeite om langs Wikipedia te lopen met diverse andere bronnen in de dichte en iets verdere omtrek. In zijn bloemstilleven hierboven trof mij de stilte. Het grootste gedeelte van Kees Verweys’ werk bestaat uit bloemstillevens, maar het was vooral dit bovenstaande stilleven dat door kleur, opstelling en in combinatie met het lege kommetje het woordeloze nabij bracht. Rust. Het donkere, een vlek rood, wit dat naar mauve tinten uitloopt, de blauw-groene achtergrond, de ronding van het lege kommetje. Stilte.

Drie minuten zestien seconden duurt het mooie gezang hierboven, Voces8 zingt een motet van Anton Brückner: ‘Locus iste’. Vertaald: Dit is de plaats.

'Deze plaats is door God gemaakt, 
tot een sacrament
met niets te vergelijken,
onberispelijk.'

'Locus iste a Deo factus est, inaestimabile
sacramentum irreprehensibilis est.'
Deze Latijnse tekst wordt doorgaans gebruikt bij de wijding van een kerk of kapel, en Anton Brückner componeerde dit motet in 1869  voor de wijding van de votief kapel van de nieuwe kathedraal in het Oostenrijkse Linz, waar hij als organist werkzaam was. 

‘Een filosoof vroeg de Boeddha ‘Kunt u de waarheid vertellen zonder woorden en zonder woordeloosheid ?’ Waarop de Boeddha zweeg. Omdat echte stilte voorbij woorden en woordeloosheid ligt werd de filosoof door dit antwoord bevrijd van zijn illusies. (EoR 13:323)

Yves Klein, Éponge (SE251) (Sponge [SE 251]), 1961 · SFMOMA

Schrift en beeld vond plaats in een tijd van nieuwe stromingen zoals Fluxus, performancekunst, pop art en de ontluikende minimal art. Tegenover die tendensen nam deze tentoonstelling een conservatieve en defensieve positie in. Wat de nieuwe stromingen vooral onhandelbaar maakte, was dat ze geen enkele toegang boden tot een achterliggende betekenis. Eind jaren vijftig had Yves Klein al zijn aversie tegen het lezen van kunst geventileerd: “I can no longer approve of a ‘legible’ picture, my eyes are not made to read a picture but rather to see it. Painting is color, and Van Gogh exclaimed: “I want to be liberated from I don’t know what prison”. I think he subconsciously suffered from seeing color cut up by line and its consequences.”

"Ik kan niet langer een 'leesbaar' schilderij goedkeuren, mijn ogen zijn niet gemaakt om een schilderij te lezen maar om het te zien. Schilderen is kleur, en Van Gogh riep uit: "Ik wil bevrijd worden uit ik weet niet welke gevangenis". Ik denk dat hij onbewust leed onder het feit dat hij kleur versneden zag worden door lijn en de gevolgen daarvan.”

De Witte Raaf: Eenzame beelden: over vormen van taal in kunst, Margriet Schavemaker Editie 104, juli-augustus 2003

Rond dezelfde tijd betoogde Susan Sontag in haar essay Against Interpretation dat in veel van de nieuwe kunst geen sprake was van een diepere betekenis. Daarom was dit soort kunst ook niet geschikt om te analyseren en te interpreteren: “What we decidedly do not need now is further to assimilate Art into Thought.” 

Lees:

Stilleven met strohoed, eind nov.-half december 1881 Vincent Van Gogh Olieverf op papier op doek

Met het stilleven van Kees Verwey bracht ik je naar het begrip ‘stilte’. Niet als betekenis, maar als ervaring. De volgende stap ‘Locus Iste’ gezongen door de voortreffelijke Voces8 voerde ons naar een gewijde plaats, naar een werkelijkheid waarin een contact tussen ‘het totaal andere’ en de beschouwer centraal kwam.
Maar voorbij de woorden en de woordeloosheid zou je bij de bevrijding van je illusies uitkomen, besloten we met de Boeddha. Wat dat dan ook mag zijn.

Odilon Redon ‘L’ Art Céleste tekening Lithographie on paper

En als de cirkel rond is, kom je bij dezelfde kunstenaar, Odilon Redon, bij de stilte uit met dit bekende werk uit 1911. Het kreeg ‘stilte’ als naam. Stilte. Niet met de vermanende wijsvinger op de stoute lippen gedrukt, maar samen met wijs- en middelvinger, zoals je een kusje zou versturen naar de beminde. Vriendelijk verzoekend. Laten we stil zijn.

Odilon Redon ‘Silence ‘ c. 1911




Ik heb mij met moeite alleen gemaakt.

je zou niet zeggen: je zou niet zeggen dat
het zoveel moeite kost alleen te zijn als
een zon rollende over het grasveld

neem dan - vriend!- de mieren waar
wonend in hun paleizen als een mens
in zijn verbeelding -; wachten zij op regen en
graven dan verder: het puur kristal
is hen zand geworden.

in het oog van de nacht woon je als een merel,
of als een prins in zijn boudoir: de kalender
wijst het zeventiende jaar van Venetië en
zachtjes, zachtjes slaan zij het boek dicht.

kijk! je schoenen zijn van perkament

o - mijn vriend - deze wereld is niet de echte.

Hans Lodeizen

Later wordt het, maar nooit te laat(?) (3) ‘Devouring Time’

The Boy with the Arrow (Portrait of the Artist’s Son) (1903), Douglas Volk -Smithsonian American Art Museum-

Ook hier is een toevallige vondst, een schilderij: ‘The Boy with the Arrow’ van de Amerikaanse schilder Douglas Volk (1856-1935) een aanleiding om het over een aspect van de ‘tijd’ te hebben. Laten we maar meteen de meester citeren: ‘Devouring Time’, of het negentiende sonnet van William Shakespeare:

19

Devouring Time, blunt thou the lion's paws
And make the earth devour her own sweet brood,
Pluck the keen teeth from the fierce tiger's jaws
And burn the long-lived phoenix in her blood,
Make glad and sorry seasons as thou fleet'st,
And do whate'er thou wilt, swift-footed Time,
To the wide world and all her fading sweets.
But I forbid thee one most heinous crime:
O carve not with thy hours my love's fair brow
Nor draw no lines there with thine antique pen.
Him in thy course untainted do allow,
For beauty's pattern to succeeding men.
   Yet do thy worst, old Time. Despite thy wrong
   My love shall in my verse ever live young

Tijd, veelvraat, leg de leeuwenklauw aan banden,

Voer aarde op wat ze heeft uitgebroed,

Ontdoe de tijger van zijn rotte tanden,

Bereid de oude fenix in zijn bloed,

Maak de seizoenen goed of laat ze kwijnen,

Doe wat je wilt, jij gluiper Tijd, je ziet

Al wat de wereld mooi maakt weer verdwijnen.

Maar er is één ding dat ik je verbied.

Kerf niet je uren in mijn liefs gezicht,

En trek daar met je oude pen geen sporen,

Spaar hem, een nieuwe generatie richt 

Zich op zijn schoonheid, die mag niet verloren.
   
Ach, oude Tijd, doe maar je kwade werk.
   
Mijn vers houdt mijn lief levend, jong en sterk.

vertaling: Willem van der Vegt 2008

The boy in the painting is Volk’s own son Leonard during that time in a boy’s life where he is no longer a boy yet not quite a man either. This painting was displayed around the time that Peter Pan was first introduced to the public. It’s thought that Peter Pan had many thinking about this time in a boy’s life called adolescence and might have influenced how popular this painting was at the time.
The painting depicts young Leo sitting in the woods on a large rock while holding an arrow and looking into the distance as if contemplating some major decision. He is dressed as a typical American boy of the period and sits in the shade of a large tree.

Je moet al een beetje verder gaan zoeken naar de biografische achtergrond. Leo, eerste zoon van schilder en kunst-pedagoog Douglas Volk is heel jong gestorven. Nauwelijks acht jaar geworden. De dromerige jongen hierboven een voorloper van de geciteerde Peter Pan is een poging van de schilder de ‘devouring Time’ toch nog even te verschalken, of is de toewijzing gewoon een fout in het biografisch materiaal? Maar ook dan blijft het een poging om het snel voorbijgaan van de tijd te isoleren in een portret dat voor altijd het jeugdige bevriest. Er zijn immers talrijke vormen van aanwezigheid. Het beeld. Een gedicht. Zoals je de woorden uitspreekt, hun melodie hoort en de betekenis weer op een heel andere manier tot je doordringt. Luister. Een minuut veertien seconden.

Soms komt er een woord op bezoek. Een vermoeid woord. Vragen om onderdak.

Woord op bezoek

Gewoon een vermoeid woord was het,
-of het enkele weken mocht logeren
 in de stille hoeken van het huis –
er zijn als ik naar de rood verkleurende
wingerd keek achter in de tuin, of naast de kat
mocht slapen die zacht kreunend droomde,
vier witte voetjes bij elkaar, kussentjes als
uitstekende rustplaats voor een vermoeid woord.
Ook in het strijklicht van de late middag in de veranda
zou het zich ontrollen, zijn letters loslaten
in de spiegeling van het vijverwater op de zoldering.

Onuitgesproken kon het zijn klanken 
met de vroege avond laten vallen.
In het donker van mijn ogen slapen
was veel gevraagd, maar het kon.

Van de boeken bleef het ver vandaan,
het was maar een eenvoudig woord, zei het,
wars van literaire pretenties,
maar niet zo simpel of zo slaafs als een lidwoord,
wel te lui  voor dubbelzinnigheid.

Graag ontdaan van zijn betekenis zou het
doorzichtig en onzichtbaar zijn,
-ik dacht aan het volle maanlicht in het trappenhuis-
maar in haar sluimerslaap schrok de poes
toen het smartelijk om verloren letters riep.

Die nacht, in het donker van mijn ogen,
droomde ik zijn verlangen om bij het ander woord te zijn.
Met enkele krullen en wat streepjes meer
zou het van zijn woordblindheid genezen.
Een woordspeling hoefde niet,
gewoon samen in het woordenboek wonen
zoals ‚gaandeweg’ of ‚pepermunt’.

We werden heel vroeg wakker,
droevig om elkaars tekort.

'On' en 'af', twee vermoeide woorden in een winternacht.
Wie ons verenigde, herkende wel
het eigen heimwee naar verloren letters en dies meer.

Onaf maar onafscheidelijk.

Gmt
Man in Hammock Albert Gleizes, 1913



Word on visit

Just a tired word it was,
-whether it could stay for a few weeks
in the quiet corners of the house -
being there when I looked at the red discoloured
vine at the back of the garden, or next to the cat
was allowed to sleep groaning softly dreaming,
four white feet together, cushioned as an
excellent resting place for a weary word.
Even in the floodlight of late afternoon in the veranda
it would unfurl, releasing its letters
in the reflection of the pond water on the ceiling.

Unspoken it could let its sounds
drop with the early evening.
Sleeping in the darkness of my eyes
was asking a lot, but it could.

From the books it stayed far away,
it was just a simple word, it said,
averse to literary pretensions,
but not as simple or as slavish as an article,
too lazy for ambiguity, though.

Gladly stripped of its meaning, it would
transparent and invisible.
-I thought of the full moonlight in the stairwell-
but in its slumber the cat was startled
as it cried out grievously for lost letters.

That night, in the darkness of my eyes,
I dreamed its desire to be with the other word.
With a few more curls and a few more dashes
would cure it of its word blindness.
There was no need for a pun,
just live in the dictionary together
like 'ongoing' or ‘peppermint'.

'On' and 'off', two tired words on a winter night.
Those who united us did recognise
their own nostalgia for lost letters and the like.

Undone but inseparable.

Gmt
Slapende vrouw met Kat Władysław Ślewiński, 1896

Er is het beeld, de poëzie om jou uit de muil van de verslindende tijd terug te halen, hoe tevergeefs ook. Maar ook de muziek. ‘Come again, sweet love doth now invite.’ van John Dowland naar een anonieme tekst. Uitvoering Konstantin Mizkevitch en ensemble. Full page is de tekst goed leesbaar.

Come again
Sweet love doth now invite
Thy graces that refrain
To do me due delight
To see, to hear
To touch, to kiss
To die with thee again
In sweetest sympathy
Come again
That I may cease to mourn
Through thy unkind disdain
For now left and forlorn
I sit, I sigh
I weep, I faint
I die, in deadly pain
And endless misery
Gentle love
Draw forth thy wounding dart:
Thou canst not pierce her heart;
For I that do approve
By sighs an d tears
More hot than are
Thy shafts, did tempt while she
For scanty tryumphs laughs

Het beeldtype stelde Hypnos voor als een adolescent of, in sommige varianten, als een nog jonger kind. Hij werd voorwaarts rennend afgebeeld, met klaprozen in zijn rechterhand en een drinkhoorn in zijn linker, waaruit hij vermoedelijk een slaapdrankje goot. Op dit hoofd is te zien hoe vleugels uit zijn slapen ontsprongen en zijn haar was uitvoerig gerangschikt in een reeks weelderige lokken, sommige vielen vrij, andere waren vastgebonden in een knoop achter op het hoofd.
Hypnos duikt voor het eerst op in de mythologie in het werk van een van de vroegste Griekse dichters, Hesiod (leefde rond 700 voor Christus), waar Hypnos (Slaap) en Thanatos (Dood) de verschrikkelijke zonen van Nyx (Nacht) waren. Hypnos werd echter over het algemeen gezien als goedaardig voor de mensheid. De god werd vaak genoemd in literaire bronnen en werd geassocieerd met klaprozen en slaapmiddelen. De vleugels van Hypnos stelden hem in staat om zich snel over land en zee te verplaatsen en om het voorhoofd van de vermoeiden te wapperen tot ze in slaap vielen. Zijn zoon was Morpheus, de personificatie van dromen.




Later wordt het, maar nooit te laat(?) (1) ‘Frederic Seidel’ (1936- )

Friedrich Moritz August Retzsch – Faust und Mephisto beim Schachspiel, Öl auf Leinwand, 29 x 34 cm

Zijn de straten leger? Bewoners uitgezwermd? In het heen en weer van de vakantiedagen hebben we het over de tijd. Niet de eerste keer maar bij enig nadenken verwijzen wij in onze levens voortdurend naar het verleden. Weet je nog wel, oudje? En wat met die nog vreemdere tijd van straks-en-morgen om van overmorgen nog te zwijgen?

Faust is het verhaal van een naar kennis strevende dokter en zijn gewiekste tegenstander, de duivel en zieltjes winnende Mephisto. In ruil voor zijn ziel, kan Faust voor een beter leven gaan. Faust is de belichaming naar dat verlangen naar een beter leven. Faust moet kiezen tussen de kracht van het geloof en de zekerheid van wetenschappelijke inzichten; tussen egocentrische zelfverwezenlijking en maatschappelijke erkenning;  tussen een kuis bid en werk en erotisch hedonisme. Iets van alle tijden? Iets typisch Duits?  (Remy in Wonderland). Hoe dus met deze zgn. keuze omgaan?

Vraag het aan een dichter. Een dichter met jaren op de teller. Frederick Seidel, USA jaargang 1936, dus achtentachtig geworden op 19 februari.


In a 2002 profile of Seidel in The Nation, Robyn Creswell writes:
"He is not a satirist, though he can be very wicked, and the comedy of his poems is not the comedy of manners. Instead, it is the more desperate, more affecting comedy of belatedness, in which the poet finds that his voice is only an accent, and that all accents are only echoes. What makes Seidel stand out among American poets, however, is not just his air of early-blooming ennui but the fact that he is uniquely contemporary."


"Hij is geen satiricus, hoewel hij heel boosaardig kan zijn, en de komedie van zijn gedichten is niet de komedie van de zeden. In plaats daarvan is het de meer wanhopige, meer ontroerende komedie van de laatheid, waarin de dichter ontdekt dat zijn stem slechts een accent is, en dat alle accenten slechts echo's zijn. Wat Seidel echter onderscheidt onder de Amerikaanse dichters is niet alleen zijn air van vroegbloeiende ennui, maar ook het feit dat hij uniek hedendaags is."
What Next

So the sun is shining blindingly but I can sort of see.
It’s like looking at Mandela’s moral beauty.
The dying leaves are sizzling on the trees
In a shirtsleeves summer breeze.

But daylight saving is over.
And gaveling the courtroom to order with a four-leaf clover
Is over. And it’s altogether November.
And the Pellegrino bubbles rise to the surface and dismember.

Source: Poetry (September 2012)

De beste gedichten van Frederick Seidel balanceren op het scherp van de snede tussen de diagnose van wat er mis is en zelf in de fout zijn. Net als zijn vorige 18 bundels, gaat “So What” over esthetische bezigheden en lichamelijke problemen, diep gevoelde persoonlijke verliezen en de kluwen van kwaad en horror in de wereld. Met bijna 140 pagina’s bevat de bundel gedichten die aanvoelen als herhalingen van technieken en raakvlakken uit het verleden, met een uitgeput gevoel van urgentie. Maar Seidel is een van onze beste hedendaagse dichters, en hij is tot ver in zijn negende decennium blijven schrijven, knap en als een parodie op knap schrijven.



“1937.” A Poem by Frederick Seidel
(From the Collection “So What”)

It’s always about to rain except

When it’s already raining, like now.

They go from the pub to the cinema through the rain,

To the newsreel and the Disney cartoon,

With tickets that are half-price

One day a week in the afternoon.

It was the Basque city of Guernica last week,

Weeping under airplanes dropping bombs.

Walt Disney is not Picasso,

But his art is gloriously sunny,

But Mickey Mouse has already said

The poems of Lorca will never be funny.

Disney, the century’s genius, makes amends.

Only he can make butterflies

And hurricanes make friends.

D. H. Lawrence is a kamikaze

Burning up the sky

On his way to bite

England explosively and die.

He has bad English teeth

That are sharp as a shark

And a burning brain

That sings like a lark.

Silkworms eat mulberry leaves to feed

Rainer Maria Rilke the silk he needs

To address the angelic orders.

Even the enormous angels

Dismount from the sublime, dismount

From Pegasus, the horse with wings,

And instead of wine, sip brine.

The nostrils of the T. S. Eliot crocodile

Lurk just above the surface of the river Nile.

His periscope is two nostrils that watch like eyes.

His snout stays submerged
In water bitter as bile.

Kisses of passion grunt like electroshock

And cause convulsions and rigor mortis

And sexually join together
Two hard-shelled hunchbacks,

Each shaped like a tortoise.

They’re Eliot, they’re Lawrence,

Each honking on and on, on his moral high horse.

If Lawrence caught her,

Lawrence would slaughter
Emily Dickinson, Eliot’s daughter.

Some will get sick and some will die

But that is not the reason why

A small plane

Tows an advertisement

For a nearby bar and restaurant

Through the sky

Above the beach at Gibson Lane.

It is the opposite of insane.

Everybody knows Pete the pilot.

It’s his plane,

Which he crashes without harm now and again.

Black marvelous waves, white August,

Is the summer song of Gibson Beach.

There’s a skywriting plane crossing the sun

With a marriage proposal from someone for someone.

Frederick Seidel




Frederick Seidel has been hailed as “the poet of a new contemporary form” (Dan Chiasson, The New York Review of Books) and “the most frightening American poet ever” (Calvin Bedient, Boston Review). The poems in Frederick Seidel Selected Poems span more than five decades and provide readers with some of Seidel’s most powerful work. Frederick Seidel’s many books of poems include Peaches Goes It Alone, The Cosmos Trilogy, Ooga-Booga, Poems 1959–2009, Nice Weather, and Widening Income Inequality, all published by Farrar, Straus and Giroux.
1937. 
Een gedicht van Frederick Seidel

Het gaat altijd regenen, behalve
Als het al regent, zoals nu.
Ze gaan van de pub naar de bioscoop door de regen,
Naar het journaal en de Disney tekenfilm,
Met kaartjes aan halve prijs

Eén dag per week in de namiddag.
Vorige week was het de Baskische stad Guernica,
huilend onder vliegtuigen die bommen lieten vallen.
Walt Disney is geen Picasso,
maar zijn kunst is glorieus zonnig,

Maar Mickey Mouse heeft al gezegd
De gedichten van Lorca zullen nooit grappig zijn.
Disney, het genie van de eeuw, maakt het goed.
Enkel hij kan vlinders maken
En orkanen maken vrienden.

D. H. Lawrence is een kamikaze
Verbrandt de hemel
Op weg om
Engeland te bijten en te sterven.
Hij heeft slechte Engelse tanden

Die zo scherp zijn als een haai
En een brandend brein
Dat zingt als een leeuwerik.
Zijderupsen eten moerbeibladeren om
Rainer Maria Rilke de nodige zijde te geven

Om de engelenordes toe te spreken.
Zelfs de enorme engelen
Stijgen af van het sublieme, Stijgen af
Van Pegasus, het paard met vleugels,
En in plaats van wijn, nippen ze aan pekel.

De neusgaten van de T. S. Eliot krokodil
loeren net boven het oppervlak van de de Nijl rivier.
Zijn periscoop zijn twee neusgaten die kijken als ogen.
Zijn snuit blijft ondergedompeld
In water bitter als gal.

Hartstochtelijke kussen knorren als elektroshocks
En veroorzaken stuiptrekkingen en rigor mortis
En seksueel versmelten
Twee gebochelden met een harde schaal,
elk in de vorm van een schildpad.

Ze zijn Eliot, ze zijn Lawrence,
Elk toeterend op zijn morele paard.
Als Lawrence haar betrapt,
zou Lawrence
Emily Dickinson, Eliot's dochter, slachten.

Sommigen zullen ziek worden en sommigen zullen sterven
Maar dat is niet de reden waarom
Een klein vliegtuig
een advertentie meesleept
voor een bar en restaurant in de buurt

Door de lucht
Boven het strand van Gibson Lane.
Het is het tegenovergestelde van krankzinnig.
Iedereen kent Pete de piloot.
Het is zijn vliegtuig,

Dat hij af en toe zonder schade laat neerstorten.
Zwarte prachtige golven, witte augustus,
Is het zomerlied van Gibson Beach.
Er vliegt een vliegtuig over de zon
Met een huwelijksaanzoek van iemand voor iemand.

I’ve learned everything and not very much. Not recently, but when I began writing poetry the two poets who taught and influenced me the most were Ezra Pound and Robert Lowell. In the case of Pound, the incomprehensible music of it, the reach and the size of the ambition, and the way the poetry finds moments of great simplicity and sweetness. In the case of Lowell, so many different things I learned and imitated from him. And otherwise it’s been many poets, everybody. (NY Times)

'Midnight'

God begins. The universe will soon.
The intensity of the baseball bat
Meets the ball. Is the fireball
When he speaks and then in the silence
The cobra head rises regally and turns to look at you.
The angel burns through the air.
The flower turns to look.

The cover of the book opens on its own.
You do not want to see what is on this page.
It looks up at you,
Only it is a mirror you are looking into.
The truth is there, and all around the truth fire
Makes a frame.
Listen. An angel. These sounds you hear are his.

A dog is barking in a field.
A car starts in the parking lot on the other side.
The ocean heaves back and forth three blocks away.
The fire in the wood stove eases
The inflamed cast-iron door
Open, steps out into the room across the freezing floor
To your perfumed bed where as it happens you kneel and pray.


Excerpted from Frederick Seidel: Selected Poems by Frederick Seidel. Published by Farrar, Straus and Giroux, December 1, 2020. Copyright © 2020 by Frederick Seidel. All rights reserved.
Hans Op de Beeck Girl, asleep 2021
Bois, polyester, métal, polyamide, revêtement, 78 x 36 x 41 cm
© Studio Hans Op de Beeck, ADAGP, Paris 2023

Nieuwsgierig naar meer? Ga op zoek. Later wordt het maar nooit te laat. Een mooie ontdekkingstocht gewenst.

Ontsloten en genoten (3): Florine Stettheimer (1871-1944)

Florine Stettheimer, Self-Portrait with Palette (Painter and Faun), undated, oil on canvas, 1.5 x 1.8 m. Courtesy: Art Properties, Avery Architectural and Fine Arts Library, Columbia University, New York and the Estate of Ettie Stettheimer

We are the sunbursts
We turn rain
Into diamond fringes
Black clouds
Into pink tulle
And sparrows
Into birds of Paradise.

Wij zijn de zonnestralen
Wij veranderen regen
In diamanten franjes
Zwarte wolken
In roze tule
En mussen
In paradijsvogels
AsburyPark South

Stettheimer Florine, geboren in 1871, Rochester, New York, USA, was een van die drogisterij-legatarissen aan beide kanten van haar stamboom: haar grootvader van moederskant, Israel Walter, had een succesvolle drogisterijzaak in het centrum van de stad, in Beaver Street; haar vader, Joseph Stettheimer, had goed geld verdiend in de kledinghandel in Rochester. Maar Joseph verliet om onduidelijke redenen zijn gezin toen Florine nog een klein meisje was. Ze verhuisden naar New York en zij groeide op in een volledig matriarchale omgeving, met haar tantes Caroline en Josephine, naast haar moeder Rosetta, als de dominante figuren in haar leven. (Caroline was getrouwd met een andere rijke Joodse familie uit de kleding-industrie, de Neustadters uit San Francisco). Barbara Bloemink, biografe, reproduceert een bijzondere foto van Florines familieleden, zes tantes en een enkele oom. Matriarchale families hebben een ingewikkelde, gevlochten relatie met feminisme. Degenen die erin leven weten dat vrouwen alles kunnen, maar ze doen het als vrouwen, tussen vrouwen, en ze kunnen zich net zo gemakkelijk naar binnen keren voor versterking als naar buiten vechten voor gelijkheid. Dat was hoe Rosetta en de Stetties, zoals haar drie jongste dochters werden genoemd, eindigden: een defensieve falanx van vier.

(Adam Gopnik The New Yorker 2022)

Florine Stettheimer, Family Portrait I, 1915, oil on canvas, 1.0 x 1.5 m. Courtesy: Art Properties, Avery Architectural and Fine Arts Library, Columbia University, New York, and the Estate of Ettie Stettheimer

“The Stetties and their mother wandered through Europe in the last decades of the nineteenth century and early in the twentieth, with long stops in Rome and Florence, where Florine, already having decided to become an artist, absorbed a love of Quattrocento painting; Botticelli’s marriage of coloring-book fantasy and intricate linear decoration was a particular passion. As was then the custom among aesthetic-minded people, the family spent at least as much time in romantic Germany as in advanced Paris. They lived for some three years in Munich, where Florine studied painting in the academic mode.” (Adam Gopnik ibidem)


Leven en leren in Duitsland veroorzaakte bij haar echter een afkeer van de Duitse cultuur, met zijn alomtegenwoordige ethiek van Pflicht-plicht of hoge ernst. Zelfs Beethoven ontsnapte niet aan haar afkeer van de Teutonen die Teutoons waren. “Oh gruwelijk / Ik haat Beethoven,” schreef ze in een privégedicht. “En ik ben opgevoed / Om hem te vereren / Hem te aanbidden / Oh gruwelen / Ik haat Beethoven / Ik hoor de Vijfde / Symfonie / Geleid door Stokowski / Het wordt heroïsch gedaan / Vrolijk pompeus / Vastberaden onfeilbaar.” Ze was verveeld en geïrriteerd door het vrolijk pompeuze, het opdringerig onfeilbare, het vroom extatische: alles wat sporen droeg van plechtige instructie en humorloos doel. Ze geloofde dat de enige plicht van een kunstenaar was om er geen te hebben.

Florine Stettheimer, Family Portrait II, 1933. Museum of Modern Art
In Florine Stettheimer’s painting Family Portrait II (1933), the work that she considered her masterpiece, the artist pictures herself standing beside her sisters Carrie and Ettie and her mother Rosetta. With a palette in hand and chic red stilettos on her feet, a slender Stettheimer looks on as Carrie converses with Rosetta while Ettie gazes upward, as though lost in a reverie. A mysteriously larger-than-life bouquet of three braided flowers erupts from the center of the composition, cutting across a serene blue background. The arcs of these surrealistic flowers mimic the postures of Carrie, Ettie, and Rosetta. Florine, standing awkwardly to the side, herself is never given a compositional rhyme in this way.  (ARTnews. Alex Greenberger)

In Florine Stettheimers schilderij Familieportret II (1933), het werk dat zij als haar meesterwerk beschouwde, stelt de kunstenares zichzelf voor naast haar zussen Carrie en Ettie en haar moeder Rosetta. Met een palet in de hand en chique rode stiletto’s aan haar voeten kijkt een slanke Stettheimer toe hoe Carrie praat met Rosetta terwijl Ettie omhoog staart, alsof ze in mijmering is verzonken. Een mysterieus, meer dan levensgroot boeket van drie gevlochten bloemen komt uit het midden van de compositie en snijdt over een serene blauwe achtergrond. De bogen van deze surrealistische bloemen bootsen de houdingen van Carrie, Ettie en Rosetta na. Florine, die onhandig opzij staat, krijgt zelf nooit op deze manier een compositorische rijm.(ARTnews Alex Greenberger)

Florine Stettheimer, Nude Self-Portrait, ca. 1915. Art Properties, Avery Architectural & Fine Arts Library, Columbia University, New York

Niets dat Stettheimer na bovenstaand ‘Naakt Zelfportret’ produceerde kon op dezelfde manier een verrukkelijke aanval op de normen van de dag worden genoemd, maar er valt veel te zeggen voor wat volgt, ook al is het van wisselende kwaliteit. Een serie verstilde stillevens – Stettheimer noemde haar boeketten “eyegays” – maakte plaats voor oogverblindende figuratieve scènes met mensen opgesteld rond afgeplatte ruimtes. Het zijn schilderachtige taferelen, met lenige mensen die feestvieren op feestjes die vaak buiten worden gehouden – denk aan Watteau via het Amerikaanse modernisme. Er wordt vaak zo veel geëxperimenteerd met de vorm – dezelfde mensen in verschillende houdingen, bijvoorbeeld om verschillende afzonderlijke momenten in de tijd in één beeld samen te vatten – dat het allemaal verloren kan gaan in de hoeveelheid visueel plezier dat elk doek biedt. (Alex Greenberger. ARTnews)

Sunday Afternoon in the Country

“Wat ik zou willen is dit ding schilderen,”1 schreef Florine Stettheimer in de slotregel van haar gedicht “Dan terug naar New York”. Met “dit ding” bedoelde Stettheimer New York City in de jaren 1920 en 1930, toen de straten, parken, theaters, musea, feesten en persoonlijkheden het onderwerp werden van haar schilderijen en gedichten. “Hoe kan ik kiezen,” vroeg Stettheimer in een ander gedicht. “Zoveel/zoveel/New Yorks make up.”


“What I should like is to paint this thing,”1 wrote Florine Stettheimer in the closing line of her poem, “Then Back to New York.” By “this thing,” Stettheimer meant New York City in the 1920s and 1930s, when its streets, parks, theaters, museums, parties, and personalities became the subjects of her paintings and poems. “How can I choose,” Stettheimer asked in a different poem. “So many/So much/New York’s make up.”
Florine Stettheimer, Lake Placid, 1919. Museum of Fine Arts, Boston, Gift of Miss Ettie Stettheimer.

Spring Sale at Bendel’s
Then back to New York
And sky towers had begun to grow
And front stoop houses started to go
And life became quite different . . .
Which I think is America having its fling
And what I should like is to paint this thing.

Maar hoe dit ding te schilderen? Ze wendde zich tot Thalia, de Griekse muze van de komedie, terwijl anderen zich wendden tot Thalia’s schemerige en meer sobere zussen. Haar eerste echt meesterlijke schilderij was “Heat” uit 1919, een fabelachtig grappig en suggestief portret van de Stettheimer vrouwen tijdens een New Yorkse zomerse hittegolf. Moeder zit vorstelijk achterin, gekleed in het zwart, terwijl op de voorgrond twee elegante zussen, in pastelkleurige jurken, languit liggen te hijgen op ligstoelen. De vrouwen hebben modieuze proporties – lange lichamen, kleine hoofden, kronkelende armen – tegen een achtergrond van warme kleuren. De verhoudingen van Edward Gorey met de kleuren van Bonnard: dat was haar favoriete formule voor vrouwen. Het beeldoppervlak zindert en zweet en daalt in nabootsing van het weer, terwijl de banden van luchtige baksteen en oranje die het landschap ordenen ook de temperatuur vastleggen. (Als je de figuren weglaat, krijg je de genuanceerde kleurstrepen van Rothko, die later ook op Bonnard teruggreep).

Florine Stettheimer captured the dynamic social worlds of her intimate circle of family and friends, many of whom were artists and members of New York’s avant-garde. This whimsical portrait was inspired by a birthday celebration for Stettheimer’s mother at the family’s summer retreat in Bedford Hills, New York. Stettheimer’s interest in theater and set design is apparent through the arrangement of a stagelike space composed of horizontal bands of color. The blazing hues, coupled with the lithe bodies of the women and the wilted tree branches in the background, evoke the summer heat described in the painting’s title. 
Florine Stettheimer (American, 1871–1944). Heat, 1919. Oil on canvas, 50 x 36 1/2in. (127 x 92.7cm). Brooklyn Museum, Gift of the Estate of Ettie Stettheimer,

Stettheimers opzettelijke vereenvoudiging van de tekening, haar repetitieve stijl van figuren en haar onophoudelijk additieve, drukke composities kunnen op het eerste gezicht doen denken aan “outsiderkunst”. Maar er zijn twee soorten outsiderkunst, één van onderaf en één van bovenaf. Er is de outsider die in eerste instantie onverschillig staat tegenover de mogelijkheid om geld te verdienen met kunst, en er is de outsider die geen geld hoeft te verdienen met haar kunst. Hoewel de Amerikaanse kunst gezegend was met de eerste soort volkskunstenaar, heeft ze ook haar deel van de tweede gehad. Charles Ives was in staat om voornamelijk onuitgevoerde muziek te componeren omdat hij stevig in het verzekeringswezen zat. Stettheimer genoot, net als Proust, haar geliefde literaire held, van de onthechting die rijkdom met zich meebracht, van de luxe die Edith Wharton, Gerald Murphy en Cole Porter met zich meedroegen om te maken wat ze wilden. Er is lang beweerd dat Stettheimer, na een galerieshow in 1916 waarbij geen schilderijen werden verkocht, weigerde ooit nog tentoon te stellen. Dit is niet helemaal waar, zoals Bloemink ons vertelt: ze exposeerde haar werk wel, onder andere op de eerste Whitney Biënnale en in het Museum of Modern Art. Maar ze koesterde een hardnekkig wantrouwen jegens handelaren en ze kon het zich veroorloven. (bookreview. Barabara Bloemink. Newyorker)

Florine Stettheimer, “Christmas” (detail), 1930–1940. Yale University Art Gallery, New Haven, Gift of the Estate of Ettie Stettheimer

Zie voor beschrijving en interpretatie:

https://stories.thejewishmuseum.org/seeing-florine-stettheimers-christmas-through-language-793db3c111f7

Bloemink argues, persuasively, that the pivot point of Florine’s artistic life came about, as it did for so many, through an encounter with the Ballets Russes, which she attended in Paris in 1912. “I saw something beautiful last evening,” she wrote in her journal. “Bakst the designer of costumes and painter is lucky to be so artistic and able to see his things executed.” The crisp edges and diagonal excitement of the movement must have seemed overwhelming and liberating. With characteristic ambition, and perhaps characteristic impracticality, she began designing her own never-produced ballet, exploring ideas that she would later return to in her designs for the opera “Four Saints in Three Acts,” by Virgil Thomson and Gertrude Stein.

(Adam Gopnik. The New Yorker 2022)

Florine Stettheimer, Portrait of Carl Van Vechten, 1922. Florine and Ettie Stettheimer Papers, Yale Collection of American Literature, Beinecke Rare Book and Manuscript Library, New Haven, Connecticut. 
In 1922’s Portrait of Carl Van Vechten, she put her sitter, a close family friend and photographer renowned for his photographs of the Harlem Renaissance, in a red tie and purple socks—a reference to homosexuality, which the Stettheimer women, unlike society at large then, embraced.
Her commentary grew more pointed with her years: Cathedrals of Fifth Avenue (1931), one of four in Stettheimer’s terrific “Cathedrals” series, is dense with details in all but one place: the bride’s face, which is but a blur. (Stettheiner was deeply opposed to marriage—she believed nothing restricted a woman’s creativity more.) n (Vogue)
Florine Stettheimer, Cathedrals of Fifth Avenue, 1931. The Metropolitan Museum of Art, New York, Gift of Ettie Stettheimer.
The Cathedrals of Broadway” (1929) celebrates a secular sacrament of the city.Art work © The Metropolitan Museum of Art

Bloemink, biografe, betoogt op overtuigende wijze dat het scharnierpunt in Florines artistieke leven, zoals dat voor zovelen, tot stand kwam door een ontmoeting met de Ballets Russes, die ze in 1912 in Parijs bezocht. “Ik zag iets moois gisteravond,” schreef ze in haar dagboek. “Bakst, de ontwerper van de kostuums en de schilder, heeft geluk dat hij zo artistiek is en zijn dingen uitgevoerd kan zien worden.” De scherpe randen en diagonale opwinding van de beweging moeten overweldigend en bevrijdend hebben geleken. Met de karakteristieke ambitie en misschien ook wel de karakteristieke onpraktischheid begon ze haar eigen ballet te ontwerpen, dat ze nooit had geproduceerd. Daarbij verkende ze ideeën waar ze later op terug zou komen in haar ontwerpen voor de opera “Four Saints in Three Acts” van Virgil Thomson naar een tekst van Gertrude Stein. (New Yorker)

Procession Orpheus,’ at the Florine Stettheimer: Painting Poetry exhibit at The Jewish Museum. (Courtesy)

Later, in de jaren 1930, kreeg Stettheimer de kans om de kostuums en het decor van de opera “Four Saints in Three Acts” te ontwerpen. Het libretto was geschreven door Gertrude Stein, gecomponeerd door Virgil Thomson en had een volledig zwarte cast onder leiding van koordirigent Eva Jessye. De show was een hit en het succes was deels te danken aan Stettheimers nieuwe gebruik van cellofaan voor achtergronden en kleurrijke kostuums met textuur.
Haar ontwerpen voor de show bestonden uit verkleinde miniatuurscènes in schoendozen van de opera, compleet met elk personage. Haar levensgrote creaties in de show zelf beïnvloedden zelfs de mode in New York: jurken van huishoudfolie verschenen in de etalages van Fifth Avenue.
Florine Stettheimer
: “Euridice and her Snake,” a costume design for the artist’s ballet “Orphée of the Quat-z-arts
” (1912. Oil, beads, metal lace on canvas. 18 5/8 x 15 1⁄8 in.). Courtesy MoMA/SCALA/Art Resource, NY.
“My attitude is one of Love/ 
is alladoration/ for all the fringes/
all the color/ all tinsel creation”

Florine Stettheimer
Upon returning to the United States in 1914, the sisters opened a salon, which quickly became a hub of the artistic avant-garde. Marcel Duchamp, the painters Marsden Hartley and Charles Demuth, the photographers Alfred Stieglitz and Edward Steichen, the art critic Henry McBride and the writer Carl Van Vechten all attended the soirees at the Stetties’, as they were known at the time. Florine painted, Ettie wrote novels using the pen name Henrie Waste, and Carrie spent her time building a doll’s house that even contained an art gallery showing reproductions of works by M. Duchamp (Nude Descending a Staircase), Elie Nadelman, Gaston Lachaise and Alexander Archipenko, made by the artists themselves (1916-1944, Museum of the City of New York).




This first full biography confirms Florine Stettheimer as one of the 20th century’s most significant, progressive artists whose work remains highly relevant today. Stettheimer was a feminist, multi-media artist who painted several sexually explicit, political, identity-issue-based works and documented New York City’s growth as the centre of cultural life, finance, and entertainment between the World Wars. Autor: Barbara Bloemink
(te koop bij Amazon.com be)

My sister Ettie
When I meet a stranger –
Out of courtesy
I turn on a soft
Pink light
Which is found modest
Even charming
It is a protection
Against wear
And tears
And when
I am rid of
The Always-to-be-Stranger
I turn on my light
And become myself

Costume design (Androcles and the Lion) for artist’s ballet Orphée of the Quat-z-arts c. 1912