“De Boletus-satanas”, een vervolgverhaal (3)

De opgestoken vingers? Dat was duidelijke tekentaal. In ChatGPT-taal: hallucinaties. En zijn rol als veel besproken ‘factchecker’ kon dus duidelijk gemanipuleerd worden. De Boletus-satanas was allerminst in staat gebleken winst-oproepende ideeën aan te leveren, ziekenhuisrekeningen niet inbegrepen. Maar erg toevallig klonk het ook niet. Zachtjes gemanipuleerd bleek een betere term waarvan het resultaat voor de nodige hallucinaties kon zorgen.

Of ik een kabouter was? Antwoorden met ‘nee, Sinterklaas’ gaf de ChatGPT te veel kansen om het over het leven van heilige mannen te hebben dus was het beter een vraag met een vraag te beantwoorden.
‘Ik niet, jij wel?’
‘Kabouter Plop en kabouter Wesley zijn kabouters. Of de kabouters van Rien Poortvliet.’
‘Ben jij een kabouter?’
‘Een kabouter is een fictief wezen dat vaak wordt afgebeeld als een klein menselijk figuurtje met een lange baard en een puntmuts. Kabouterverhalen en -legendes zijn vooral populair in Europese folklore, met name in landen zoals Nederland, België, Duitsland en Scandinavië. Kabouters worden vaak geassocieerd met bossen en natuurlijke omgevingen, en worden vaak afgeschilderd als vriendelijke wezens die in harmonie met de natuur leven. Ze worden vaak beschreven als behulpzaam en soms ondeugend, en worden vaak geassocieerd met het bewaken van schatten of levende wezens in het bos.’

Na enkele seconden verscheen het prentje met de opgestoken vingers dat weldra werd vervangen door deze boodschap:
‘ChatGpt is ontworpen om een vriendelijke en interactieve gesprekservaring te bieden. Je kunt gewoon je gedachten delen, een discussie voeren of zelfs wat luchtige humor uitwisselen.’

Die ‘luchtige humor’ kwam vlug in de schaduw toen ik het over de hallucinaties had waarvan eerder sprake:

Een risico van generatieve AI wordt hallucinatie genoemd. (zonder koorts of zonder paddo's!)

Een van de grootste zorgen van generatieve AI-systemen wordt zichtbaar wanneer ze de vragen niet begrijpen of ze verkeerd interpreteren. Omdat ze geen correcte antwoorden kunnen genereren, beginnen ze antwoorden te verzinnen in een proces dat “Artificial Intelligence Hallucination” wordt genoemd.

Hallucinatie is de term die wordt gebruikt voor het fenomeen waarbij AI-algoritmen en deep learning neurale netwerken uitvoer produceren die niet echt is, niet overeenkomt met de gegevens waarop het algoritme is getraind of niet overeenkomt met een ander identificeerbaar patroon.

Het kan worden verklaard door je programmering, ingevoerde informatie of andere factoren zoals verkeerde classificatie van gegevens, onvoldoende training, onvermogen om vragen in verschillende talen te interpreteren, onvermogen om vragen in een context te plaatsen.

Hallucinaties kunnen voorkomen op alle soorten synthetische gegevens zoals tekst, afbeeldingen, audio, video en computercode.

En helemaal fraai wordt het als ik lees dat het idee bestaat om OpenAI te belonen bij betrouwbare resultaten om ongewenste resultaten te ontmoedigen.  Niet alleen bij het eindresultaat, maar om te 'belonen' bij elke stap:  “proces-supervisie” tegenover “resultaat-supervisie”. Zo zou de gedachtegang van het systeem transparanter worden. Maar...

“Hoe je kunstmatige intelligentie voor iets beloont werd niet onthuld, maar dat zal niet met een traktatie zijn.”
(IT daily)

"The New York Times pikt het niet langer dat OpenAI zijn populaire site leegrooft om zo slim mogelijk te worden, zonder daar ook maar iets voor te betalen. Dat is alleen maar logisch, zou je denken. Maar toen ChatGPT eind vorig jaar werd gelanceerd, waren we kennelijk allemaal te verbluft om stil te staan bij wat er eigenlijk aan de hand is. Ondertussen sijpelt het langzaam door: ChatGPT is intellectuele diefstal op wereldschaal. We stonden erbij en keken ernaar.

Generatieve AI-machines draaien op onvoorstelbaar grote databestanden, allemaal afkomstig van sites die géén eigendom zijn van de AI-bedrijven. En ChatGPT vraagt geen toestemming. OpenAI-baas Sam Altman plundert als een cowboy, het web is zijn Far West. ChatGPT, maar bijvoorbeeld ook de grafische apps Dall-e of Midjourney, knippen en plakken nieuwe teksten, beelden en filmpjes bij elkaar."  (Bert Bultinck Hoofdredacteur Knack 23 augustus 2023 )

Photo: Jaap Buitendijk uit film ‘Hugo’. 2011 GK Films, LLC.

Hugo, Film in 3D (2011) centreert zich rond een gebroken automaton die hij hoopt te repareren. Het verhaal speelt zich af in de dertiger jaren. Maar ook in vorige eeuwen werden dergelijke automatons ontworpen, machines die zelf zouden denken. In haar artikel in weekend Focus Knack van 20 januari (‘Onzichtbare uitbuiting: ‘Om AI bruikbaar te maken, is er heel wat menselijke arbeid nodig’) schrijft Elisa Hulstaert over de achtergrond van het verschijnsel). Ze vertelt over de 126 mensen in Madagascar die in realtime videobeelden van ‘slimme’ bewakingscamera’s bewaken in een Franse supermarkt. In feite dus de I.A. achter de ‘slimme camera’s. Naar Europese normen worden ze daar heel weinig voor betaald.

’ Soms is het goedkoper om werknemers in lagelonenlanden in te schakelen dan om artificiële intelligentie te trainen. Om goede resultaten op te leveren, moet dat systeem het onderscheid kunnen maken tussen klanten die hun telefoon in hun broekzak steken en klanten die een chocoladereep wegmoffelen. Makkelijk voor mensen, maar moeilijk voor artificiële intelligentie.'  (Knack ibidem)

Er is dus heel wat menselijke arbeid nodig ‘achter de schermen’.

In 2005 lanceerde die techgigant MTurk.com, een website waar bedrijven – eventueel anoniem – mensen vinden die voor een paar cent per opdracht online eenvoudige taken uitvoeren. Ze tekenen bijvoorbeeld vierkanten rond tomaten of olijven in salades, zodat slimme apps je op basis van een foto kunnen vertellen hoeveel calorieën je bord telt. Het zijn taken die nodig zijn om artificiële intelligentie te trainen en slim te doen lijken. MTurk heet voluit niet toevallig ‘Amazon Mechanical Turk’ en is slechts één van de vele platformen die het klikwerk faciliteert. (Knack ibidem)

Het klinkt dus niet zo vreemd dat wetenschappers waarschuwen dat de ontwikkeling van artificiële intelligentie de patronen van de kolonisatie volgt, schrijft Elisa Hulstaert in het geciteerde artikel. “Als we technologie willen die echt voor mensen werkt, moeten we de behoeften van mensen centraal stellen, niet die van multinationals.’

Wellicht worden mijn ‘kabouters’ nu helemaal zichtbaar, niet als sprookjesfiguren maar wel degelijk als de reeds voor eeuwen dienende klusjeswezens (klikwerkers) in dienst van de ‘groten’. Liefst ‘ondergronds’, onzichtbaar dus tenzij zij even in een sprookje mogen opduiken. Ik heb de afleveringen als ‘vervolgverhaal’ geklasseerd omdat je hun levens blijkbaar alleen in een ‘sprookje’ kunt voorstellen terwijl ze zich in het werkelijke leven voor ons uit de naad moeten werken. Hun wraakoefening met de Boletus-satanas heb ik uit verbinding met hun lot verzonnen, maar let op, soms achterhaalt de werkelijkheid ruimschoots de fantasie!

beeld AFP

Painter of light: Joseph Wright of Derby(1734-1797)


Cave at evenin, (aka Grotto in the Gulf of Salerno) by Joseph Wright, 1774, Smith College Museum of Art, Northampton, Massachusetts

Je kunt het bekende ‘chiaroscuro’ effect, reeds gebruikt o. a. door Caravaggio versterken, overdrijven en dan spreek je van ’tenebrisme’. Kontrasten tussen licht en donker wekken meer de aandacht van de kijker dan taferelen in het gewone dagelijkse licht. Het donkere (tenebrae, latijn: duisternis) maakt vreemd genoeg het licht zichtbaarder, zeker in het werk van de Engelse schilder Joseph Wright of Derby wiens leven zich dan ook nog in de tijd van het Brits Enlightenment afspeelde, het licht van de rede, tevens voorbode van de opkomende industrialisatie.

A Philosopher Lecturing on the Orrery, 1766 (klik op onderschrift om te vergroten)

Twee kinderen zitten gebiologeerd te kijken naar de kleine ‘speelgoed-planeten’ voor hen. Een scholier maakt aantekeningen van de roodgeklede wetenschapper in het midden, die een lezing over astronomie geeft. Maar als je van het ene gezicht naar het andere kijkt – elk vanuit een andere hoek, zoals bij planeetfasen – lijkt het er langzamerhand op dat de kennis overweldigend is voor een jonge man aan de rechterkant, die bijna verblind lijkt, en voor een jonge vrouw aan de linkerkant, verloren in het vreemde dat ze aanschouwt. Verlichting – letterlijk of metaforisch – is niet zo eenvoudig. (The Guardian)

Two children sit rapt, beaming at the tiny toy planets before them. A scholar takes notes from the red-robed scientist at the centre, who is giving a lecture on astronomy. But as you look from one face to the next – each shown at a different angle, like planetary phases – it gradually seems that the knowledge is overpowering to a young man on the right, who appears almost blinded, and a young woman on the left, lost in the strangeness she beholds. Enlightenment – either literal or metaphorical – is not so simple. (The Guardian)

When Joseph Wright first exhibited this painting in 1766, it inspired high praise and even poetry. It remains one of his most famous paintings. At its centre, a red gowned philosopher presents a lecture on astronomy using a clockwork model of the solar system called an ‘Orrery’. When it was painted, scientific lectures and demonstrations were popular forms of public entertainment. In Derby, where there was great interest in science and technology, such lectures were held regularly at the Town Hall. These events, combined with Wright’s friendship with some of Derby’s leading scientific minds, may have inspired him to paint this picture. His choice of subject was unprecedented at the time and his dramatic use of light captured the public imagination. (Derby Museums)

bezoek:

https://www.derbymuseums.org/collection/joseph-wright-of-derby/

An Experiment on a Bird in the Air Pump, by Joseph Wright, 1768, National Gallery, London 1768 (klik om te vergroten op onderschrift)

Een publiek heeft zich rond een docent verzameld om naar een experiment te kijken. Het is nacht en de kamer wordt verlicht door een enkele kaars die brandt achter een groot rond glas met daarin een zieke menselijke schedel. Een witte kaketoe is in een glazen container geplaatst waaruit lucht wordt gepompt om een vacuüm te creëren. Zal de docent de lucht er volledig uitpompen en de vogel doden, of zal hij de lucht er weer in laten en hem weer tot leven wekken? Wright richt zich op de verschillende reacties van de kijkers – van het meisje dat niet kan kijken tot de geliefden die alleen oog hebben voor elkaar. (The National Gallery)

fragment

Dit is het grootste, meest ambitieuze en dramatische schilderij van de serie ‘schilderijen bij kaarslicht’ die Wright in de jaren 1760 schilderde. Het toont het drama van een geënsceneerd wetenschappelijk experiment, maar het functioneert ook als een vanitas – een schilderij over het verstrijken van de tijd, de grenzen van de menselijke kennis en de broosheid van het leven.

Bezoek:

https://www.nationalgallery.org.uk/paintings/joseph-wright-of-derby-an-experiment-on-a-bird-in-the-air-pump

Self-portraiSelf-portrait as a young man, 1765–1768, National Gallery of Victoria, Melbourne

Tussen ‘spelen met’ en ‘wetenschappelijk onderzoek’ is er niet veel ruimte nodig, want al spelend…. Het onderwerp van dit schilderij ‘Two boys with a blatter” is een schilderij uit zijn vroege ‘candlelight paintings’ en nog niet zo lang geleden herontdekt. Een mooie studie die ik je niet wil onthouden.

Two young boys, boldly lit by a concealed candle are inflating a pigs bladder, at the time animal bladders served as toys either inflated and tossed like balloons or filled with dried peas and shaken like rattles. In European art, bladders were often used as symbolic variants on soap bubbles, delicate playthings signifying the fragility of human life and the transience of human achievement. The elaborate costumes worn by the boys were not current clothing and are probably fancy dress outfits, giving an element of style to the picture known at the time as British ‘fancy pictures’.

Wright uses the illumination of the candlelight to show, in painstaking detail, the play of light upon different surfaces, fabric, faces, the translucent baldder. He follows the meticulous, scientific observation developed in his most iconic larger paintings, this realism strengthens the symbolism, and draws the viewer in to the mystical, symbolic world of the painting 
(Croomer Artspace)
a-girl-reading-a-letter-by-candlelight-with-a-young-man-peering-over-her-shoulder-joseph-wright-of-derby.jpg 1762

Of dit ‘goed nieuws’ was voor beide personen op dit schilderij laat zich raden. Tussen het vele opdrachtenwerk vind je tal van oorspronkelijke ideeën, voel je de nieuwe tijden het landelijke Albion binnensluipen. De wetenschap, de industrie, andere tijden zijn duidelijk onderweg. Soms nog in het licht van kaarsen, in de atmosfeer van het betoverende, al zal de ijver van de wetenschap niet dadelijk iedereen belonen die nieuwsgierig was.

'In de stilte' probeert een goede tot zeer goede kwaliteit van gegevens en afbeeldingen te brengen.  Gebruik, indien mogelijk, een groot scherm.  De inhoud wordt wel eens aangevuld of bijgewerkt.  Het loont de moeite om een bijdrage enkele dagen, weken, maanden later nog eens op te zoeken.  Steeds welkom.

Vrijdag 15 september 2023 stierf kunstenaar Fernando Botero. Op 13 oktober 2006 maakten we een bijdrage die hier, aangevuld, dadelijk te raadplegen is.

Over kleine en zeer grote dingen : ‘The rigor of angels’ (William Egginton)

Om met een inleidend vers of citaat te beginnen, een oude gewoonte van een degelijk boek:

"Enchanted by its rigor, humanity has forgotten, and continues to forget, that is the rigor of chess masters, not of angels."

-Jorge Luis Borges,
"Tlön, Uqbar, Orbis Tertius"  (1940)

Een mooie opening die mij dadelijk de klassieke wenkbrauwen deed fronsen.

Zo opent dus het laatste boek van William Egginton “The Rigor of Angels” waarin hij onderzoekt hoe drie zeer verschillende mannen –Jorge Luis Borges (auteur), Immanuel Kant (filosoof) en Werner Heisenberg (natuurkundige)- conventioneler aannames over de werkelijkheid verwierpen en in de plaats daarvan eerder paradoxale waarheden omarmden.

De auteur kun je op zijn eigen website bezoeken:

https://www.williamegginton.com/

The Helix Nebula ‘The eye of God or NGC 7293

Voor ik William Egginton zelf aan het woord laat, wil ik je wel over mijn eigen ontdekking schrijven van wat je ‘de derde mogelijkheid’ zou kunnen noemen. Drs. H. Van Praag’s boek, uitgegeven in 1960: ‘Pedagogiek in theorie en praktijk’ als Phoenix Pocket, is mij levenslang bij gebleven, niet alleen voor de bijzondere inzichten maar vooral door zijn oog voor de bredere vorming van iedereen die zich met het onderwerp van ver of dichtbij bemoeide. Hij heeft het in zijn hoofdstuk ‘opvoeding en heropvoeding van volwassenen’ (merkwaardig voor het begin van de jaren zestig!) over allerlei onderwerpen die in zo’n cursus ’s avonds aan bod kwamen. De eerste avond werd gewijd aan ‘de derde mogelijkheid’. (iets dat de tegenstellingen verzoent) Twee keuzes leken met elkaar verwant: de derde mogelijkheid is een wonder terwijl een andere deelnemer zei: de derde mogelijkheid is een paradox. Hij vertelde toen dit voorbeeld:

 Een kalief vaardigde uit, dat iedere Jood die de grens passeerde iets over zichzelf moest zeggen. Sprak hi j de waarheid, dan werd hij opgehangen, sprak hij een leugen, dan werd hij doodgestoken. Een rabbijn zei: ’Ik word vandaag doodgestoken.’ Men was verplicht hem te laten gaan. Beide vonnissen zouden dan tot een paradox leiden. Daarom zeg ik: de paradox is de derde mogelijkheid.

Je kunt het literaire voorbeeld ook aanvullen met wetenschappelijke opgaven. De NY Times beklemtoonde in haar bespreking dat het niet om ‘het enorme’ van het geheugen zou gaan, met als voorbeeld in het boek het leven van een zekere Solomon Shreshevsky die in 1929 zijn baan als journalist opgaf en bij een circus ging werken.

“Hij kon cijferlijsten opzeggen, gedichten in vreemde talen, zelfs reeksen willekeurige lettergrepen die vanuit het publiek naar hem werden geroepen. Zijn wereld was overvloedig in bijzonderheden, boordevol beelden en sensaties. Toen hem werd gevraagd wat hij onder het getal 87 verstond, zei hij dat hij het zag als “een dikke vrouw en een man die met zijn snor draaide”.

Maar zijn buitengewone gave was ook een vreselijke kwelling. Shereshevsky kon niet generaliseren uit het spervuur van specifieke inputs die hij ervoer. Communiceren met anderen was uitputtend. Iets vergeten was geen kwestie van passief laten wegglijden in de vergetelheid; hij moest het actief vernietigen in zijn geest. Als elk ding dat je tegenkomt geladen is met een unieke betekenis, wordt het onmogelijk om die stukjes samen te brengen in een samenhangend beeld. In tegenstelling tot memoriseren vereist herinneren een lichte vervaging van abstractie. Zoals William Egginton schrijft in “The Rigor of Angels”, kan een “perfect geheugen” de gelijkenis doorstaan met “totaal vergeten”. (NY Times Jennifer Szalai)

“Argentine poet Jorge Luis Borges was madly in love when his life was shattered by painful heartbreak. But the breakdown that followed illuminated an incontrovertible truth–that love is necessarily imbued with loss, that the one doesn’t exist without the other. German physicist Werner Heisenberg was fighting with the scientific establishment on the meaning of the quantum realm’s absurdity when he had his own epiphany–that there is no such thing as a complete, perfect description of reality. Prussian philosopher Immanuel Kant pushed the assumptions of human reason to their mind-bending conclusions, but emerged with an idea that crowned a towering philosophical system–that the human mind has fundamental limits, and those limits undergird both our greatest achievements as well as our missteps.” (Website William Egginton)

De Argentijnse dichter Jorge Luis Borges was smoorverliefd toen zijn leven werd verwoest door pijnlijk liefdesverdriet. Maar de inzinking die volgde verlichtte een onweerlegbare waarheid – dat liefde noodzakelijkerwijs doordrongen is van verlies, dat het ene niet bestaat zonder het andere. De Duitse natuurkundige Werner Heisenberg vocht met het wetenschappelijke establishment over de betekenis van de absurditeit van het kwantumrijk toen hij zijn eigen openbaring kreeg – dat er niet zoiets bestaat als een complete, perfecte beschrijving van de werkelijkheid. De Pruisische filosoof Immanuel Kant duwde de aannames van de menselijke rede tot het uiterste en kwam met een idee dat de kroon op een filosofisch systeem zette: dat de menselijke geest fundamentele grenzen heeft en dat deze grenzen ten grondslag liggen aan zowel onze grootste prestaties als aan onze misstappen. (Website William Egginton)

From left: Jorge Luis Borges, Immanuel Kant, Werner Heisenberg.Credit…Tyrone Dukes/The New York Times, Alamy, Credit unknown

In het voorbeeld van Shereshevsky – en niet te vergeten in Borges’ verhaal “Funes de gedenkwaardige” over een jongeman die op vergelijkbare wijze last had van zijn vermogen om zich alles te herinneren – ging de aandacht voor details ten koste van het begrijpen van het grotere geheel. Borges beschrijft Funes als “niet erg goed in denken”. Denken is verschillen negeren (of vergeten), generaliseren, abstraheren.” Toch kan denken ons ook in de problemen brengen, laat Egginton zien. Soms raken we zo in de ban van onze ideeën dat we ze projecteren op de wereld, waarbij we onze eigen manier van denken verwarren met iets groots als “Gods plan”. (NY Times Jennifer Szalai)

William Egginton
Snelle Achilles en de trage schildpad houden een loopwedstrijd. Omdat de schildpad trager is krijgt hij een eind voorsprong.
Maar Achilles zal de schildpad nooit kunnen inhalen want wanneer Achilles het startpunt van de schildpad heeft bereikt, zit deze al op een nieuw punt. En als Achilles dit punt bereikt heeft, zit de schildpad weer een eind verder. En als Achilles daar beland is, is de schildpad ook weer wat verder. (Paradox van Zeno die Borges in zijn verhaal gebruikt.)

Egginton legt verbanden tussen het werk van Heisenberg, Kant en Borges, tussen natuurkunde en metafysica, fictie en feiten. De drie mannen waren gefascineerd door paradoxen, of antinomieën – situaties waarin “beide opties tegelijkertijd absoluut noodzakelijk en volstrekt onmogelijk leken”. Elk van hen realiseerde zich dat dergelijke dilemma’s ontstaan wanneer we verschillende manieren van denken onderzoeken. In Zeno’s beroemde paradox zal Achilles nooit de schildpad inhalen die een voorsprong heeft als we de race definiëren in termen van een afstand tussen hen die oneindig deelbaar is in steeds kleinere stukjes. Maar natuurlijk zal Achilles in een echte race uiteindelijk de schildpad inhalen; de paradox komt voort uit de manier waarop we ons de race voorstellen.

In een tijdperk als het onze, waarin allerlei dogma’s de overhand lijken te hebben, dient het verhaal van deze denkers als een cruciale herinnering aan het feit dat we onze intuïties en zelfs onze eigen diepgewortelde overtuigingen aan het koude licht van de rede moeten onderwerpen, een licht waarvan het schijnsel niet altijd ontstaat door wat we op dit ogenblik denken te kunnen samenvatten in de tot op heden verworven wetenschap. In hun leven en werk herkennen we dat de mysteries van onze plaats in de wereld altijd boven ons kunnen opdoemen, niet als een bedreiging, maar als een herinnering aan onze nederige menselijkheid. (NY Times) En vul ikzelf aan: als uitnodiging tot intens verder ontdekken, wat de zgn. ‘goegemeente’ daar dan ook mag over denken, ontdekken dat er talloze verbindingen tussen de disciplines bestaan die ons eerder verenigen dan uit elkaar drijven.

Foto door Kendall Hoopes
THE RIGOR OF ANGELS: Borges, Heisenberg, Kant, and the Ultimate Nature of Reality | By William Egginton | 338 pp. | Pantheon | Bij Amazon nl:  24,31 euro

Het onzekerheidsprincipe van Heisenberg

Zoals iemand die wordt bekeken
en zijn hand onwillekeurig naar het
aangezicht brengt, de blik neerslaat,
de al gelezen krant nog maar een keer
openvouwt. Kortom: niet meer is

zoals hij onbekeken was. Zo blijken
ook elementaire deeltjes onderhevig
aan universele gêne. Als je kijkt
wijzigen ze schuchter en onvoorspelbaar
hun snelheid of plaats. Staalharde

wetten en eeuwen waterdicht cijferwerk:
ze werden bedankt. Maar niet zonder
stijl verlaat Werner het zinkende schip.
IJzig kalm rekent hij ons de ware omvang
van onze immer uitdijende onzekerheid voor.
Marc Tritsmans (1959)  Gepubliceerd in Raster 107, 2004


Werner Heisenberg publiceerde in 1927 een van de belangrijkste principes van de kwantummechanica. De formule 'kwantificeert' het begrip onzekerheid: de waarnemer beïnvloedt (ongewild) altijd weer het waargenomene.
Werner Heisenberg in Göttingen in 1924.

Waren wij vroeger nog onsterfelijk?

Eigen foto GMT

Nog voor hij helemaal thuis was in zijn eigen biografisch geheugen -twee-drie jaar oud-, bleek dit plaasteren ‘Heilig-Hart’-beeld op de ouderlijke slaapkamer voor hem, als kleuter, wel degelijk een levend personage. Zijn moeder vertelde later menigmaal de dialoog die zij, nog in bed en geveinsd slapend, had gehoord, die vroege morgen toen hij de kamer binnenkwam en een zelf gemaakt knutselwerk liet zien aan de plaasteren Jezus.
“Is dat van karton?” vroeg het beeld. (met zijn hoog stemmetje)
“Ja natuurlijk is dat van karton.” (met zijn gewone kleuterstem).
“Ja, nu zie ik het. Wel mooi.’ (met zijn hoog stemmetje)
“Dank u.” (met zijn gewone kleuterstem)
Het kind verdween naar de ontbijttafel, moeder volgde. Glimlachend, maar ook hoofdschuddend.

eigen foto GMT
‘Bij de dood laten lichaam en ziel elkaar gaan. Het is een bevrijding en een uiteengaan. Eigenlijk is de bevrijding van de ziel uit het lichaam het doel van elke filosoof. Voor een echte filosoof is sterven zijn vak, want sterven betekent dat de ziel wordt losgemaakt uit de vergankelijke stof om zich te richten op de onvergankelijke eeuwige waarheid. Dat is niet iets om bang voor te zijn, Daar streef je dus naar.’ (uit Phaedo. Plato)

Deze filosofische uitspraak werd samengevat door Bert Keizer, schrijver van ‘Vroeger waren we onsterfelijk’ Maart 2016, uitgave van Lemniscaat. Bert Keizer is arts en filosoof, en is verbonden aan de Levenseindekliniek. Hij schreef o.a. de bestsellers Het refrein is Hein en Onverklaarbaar bewoond. Keizer studeerde filosofie in Oxford

In Vroeger waren we onsterfelijk vertelt Bert Keizer hoe hij als kind van de sixties de kerk uit liep, voor The Beatles viel en na vele omwegen in een Engelse universiteit belandde om filosofie te gaan studeren. Een carrière als academisch filosoof schrikte hem af en hij zocht een goed heenkomen in de medische faculteit, om via die route in het volle leven te belanden. In dit boek reist Keizer weg uit het katholieke Amersfoort, waar hij ooit misdienaar was, naar de goddeloze maar niet minder verwonderlijke wereld waarin wij nu rondtobben. Leven is behelpen, vindt hij, en vanuit die grondhouding heeft hij behartenswaardige dingen te zeggen over geloof en literatuur, filosofie en geneeskunde. Met wat hulp van zijn persoonlijke favorieten – Beckett, Wittgenstein, William Osler – slaagt hij erin om net iets te meer te lachen dan te huilen. Maar het scheelt niet veel. ‘Als jongetje vond ik de kerk niet echt vervelend, geloof ik, maar het werd pas leuk toen ik misdienaar werd. Ik koesterde zelfs vagelijk priesterlijke ambities, waarbij ik aanteken dat ik niet wist wat celibaat was.‘ De vanzelfprekendheid van het christelijke wereldbeeld uit die jaren is mij nog altijd dierbaar. Toen waren we onsterfelijk, maar we wisten het niet.’ – Bert Keizer

Marie Huana besprak in haar allerfraaist blog hetzelfde thema. Met toepasselijke beelden en bondige maar spitse commentaren. Een bezoekje is dan ook een heerlijke verpozing. Klik op ‘Memento Mori?’ hieronder. Wil je heel haar blog bekijken dan klik je Marie Huana onderaan.

Angelus Novus Aquarel Paul Klee

“Er bestaat een schilderij van Paul Klee, dat Angelus Novus heet. De Nieuwe Engel. Er staat een engel op afgebeeld die zo te zien op het punt staat zich te verwijderen van iets waar hij zijn blik strak op gericht houdt. Zijn ogen en zijn mond zijn opengesperd, hij heeft zijn vleugels gespreid. Zo moet de engel van de geschiedenis eruitzien. Zijn gelaat is naar het verleden gewend. Waar wij een reeks gebeurtenissen waarnemen, ziet hij één enkele catastrofe en daarin wordt zonder enig respijt puinhoop op puinhoop gestapeld, die hem voor de voeten geworpen wordt. De engel zou wel willen blijven, de doden tot leven wekken en de brokstukken weer tot een geheel maken. Maar zijn vleugels vangen de wind die uit het paradijs waait, een storm die zo hard is dat hij ze niet kan stuiten. Deze storm stuwt hem onweerstaanbaar voort, de toekomst in die hij de rug heeft toegekeerd, terwijl de stapel puin vóór hem tot aan de hemel groeit. Deze storm is wat wij vooruitgang noemen.”


— Walter Benjamin: Over het concept van de geschiedenis (1940), These IX 1

Foto door Pixabay

Walter Benjamin (1892-1940) heeft de tweede wereldoorlog niet overleefd. Zij, de kinderen die tijdens en net na de oorlog werden geboren wel. Wat nu een beetje smalend de babyboom wordt genoemd, waren de kinderen van een nieuwe toekomst voor wie een ‘nooit-meer-oorlog een statement was, althans in de hoofden van de ouders, ondanks de tegenstellingen tussen wat wit en zwart werd genoemd. De ware verschrikkingen drongen vaak pas veel later door, zekere het lot van de Joodse families. Eens de geallieerde troepen Europa hadden verlaten werd vaak in alle stilte weer aangesloten bij de levenswijze van de dertiger jaren, alvast op religieus en moreel vlak. Het zou tot in de zestiger jaren duren om de volle omvang van de verschrikkingen duidelijk te maken. ( cfr.De Auschwitzprocessen 1963-1965)

For Benjamin, the whole world was material for criticism.
Illustration by Ralph Steadman

Al waren zij met velen, de kinderen op de rand van – en kort na de oorlog, maar noch in de kleuterschool (de bewaarschool) noch bij bij de Broeders in de lagere school had hij ooit het gevoel te verdrinken in klassen die vaak meer dan 55 kinderen telden. Hij denkt dat alles trager ging, dat de betovering van de talrijke (bijbel)verhalen en het vele handwerk hen voortdurend uitnodigden om intens bezig te zijn met nieuwe vaardigheden.

uit ‘Het Bezemklokje’ 2018 Foto bewaarschool-klasje van Truus Van Gestel 1945-46 Kinderen braaf handjes op de rug. Links op de voorste bank in de middenrij zit Truus.


Het leren lezen en schrijven in de laatste kleuterklas gaf je bij het begin van het eerste leerjaar in de lagere school een zekere voorsprong maar die werd deskundig besteed door je maatjes letters en woorden bij te brengen.
Een kind had een drukke dag in de vijftiger jaren. Vroeg opstaan, naar de mis gaan, terug naar huis en ontbijten, met je maatje naar school wandelen, lopen, springen, tot twaalf uur de klas in, terug naar huis om te middagmalen, en met een snoepje uit de Ovomaltine-doos weer naar school, lesjes, speeltijd nog een lesje en eventueel studie zodat het tijdens de eerste maanden van het schooljaar steeds donkerder werd eer je thuiskwam waar het avondeten op je wachtte en je daarna onmiddellijk onder de klassieke wol belandde. Dinsdag- en dondernamiddag was je vrij, maar zaterdag telde als schooldag waar bij thuiskomst het bad – bed de dag afrondde, al mocht je sinds 1953 bij va-va nog even televisie kijken tot het nieuws begon. Met de vakantie ging je naar de vakantieschool, elke dag in het Raadsheren-park rondhossen: water, zavel, bossen en je eigen gangen kunnen gaan.
Aan de horizon verscheen 1956: verhuis naar de kostschool om er Latijn en Grieks te studeren. Het leven met 650 jongens in een tijd die uit zijn voegen gaat barsten. En zij barstten mee. Op de hen toegelaten manier. Maar tot die tijd waren zij onsterfelijk. De oorlogskinderen.

Moeder Gabriel, de overste van de kloostergemeenschap, was ook de directrice van de school en in die functie verwelkomde zij elke morgen en namiddag de kinderen bij het binnenkomen. Je kon toen in de Beekstraat niet blijven eten op school, de kinderen gingen ’s middags naar huis en kwamen daarna weer terug. Moeder Gabriel zat achter een tafeltje op een klein verhoog vooraan in de lange brede gang en kende alle kinderen met voor- en familienaam. Boven haar hoofd hing aan de muur een grote bel met trekkoord om het begin en het einde van de klasactiviteiten in te luiden.

(Truus Van Gestel Het Bezemklokje  2018)
Schoolfoto uit de Bewaarschool. De 2 broertjes in 1949. Niet copiëren aub. Op de vraag waarom het jongste broertje zo lelijk keek, antwoordde hij: “Die fotograaf keek ook heel lelijk!”
En natuurlijk ook allerlei handvaardigheidsoefeningen: lapjes stof pluizen, figuurtjes prikken uit glanzend gekleurd papier met een scherpe priknaald en op een plat kussentje dat wel eens onder het papier wegschoof, scheepjes, bloemvaasjes of kleertjes vouwen eveneens uit glanzend gekleurd papier, matjes weven in, jawel, glanzend gekleurd papier verticaal ingesneden om er met een metalen weef-pen en reepjes glanzend gekleurd papier in een contrasterende kleur een mooi figuurtje mee te maken. Met glanzend gekleurd papier werd ook geknipt en gescheurd, met kleurpotloden moest je leren binnen de lijntjes te kleuren en de lijmpot was ook nooit ver weg, want einde schooljaar moest elke kleuter een "Mijn album" af hebben. In de derde kleuterklas leerde ik ook met een griffel tekenen en letters schrijven op een echte lei met houten kadertje rond de leisteen.  (Truus van Gestel)
bakelieten sponsdoosje

Je kon je lei telkens weer afvegen met dat allerzachtste sponsje dat je in een mooi bakelieten doosje opborg. Je dacht dat het je letters bijhield maar wie kende het geheim om hen weer op je lei te toveren? Je tekende een sterrenhemel waarin elke ster een letter was. Je ontdekte heel vroeg geheimschriften waarmee je toverspreuken bewaarde voor kwade dagen of als je bang was in het donker. Daarna kwamen boeken. En letterdozen waarmee je zelf piepkleine verhaaltjes kon stempelen. En…

Foto door Admiral General M.

En de verhalen hoe God de wereld schiep. Een paradijs. Tot het drama met de fruitboom en een sprekende slang. Het vlammende zwaard van de engel bij de uitgang. Hel, hemel en vagevuur. De zondvloed. De stenen tafelen om maar enkele toppers te noemen, alsof zuster Anna er zelf was bij geweest. Daniël in de leeuwenkuil. Jonas in de walvis. Hij denkt wel eens dat hun manier van vertellen aan de basis van zijn latere eigen verhalen lag.

Na de vertelling mochten zij hun hoofdje op de bank leggen en even slapen terwijl de zuster langs de rijen liep . Hij loerde naar Daniël en hij knipoogde even voor hij in zijn droom tegen een leeuw aan schurkte. Hij sloot zijn ogen en besloot aan een ark te beginnen om later Daniël en zijn leeuwen op te halen voor zij zouden verdrinken.

Vroeger waren we onsterfelijk? Hadden we maar ietsje meer onsterfelijkheid in onze macht om diegenen onder ons te behouden die ons te vroeg ontvallen. Martine Tanghe, moeder aller nieuwsankers, werd zij bij haar pensioen genoemd. De vervlechting van kunde en warme menselijkheid, van taalvaardigheid en stille concentratie, van de glimlach en mateloze inzet. Blijf ons nabij.

Martine met kleinzoon

Canon van kip en collega’s (2)

Het is niet zo maar een vertederend ‘Gifje’ dat zich eindeloos blijft herhalen, maar het hoort bij mijn verste herinneringen. Kippen herkennen niet alleen wel dertig soortgenoten, ze herkennen ook heel duidelijk mensen, en ze drukken op hun manier hun voorkeur uit. En ‘hun’ manier verschilt niet zo veel van de onze.

Kippen worden al heel lang ingezet bij onderzoek naar de cognitieve vaardigheden van dieren,’ zegt Blatchford. Zo toonden onderzoekers aan dat kippen wel dertig individuele soortgenoten herkennen, en dat kuikens niet meer dan 24 tot 36 uur nodig hebben om het uiterlijk van hun moeder in te prenten.

Uit een studie bleek ook dat kuikens de afdruk van een rode driehoek konden onthouden, zelfs wanneer die driehoek gedeeltelijk was afgedekt. Dat wijst erop dat de vogels het plaatje zelf correct weten in te vullen. Daarnaast kunnen kippen gezichten van mensen herkennen en onderscheiden – en geven daarbij klaarblijkelijk de voorkeur aan mensen met symmetrische gezichten. Mensen die wij als 'mooi' aanduiden.

Uit een onderzoek uit 2002 kwam naar voren dat kippen een mensengezicht beoordelen op dezelfde criteria als mensen. Hoewel vervolgonderzoek meer duidelijkheid moet verschaffen, vermoeden wetenschappers dat wederzijdse aantrekkingskracht op basis van symmetrie ligt verankerd in het zenuwstelsel en dus niet zozeer wordt bepaald door culturele invloeden. (National Geographic 2023)

De eerste vier dagen blijven de kuikens dicht bij hun moeder. Zo blijven ze warm en krijgen ze bescherming. Als het gaat regenen, schuilen de kuikens onder de vleugels van de hen. De kuikens leren van hun moeder een stofbad te nemen en op stok te gaan. Ook laat de hen zien hoe de kuikens moeten reageren bij gevaar. Ze heeft meer dan 20 verschillende geluiden waarmee ze onder andere kan aangeven of er gevaar is en of dit gevaar uit de lucht of over de grond komt. De kuikens leren door spelgedrag ook van elkaar. Waarschijnlijk leren ze op die manier hoe ze bijvoorbeeld moeten reageren op agressie.

Als de kuikens ouder worden durven ze steeds verder van hun moeder weg te lopen. Na 6 weken lopen ze al tot 20 meter afstand van hun moeder. Vanaf deze leeftijd vormen de kuikens ook een hiërarchie, door te hoppen (ergens naar toe springen), dreigen (gestrekt rechtop staan met de kop boven een ander), springen, trappen en agressief pikken wordt de dominantie bepaald. Na 8 tot 10 weken gaan de kuikens zelfstandig op zoek naar eten, maar ze blijven nog in de buurt van hun moeder en broertjes en zusjes. Als de kuikens 18 weken oud zijn, sluiten ze aan bij de rest van de groep. (Ongehoord Het leven van een vleeskuiken )

Toch bestaat ook dit nog in eigen land:

Martha C. Nussbaum, in dit blog hebben we haar voornaamste filosofische werken telkens weer belicht, opent haar nieuwste boek ‘Gerechtigheid voor dieren’ –Onze collectieve verantwoordelijkheid– met :

“Dieren zitten wereldwijd in de problemen. Onze wereld wordt overal overheerst door mensen: op het land, in de zeeën en in de lucht. Geen enkel niet-menselijk dier ontsnapt aan de menselijke overheersing. Veelal brengt die overheersing dieren onrechtmatig letsel toe door de barbaarse wreedheden van de bio-industrie, door stroperij en jacht, door de vernietiging van habitats, door vervuiling van licht en zeeën of door verwaarlozing van de gezelschapsdieren waarvan mensen zeggen te houden.

Hoe zorgen wij ervoor dat niet alleen mensen maar ook dieren een volwaardig, zelfgekozen, soort-specifiek leven kunnen leiden? En hoe kunnen wij die plichten en rechten in onze grondwetten en internationale verdragen een plek geven? “

Cijfers leren dat onze invloed op de natuur buitenproportioneel groot is. Van de totale hoeveelheid biomassa op aarde is meer dan 99 procent afkomstig van planten, bomen, bacteriën, microben en virussen. Slechts 0,4 procent is afkomstig van dieren, waar insecten, vissen, anemonen, schaal- en schelpdieren en wormen het grootste deel van uitmaken. De mens draagt slechts 0,01 procent bij aan de totale biomassa, 2,5 procent van de bijdrage van dieren, terwijl de totale biomassa van de ‘productiedieren’ die de moderne mens houdt om in zijn levensbehoefte te voorzien met een bijdrage van vier procent aan de dierlijke biomassa bijna twee keer zo groot is. 

(Ewald Engelen  in 'De Groene Amsterdammer 7 juni 2023, bespreking van het genoemde boek)

De mens is weliswaar een veertje op de weegschaal van de natuur, tegelijk is de menselijke hand overal zichtbaar en voelbaar. Alles is in kaart gebracht, gewogen, gemeten, beprijsd, ingekaderd, omheind, in bezit genomen, doorsneden, afgeschermd en met geweld onderworpen aan onze behoeftes en wensen. En dus resteert er nauwelijks meer vrije ruimte waarin dieren hun natuurlijke gedrag kunnen vertonen. Massaal worden ze afgeschoten, opgesloten, verminkt en geslacht om al onze wensen te bevredigen.

En als we ze niet bewust doden, dan doen we dat onbewust en onbedoeld, door hun foerageergebieden te gebruiken voor geïndustrialiseerde landbouw, door hun waterplekken leeg te pompen of te vervuilen met plastic en chemicaliën, hun leefgebieden vol te bouwen of te vernietigen, het luchtruim te doorklieven met kabels, ballonnen en vliegtuigen. Of door pure achteloosheid: ontelbaar is het aantal dieren dat dagelijks stikt of omkomt van honger doordat het ons verpakkingsmateriaal heeft ingeslikt of verstrikt is geraakt in het afval dat wij laten rondslingeren.

(Ibidem Ewald Engelen–De Groene Amsterdammer)

En dan zijn er de bedoelde gruwelijkheden van de farmaceutische en cosmetische industrie waarin jaarlijks tientallen miljoenen ratten, muizen, vissen, honden, katten, apen en varkens een pijnlijke dood sterven. Duitse cijfers leren dat er in Duitsland alleen al jaarlijks rond de zeven miljoen dieren worden gebruikt voor medicijntesten. Ook de coronavaccins hebben een spoor van verwoeste dierenlevens achtergelaten, ruim 61.000 in Duitsland alleen al, terwijl bij de productie van Chinese en Amerikaanse vaccins het bloed van honderdduizenden degenkrabben is gebruikt.

Om maar te zwijgen van de bijna 27 miljard koeien, varkens, schapen en kippen die korte, akelige levens leiden in kerkerachtige schuren en stallen, om na een uren- of dagenlang transport per schip, trein of vrachtwagen te eindigen in al van veraf naar de dood riekende slachthuizen, waar ze worden vergast, doodgeschoten of waar met de slachthamer hun schedel wordt ingeslagen, om uiteindelijk, na op mechanische wijze gekookt, ontveld en gedemonteerd te zijn, als kotelet, kippendij of biefstuk in het schap van de lokale supermarkt te eindigen. Inclusief vissen, garnalen en schelpen nuttigt de mens drie miljard dieren per dag(!).

Het is de achteloosheid van deze industriële gruwelijkheid die voor Nussbaum de echte morele steen des aanstoots is. (Ibidem)

De aanleiding om het boek te schrijven was de dood van haar eigen dochter, Rachel, een hartstochtelijk dierenrechtactivist die op 47jarige leeftijd overleed. Ze heeft het boek aan haar opgedragen. ‘Zo lang als ik nog te leven heb’, schrijft de nu 76-jarige Nussbaum, ‘zal ik de schittering in haar groene ogen en haar subversieve glimlach blijven zien. Het contrast tussen ons kon niet groter zijn. Ik met mijn blonde krullen; zij met haar zwarte crew cut; ik met mijn keurige kleurige dameskleding; zij met haar zwarte broekpakken. En toch klopten onze harten met dezelfde passie.’

Die passie betrof het morele appèl dat voortvloeit uit het besef dat wat wij, zelf geboren uit verwondering en medelijden, dieren aandoen op geen enkele wijze strookt met ons morele zelfbeeld: vreedzaam en redelijk dénken wij te zijn, wreed en harteloos is wat we werkelijk zijn.

We zullen later, na intense lectuur zeker op het boek terugkomen. Voor deze bijdrage maakten we o.a. gebruik van het heldere verslag van Ewald Engelen in ‘De Groene Amsterdammer’. (7 juni 2023) Abonnement op de Groene is ten zeerste aangeraden! Het boek ‘Gerechtigheid voor dieren’ Onze collectieve verantwoordelijkheid is uitgegeven door Querido Facto. (32,50 euro)

De canon van de kip (1)

Haar verhaal, verteld tussen Canetti en Camus, beschreef de geschiedenis van haar familie in de ruimste zin van het woord. Zij nam mij mee naar de geschiedenis van de kippenfamilie. We liepen tussen de eieren die in de Egyptische tempels hingen om de vruchtbaarheid van de overvloedige riviervloed te garanderen, en hoorden in het oude Perzië de heilige haan kraaien om als een goedaardige geest bij zonsopgang het keerpunt aan te duiden in de kosmische strijd tussen duisternis en licht. Kippen vergezelden Romeinse legers en hun gedrag werd zorgvuldig geobserveerd voor de strijd; een goede eetlust betekende dat de overwinning waarschijnlijk was. Volgens de geschriften van Cicero gooide een boze consul ze overboord toen een groep vogels weigerde te eten voor een zeeslag in 249 voor Christus. De geschiedenis vermeldt dat hij werd verslagen.

Joan Miro De Haan 1939

‘We hebben zelfs een plaats in het evangelie gekregen,’ ‘verklaarde zij met een passende vrome fierheid in haar zachte stem. ‘Matteüs 23:37 bevat een passage waarin Jezus zijn zorg voor de mensen van Jeruzalem vergelijkt met een kip die voor haar kroost zorgt. Als dit beeld was doorgedrongen had het de loop van de geschiedenis de christelijke iconografie grondig kunnen veranderen, die het nu met ‘de Goede Herder’ moest doen.’

Mijn tussenkomst dat Petrus de Heer zou verraden voordat de haan drie keer zou kraaien, viel niet in goede aarde.

'In de negende eeuw verordonneerde paus Nicolaas I dat op elke kerk een haan moest worden geplaatst als herinnering aan het incident - Er wordt niet geïmpliceerd dat de haan iets anders deed dan het verstrijken van de uren markeren, maar zelfs deze tweedehands associatie met verraad heeft de zaak van de kip in de westerse cultuur waarschijnlijk niet vooruit geholpen. In het hedendaagse Amerikaanse gebruik wordt "kip" geassocieerd met lafheid, neurotische angst ("De hemel valt!") en ineffectieve paniek ("rondrennen als een kip zonder kop”). Dit als aanvulling.  Eerlijk is eerlijk.
Pablo Picasso De Haan

‘Maar helaas, daar waar ze nog steeds beoefend worden, legaal of illegaal, zijn hanengevechten de oudste nog bestaande sport ter wereld. Artistieke afbeeldingen van hanengevechten zijn verspreid over de hele Oude Wereld, zoals in een mozaïek uit de eerste eeuw na Christus die een huis in Pompeii siert. De oude Griekse stad Pergamum bouwde een amfitheater voor hanengevechten om toekomstige generaties soldaten ‘moed’ bij te brengen. Inhumaan. Mag ik even attenderen dat het hier om mannen gaat? Duidelijk?’

(Roman art: cockfighting. Mosaic from Pompei. 4th style. Museo Archeologico Nazionale, Naples)

‘Laten we nog verder teruggaan in de geschiedenis. De vroegste fossiele botten waarvan is vastgesteld dat ze mogelijk van kippen zijn, komen voor op vindplaatsen in het noordoosten van China en dateren van rond 5400 voor Christus, maar de wilde voorouders van de vogels hebben nooit in die koude, droge vlakten geleefd. Dus als het echt kippenbotten zijn, moeten ze ergens anders vandaan komen, waarschijnlijk uit Zuidoost-Azië. De wilde voorouder van de kip is het rode oerwoud-hoen, Gallus gallus, volgens een theorie van Charles Darwin die onlangs door DNA-analyse is bevestigd. De gelijkenis van de vogel met moderne kippen wor duidelijk in de rode lellen en kam van het mannetje, de sporen waarmee hij vecht en zijn kukeleku-paringsroep. De donkerkleurige vrouwtjes broeden eieren en kakelen net als kippen op het boerenerf. In zijn leefgebied, dat zich uitstrekt van Noordoost-India tot de Filipijnen, snuffelt G. gallus op de bosbodem naar insecten, zaden en fruit en vliegt ’s nachts omhoog om in de bomen te nestelen. Dat is ongeveer het ‘vliegen’ dat hij aankan, een eigenschap die inderdaad aantrekkelijk was voor mensen die hem wilden vangen en grootbrengen. Het zou later helpen om de kip geliefd te maken bij de Afrikanen, wiens inheemse parelhoenders de vervelende gewoonte hadden het bos in te vliegen als de geest hen bewoog.’

‘Maar in 2004 produceerde een internationaal team van genetici een volledige kaart van het kippengenoom. De kip was het eerste gedomesticeerde dier, de eerste vogel – en dus de eerste afstammeling van de dinosauriërs – en daarmee geëerd. De genoomkaart bood een uitstekende gelegenheid om te bestuderen hoe millennia van domesticatie een soort kunnen veranderen. In een project onder leiding van de Zweedse Uppsala Universiteit hebben Zody en zijn collega’s onderzoek gedaan naar de verschillen tussen het rode oerwoudhoen en zijn nakomelingen op het boerenerf, waaronder wij, “leghennen” (rassen die worden gefokt om enorme hoeveelheden eieren te produceren) en “vleeskuikens” (rassen die mollig en vlezig zijn). De onderzoekers vonden belangrijke mutaties in een gen met de naam TBC1D1, dat het glucosemetabolisme regelt. In het menselijk genoom zijn mutaties in dit gen in verband gebracht met obesitas, maar het is een positieve eigenschap in een dier dat bestemd is voor de eettafel. (Jaja, ik citeer letterlijk!) Een andere mutatie die het gevolg is van selectief fokken, is in het TSHR-gen (thyroïd-stimulerend hormoon receptor). Bij wilde dieren coördineert dit gen de voortplanting met de daglengte, waardoor het fokken beperkt blijft tot specifieke seizoenen. De mutatie die dit gen uitschakelt, stelt kippen in staat om het hele jaar door te broeden en eieren te leggen.

Feeding the chickens – (Walter Frederick Osborne) 1885

‘Archeologen hebben kippenbotten gevonden in Lothal, ooit een grote havenstad aan de westkust van India, waardoor de mogelijkheid bestaat dat de vogels als vracht of proviand naar het Arabisch schiereiland werden vervoerd. Rond 2000 voor Christus verwijzen spijkerschrift-tabletten uit Mesopotamië naar “de vogel van Meluhha”, de waarschijnlijke plaatsnaam voor de Indus vallei. Dat kan wel of niet een kip zijn geweest; professor Piotr Steinkeller, een specialist in oude teksten uit het Nabije Oosten aan Harvard, zegt dat het zeker “een exotische vogel was, onbekend in Mesopotamië”. Hij gelooft dat verwijzingen naar de “koninklijke vogel van Meluhha” – een uitdrukking die drie eeuwen later in teksten opduikt – waarschijnlijk verwijzen naar de kip. Kippen arriveerden zo’n 250 jaar later in Egypte, als vechtvogels en toevoegingen aan exotische menagerieën. Artistieke afbeeldingen van de vogel sierden koninklijke graven. Toch zou het nog 1000 jaar duren voordat de vogel een populair product werd onder de gewone Egyptenaren. De Egyptenaren beheersten de techniek van kunstmatige incubatie, waardoor kippen hun tijd beter zouden kunnen gebruiken door meer eieren te leggen. -Ja hoor, letterlijk geciteerd!- Dit was geen gemakkelijke zaak. De meeste kippeneieren komen na drie weken uit, maar alleen als de temperatuur op ongeveer 99 tot 105 graden Fahrenheit (37,22°-40,50° Celsius) constant wordt gehouden en de relatieve luchtvochtigheid dicht bij 55 procent blijft, die in de laatste paar dagen van het broeden toeneemt. De eieren moeten ook drie tot vijf keer per dag worden omgedraaid om te voorkomen dat de inhoud misvormd raakt. De Egyptenaren bouwden enorme incubatiecomplexen die uit honderden “ovens” bestonden. Elke oven was een grote kamer die verbonden was met een reeks gangen en ventilatieopeningen waarmee de verzorgers de hitte konden regelen van de vuren die gestookt werden met stro en kamelenmest. De eierwachten hielden hun methoden eeuwenlang geheim voor buitenstaanders.

De Egyptische Fayoumi kippen.

Rond de Middellandse Zee hebben archeologische opgravingen kippenbotten uit ongeveer 800 voor Christus gevonden. Kippen waren een delicatesse bij de Romeinen, die culinaire innovaties als de omelet en het vullen van vogels voor het koken introduceerden, hoewel hun recepten meer naar gepureerde kippenhersenen neigden dan naar broodkruimels. Boeren begonnen methodes te ontwikkelen om de vogels vet te mesten. Sommigen gebruikten tarwebrood gedrenkt in wijn, terwijl anderen het hielden bij een mengsel van komijnzaad, gerst en hagedissen-vet. Op een gegeven moment verboden de autoriteiten deze praktijken. Uit bezorgdheid over het morele verval en het nastreven van buitensporige luxe in de Romeinse Republiek, beperkte een wet in 161 v. Chr. de consumptie van kip tot één per maaltijd – waarschijnlijk voor de hele tafel, niet per individu – en dat alleen als de vogel niet overvoed was. De praktische Romeinse koks ontdekten al snel dat het castreren van hanen ervoor zorgde dat ze vanzelf vet werden, en zo werd het wezen geboren dat wij kennen als de kapoen.

Kapoenen in Hainan, China

‘Maar de status van de kip in Europa lijkt te zijn afgenomen met de ineenstorting van Rome. “Het gaat allemaal bergafwaarts,” zegt Kevin MacDonald, professor in de archeologie aan het University College in Londen. “In de post-Romeinse periode keerde de omvang van kippen terug naar wat ze was in de ijzertijd,” meer dan 1000 jaar eerder. Hij speculeert dat de grote, georganiseerde boerderijen uit de Romeinse tijd – die wel geschikt waren om veel kippen te voeden en te beschermen tegen roofdieren – grotendeels verdwenen waren. Naarmate de eeuwen verstreken, werden de middeleeuwse tafels gesierd door hardere hoenders zoals ganzen en patrijzen.

Stilleven van David Rijckaert met opgediende kapoen (ca. 1616)

Volgende aflevering het droevige vervolg zoals al blijkt uit dit fragment:

‘ Er is minder dan twee pond voer nodig om één pond kip (levend gewicht) te produceren, minder dan de helft van de verhouding voer/gewicht in 1945. Ter vergelijking: er is ongeveer zeven pond voer nodig om een pond rundvlees te produceren, terwijl er meer dan drie pond nodig is voor een pond varkensvlees. Gary Balducci, een pluimveehouder van de derde generatie in Edgecomb, Maine, kan een eendagskuiken in zes weken omtoveren tot een vleeskuiken van vijf pond, de helft van de tijd die zijn grootvader nodig had. Vernederend, is het juiste woord.’

Haan en 7 kippen kunstwerk van Clara M. Bastian zie: https://www.kunst.nl/kunst/haan-en-7-kippen-4028786/

We gebruikten en vertaalden delen van ‘How the Chicken Conquered the World’ van Jerry Adler en Andrew Lawler. June 2012 Smithsonian MAGAZINE

https://www.smithsonianmag.com/history/how-the-chicken-conquered-the-world-87583657/

Lees ook:

‘Wat je ook doet, doe het ten volle…’

In 1915, twee dagen na de voltooiing van zijn algemene relativiteitstheorie terwijl hij in Berlijn woonde, vertelde Albert Einstein (14 maart 1879 - 18 april 1955) zijn zoon dat de weg naar geluk lag in jezelf verliezen in creativiteit en leren door te doen.
Einsteins advies, geschreven in een brief aan zijn 11-jarige zoon Hans Albert in Zürich, waar hij woonde met zijn moeder Mileva en broer Eduard 'Tete'. Einstein, was duidelijk. Wat je ook doet, doe het ten volle en er zullen gevoelens van vreugde en voldoening door je heen stromen.
Hans Albert and Eduard (Tete) Einstein in Arosa, Switzerland Juli 1917

Mijn lieve Albert,

Gisteren ontving ik je lieve brief en was er erg blij mee. Ik was al bang dat je me helemaal niet meer zou schrijven. Je vertelde me toen ik in Zürich was, dat het lastig voor je is als ik naar Zürich kom. Daarom denk ik dat het beter is op een andere plaats samen te komen waar niemand ons comfort zal verstoren. Ik zal er in ieder geval op aandringen dat we elk jaar een hele maand samen doorbrengen, zodat je ziet dat je een vader hebt die dol op je is en die van je houdt. Je kunt ook veel goede en mooie dingen van mij leren, iets wat een ander je niet zo gemakkelijk kan bieden. Wat ik met zoveel inspanning heb bereikt is er niet alleen voor vreemden maar vooral voor mijn eigen jongens. Deze dagen heb ik een van de mooiste werken van mijn leven voltooid. Als je groter bent, zal ik je erover vertellen.

Ik ben erg blij dat je vreugde vindt in de piano. Dit en timmeren zijn naar mijn mening voor jouw leeftijd de beste bezigheden, beter zelfs dan school. Want dit zijn dingen die heel goed passen bij een jong iemand als jij. Speel vooral de stukken op de piano die je leuk vindt, ook al wijst de leraar die niet aan. Dat is de manier om het meest te leren, dat als je iets met zoveel plezier doet je niet eens merkt dat de tijd verstrijkt. Ik ga soms zo op in mijn werk dat ik de middagmaaltijd vergeet. Speel ook ringtoss met Tete. Daarmee leert je behendigheid. Ga ook wel eens naar mijn vriend Zangger. Hij is een lieve man.
Wees met Tete gekust door je
Papa.
Groeten aan Mama.

Einstein woonde in Berlijn met zijn nieuwe vlam Elsa. Mileva woonde met hun kroost in Zwitserland. Voor de relatie met zijn zoons was dat allerminst bevorderlijk. Einstein werkte daarnaast als een bezetene en had weinig tijd voor hen. “Warum hast du uns nichts weiter geschrieben?” schreef Hans Albert. Einstein vermoedde dat Mileva zijn kinderen tegen hem opzette. “Die Seele des Jungen wird systematisch vergiftet“, schreef hij verbeten in 1915 over zijn elfjarige zoon aan boezemvriend Heinrich Zangger.

Wie deze familiebrieven achter elkaar leest, krijgt een aangrijpend en spannend verhaal voorgeschoteld. Einstein wilde zo graag dat de relatie met Hans Albert verbeterde, maar dat lukte maar niet. Gelukkig volgde eind 1916 een voorlopig happy end. De echte ommekeer kwam na een vertederende brief van Einstein. Hans Albert had geschreven dat hij Latijn maar moeilijk onder de knie kreeg. Einstein schreef dat hij daar vroeger ook moeite mee had en noemde zichzelf trots een ‘Sauerkrautlateiner‘. Die geestige opmerking sloeg aan, want Hans Albert sloot een volgende brief af met ‘Deinem Sauerkrautlateiner’. Door de humor van Einstein zaten beiden dan eindelijk, na twee jaar, weer op één lijn.

Einstein onderstreepte dat door samenzweerderig te schrijven: “Solche Dick-Köpfe wie wir lernen lieber allein.” Hans Albert is een ‘Prachtskerl’, schreef Einstein aan Zangger. Zijn zoon, die later hoogleraar werktuigbouwkunde zou worden aan de universiteit van Californië, toonde daarna ook grote belangstelling voor de relativiteitstheorie. De familiebrieven zijn voor een deel verstuurd vanuit Nederland. Einstein was in Leiden benoemd tot bijzonder hoogleraar. Hij schreef aan Elsa over zijn discussies met Hendrik Lorentz en Paul Ehrenfest. Nederland sprak hem aan, schreef hij vanuit Leiden op 28 september 1916. “Die hiesigen Menschen gefallen mir durch ihr einfaches, anspruchloses Wesen und durch die hohe geistige Kultur ausnehmend.” En ook zijn ideeën kwamen in Nederland goed tot hun recht: “Meine Theorie hat hier so recht ihre Heimat gefunden.” (Robert Visscher Delta Journalistic Platform TU Delft 2006)

(‘The collected papers of Albert Einstein. Volume 10. The Berlin years, may-december 1920 and supplementary correspondence 1909-1920’, Princeton university press, 685 p., 116 euro.)

Albert Einstein

by Matthew Zapruder

only a few people 
really try to understand 
relativity like my father 
who for decades kept 
the same gray book 
next to his bed 
with diagrams 
of arrows connecting 
clocks and towers 
in the morning 
he’d cook eggs 
and holding 
a small red saucepan 
tell us his tired children 
a radio on a train 
passing at light speed 
could theoretically 
play tomorrow’s songs 
now he is gone 
yes it’s confusing 
I have placed 
my plastic plant 
in front of the window 
its eternal leaves 
sip false peace 
my worldly nature 
comforts me 
I wish we had 
a radio sunlight 
powers so without 
wasting precious 
electrons we could listen 
to news concerning 
Africa’s southern coast 
where people with giant 
colored sails 
are trying to harness 
the cool summer wind 
with its special name 
I always forget 
last night I read a book 
which said he was born 
an old determinist 
and clearly it was all 
beautiful guesses 
and I watched you knowing 
where you travel 
when you sleep 
I will never know 
Matthew Zapruder (1967) is an American poet, editor, translator, and professor.

His second poetry collection, The Pajamaist, won the 2007 William Carlos Williams Award from the Poetry Society of America, and was chosen by Library Journal as one of the top ten poetry volumes of 2006. His first book, American Linden, won the Tupelo Press Editors' Prize.[1] His most recent book of poetry, Sun Bear, brings the strangeness of poetry closer to everyday life. 

Papieren bootjes (5) Het nut van het nutteloze

Eigen foto

Twee jonge vissen zwemmen een eindje. Een oudere vis komt hen tegemoet die hen begroet: ‘Dag jongens. Hoe is het water?’ De twee jonge vissen zwemmen verder, kijken elkaar aan en zeggen: ‘Wat is in godsnaam water?’

(naar David Foster Wallace, geciteerd in: Het nut van het nutteloze, een manifest van Nuccio Ordine. Uitgeverij Erven J. Bijleveld 2016 )

In hetzelfde boek vertelt de auteur een fragment uit de Decamerone van Boccaccio.

In de derde vertelling van de eerste dag waarover de Decamerone verhaalt, roept de beroemde Saladin, sultan van Cairo, de rijke, geleerde jood Melchisedek naar het hof. Hij legt hem de vraag voor welke van de drie grote religies de ware is: de joodse, de christelijke of de islamitische. De jood begrijpt onmiddellijk dat de vraag een hinderlaag is en als wijs man beantwoordt hij het zeer lastige probleem met een verhaal. Melchisedek vertelt de geschiedenis van de vaders die heimelijk een gouden ring nalaten, bestemd voor de meest verdienstelijke erfgenaam. Volgens de traditie kiest elke vader generatie na generatie een zoon die de eer te beurt valt, totdat een vader in de problemen raakt omdat hij drie jonge nakomelingen heeft van wie hij evenveel houdt. Hoe kan hij ze alle drie belonen met één enkele ring?  Hij bestelt in het geheim bij een goudsmid twee volmaakte kopieën van het origineel en wanneer hij zijn dood voelt naderen, schenkt hij iedere zoon een ring:

“En toen de ringen zo volmaakt op elkaar bleken te lijken dat geen mens er nog de oorspronkelijke kon uithalen, bleef de vraag wie de ware erfgenaam van de vader was onopgelost, en dat is ze tot op heden gebleven. En dit geldt ook, heer, voor de drie wetten die God de Vadér aan de drie volkeren gaf en waarover u mijn mening vroeg: elk volk is er heilig van overtuigd dat het Zijn nalatenschap heeft geërfd en dus volgens Zijn wet en Zijn geboden leeft. Maar wie het uiteindelijk bij het rechte eind heeft, blijft, zoals bij de ringen, een open vraag.”

En als het heel concreet over ‘wiskunde’ mag gaan dan graag nog dit citaat uit dat mooie boek, een citaat van de Franse wetenschapper Poincaré naar de verdiensten van dit vak:

"De wiskunde heeft een drievoudig doel.  Ze moet een instrument bieden voor het bestuderen van de natuur.  Maar dat is niet alles:  ze heeft een filosofisch doel en ik waag zelfs te zeggen een esthetisch doel.  Ze dient om de filosoof te helpen de noties van getal, ruimte en tijd te verdiepen.  En boven alles scheppen de liefhebbers van wiskunde een genoegen in haar op een wijze die vergelijkbaar is met het genoegen dat de schilderkunst en de muziek bieden." (p. 123)

Stel je voor dat het onderwijs filosofisch mocht zijn. Wat als…?

«Het nut van het nutteloze» is een even ophefmakende als hartstochtelijke verdediging van de waarde van kennis, kunst en cultuur in een tijd van rendementsdenken, management-ideologie en nuttigheidsmanie. Het gevolg is een zelf toegebrachte culturele en intellectuele kaalslag die de samenleving fundamenteel aantast. 

Nuccio Ordine (1958) is filosoof, literatuurwetenschapper en wereldwijd gelauwerd deskundige op het gebied van de Renaissance in het algemeen en Giordano Bruno in het bijzonder. Hij is hoogleraar Italiaanse Literatuur aan de Universiteit van Calabrië, Fellow van Harvard University, en als gasthoogleraar verbonden aan Yale, de Alexander von Humboldt Stiftung, New York University, de Ecole Normale Supérieure te Parijs, de Sorbonne, het Institut des Études Avancées de Paris, het Max Planck Institut en het Warburg Institute. Zijn boeken zijn over de gehele wereld in vertaling verschenen.

Kleine recepten omtrent de leegte, een aanloop (3)

Johannes Hevelius (left) and an assistant observe a partial solar eclipse in 1673.

Die mooie observatie van een gedeeltelijke zonsverduistering in 1673 had blijkbaar al heel wat voeten in de aarde als ik de uitgestalde onderdelen van de kijker bestudeer. Maar deze Duits-Poolse geleerde, Johannes Hevelius, tevens uitstekend bierbrouwer, deinsde ook niet terug om een privé observatorium met de mooie naam Sternenburg boven zijn drie gekoppelde huizen te bouwen met daarbij een zelf ontworpen en uitgevoerde Kepler-telescoop die zo maar eventjes een brandpuntafstand had van 46 meter.

The Large Astronomical Telescope Of Johannes Hevelius 1611-1687 Illustration From Machina Coelestis

Wil je in een klassieke notendop kennismaken met zijn boeiend leven dan verwijs ik je graag o.a. naar:

https://stringfixer.com/nl/Johannes_Hevelius

Hevelius en tweede vrouw Elisabeth observeren de hemel met een koperen sextant (1673)

Hij was mijn vertrekpunt bij mijn kleine zoektochten naar ideeën rondom de leegte. Het leven van een hemelkundige immers maakt gebruik van de grote leegte, en zelfs zijn onderzoek naar de nabije zon vindt best plaats als dit hemellichaam door onderlinge combinaties met bv. de maan onzichtbaar werd. (in feite is het niet de zon maar wel een gedeelte van de aarde dat verduisterd wordt!)

Een ander aspect van dit kijken naar een zogenaamde leegte is het feit dat door uitdijing er steeds ruimte wordt bijgemaakt. Tegelijkertijd kunnen wij in die vroegere ruimte , het verleden, terugkijken. Ruimte en tijd. Dat zijn vier dimensies. Wij staan stil maar de ruimte deint uit in de tijd. (en steeds sneller!)

Het feit dat we in waarnemingen ook het verleden kunnen blijven zien vond ik een boeiende idee om de werkelijkheid te onderzoeken, net zoals de nieuwe ruimte die door uitdijing ontstaat.

De aanwezigheid zoals wij ze ervaren is duidelijk door merkstenen van geboorte en dood afgeboord, wij ervaren onszelf als tijdelijk terwijl wij via voorouders en nazaten in de tijd zijn, die dimensie waarin we het begrip verlies naar het begrip stroming kunnen vertalen.

'Bergson maakt een onderscheid tussen een bewust binnen de kloktijd handelend ‘ik’ en een in de innerlijke tijd ingebed ‘dieper gelegen zelf’. In dit moi profond ligt onze grotendeels vergeten geraakte geschiedenis opgeslagen, inclusief onze pretalige, vroege kindertijd. Want niets van de innerlijk beleefde tijd gaat verloren. Juist omdat het verleden altijd mee blijft resoneren, is geen enkel ogenblik ooit gelijk aan het voorgaande. We stappen dus nooit tweemaal in dezelfde rivier, zoals Heraclitus schreef. Elk nieuw moment komt voort uit alle voorgaande keren en voegt er het specifieke van de nieuwe ervaring aan toe. Tijd baart tijd.' 

(uit: Als het pijn doet gaan we terug naar zekere rivieren  Joke J. Hermsen)
'Ja, de tijd is stromend water, dacht ze, maar haar herinneringen vormden de bodem, met de kleine en grote kiezels, waarlangs het water zijn weg zocht. Elke druppel die aan haar voorbijschoot, had over de bodem van dat verleden geschraapt, over de zachte en de scherp uitstekende stenen en had daar iets losgewoeld en opgenomen in zijn stroom: een stukje mos, een korrel zand, en dit alles bepaalde het moment waarin ze zich nu bevond.' (ibidem)
Geen afloop

nu praat ik tegen u, bij uw bron
in een uithoek van het eiland.

nu ziet u mij tekeergaan met mijn vuisten
tegen de patrijspoort van mijn isolement
en ik roep iets.

nu ziet u mijn behuizing
door de liederlijke uitgestrektheid tollen.
een dobbelsteentje, al hoe kleiner

en nu ziet u mij niet langer maar u weet
dat ik nog altijd op datzelfde raampje bons.

mooi hoor, al dat oude sterrenlicht en geen
planeten, zo ver weg, zo dichtbij.
Alfred Schaffer (1973) is dichter en werkzaam als docent aan de vakgroep Afrikaans en Nederlands van de Universiteit Stellenbosch in Zuid-Afrika. In 2021 ontving hij de P.C. Hooft-prijs voor poëzie en verscheen, zo heb ik u lief. alle gedichten tot nu.

https://www.de-gids.nl/artikelen/ik-sprak-met-de-rivier-en-de-rivier-die-sprak-terug

De bedding. De leegte waardoor de rivier haar weg naar zee vindt. Bestaan er ook beddingen voor begrippen? Of voor ideeën-stromingen? Heb je een ‘stevige bedding’ nodig om je in deze wereld recht te houden? Zit een te nauwe of te brede bedding de durf om je in vraag te stellen in de weg? En in hoeverre vormt het zoeken naar het uiteindelijke doel, de zee, de bedding? Enkele stenen in het water gooien.

Men spreekt over het geweld van de wassende rivier. Maar wie spreekt er over het geweld van de bedding die de rivier insluit?’ (Bertolt Brecht)
 “Het idee van autonoom functionerende individuen is simpelweg een illusie, met als de waanzinnige variant van het westelijke hokjesdenken, van aparte mentale stoornissen tot afzonderlijke gendercategorieën. Leven is versmelting. Dood is ontbinding”.(Uit: 'Intieme Vrienden, Paul Verhaege)
Oude Meander van de Durme (Vilda/Yves Adams)

“Het idee dat de mens maakbaar is, klopt. Maar dat we onszelf maken is een illusie.” “Het dwingende ideaal is steeds meer produceren en consumeren … ‘Als we erin slagen onze kinderen te laten excelleren, dan zal ons kapitaal nog exponentieel groeien’, zo lees ik in de recente Beleidsnota Onderwijs van de Vlaamse onderwijsminister. Wat er vooral groeit is het aantal kinderen én leerkrachten dat uitvalt. Groei is het laatste wat we nodig hebben en kinderen tot kapitaal reduceren is de hedendaagse versie van de negentiende-eeuwse kinderarbeid.” (Intieme Vrienden, Paul Verhaege)

Van Gogh Brug over de Seine in Asnieres
Ik kijk naar het water- en of het stil is
en zwart, of rimpelt, en glinstert, het doet maar
ik denk: zo is het, dit is hoe het moet

er drijven eenden tegen het riet, die eenden
daar, in dat riet, er staan wat wilgen en elzen
die daar, in de bocht van de rivier
alles heeft zijn eigen moment, zijn eigen plek

er waren oneindig veel mogelijkheden om
een landschap met een rivier te zijn
er is gekozen voor deze ene en deze is,goed

Rutger Kopland Verzamelde Gedichten. G.A. van Oorschot, 2006

“Modern Art & the Remaking of Human Disposition”

Deze gloednieuwe studie van Emmelyn Butterfield-Rosen, uitgegeven door de University of Chicago Press aldaar en in Londen, vertrekt vanuit een eenvoudige observatie: “In de Europese kunst van de decennia vóór 1900 veranderde de lichaamstaal in afbeeldingen van de menselijke figuur.”

Ik gebruik grote fragmenten uit de bespreking uit Art in America, geschreven door Alex Weintraub. (Body Language: “Modern Art and the Remaking of Human Disposition)

Met "eenvoudig" bedoelt Butterfield-Rosen dat deze veranderingen waarneembaar zouden zijn voor iedereen die door een chronologisch opeenvolgende galerij van negentiende-eeuwse kunst wandelt. Schilders die in de eerste decennia van de 19e eeuw werkten, hielden vast aan de 'na-renaissancetechnieken' bij het afbeelden van levensechte lichamen, zoals verkortingen, sculpturale modellering en ponderatie (het vermogen van het lichaam om zijn gewicht in evenwicht te houden door middel van breuken of draaiingen langs de verticale as). 
Deze naturalistische conventies hielpen bij het creëren van meer overtuigende picturale drama's, omdat ze de illusie schiepen alsof geschilderde figuren onderhevig waren aan dezelfde fysieke en psychologische krachten als de toeschouwers van een kunstwerk. Na verloop van tijd veranderden de artistieke stijlen, maar de veronderstellingen over hoe het menselijk lichaam het best kon worden afgebeeld, bleven grotendeels dezelfde. Tegen het einde van de negentiende eeuw begonnen kunstenaars deze klassieke technieken los te laten. (Art in America Alex Weintraub)

Je zou kunnen zeggen dat menselijke vormen werden afgeplat, gestileerd, vaak ontdaan van zichtbare bezieling of individualiteit. Die waarnemingen zullen kunstliefhebbers al hebben opgemerkt maar Butterfield-Rosen’s studie is de eerste poging om te zoeken naar het waarom van zo’n verandering in de figuratieve kunst en zoals Weintraub zegt: ‘…om uit te leggen waarom zo’n verandering in de figuratieve kunst plaatsvond, en om de esthetische en filosofische betekenis van deze nieuwe lichamelijke grammatica te interpreteren.’

Dimanche d’ été à la Grande Jatte (klik hier om te vergroten)
The book’s thesis is that the late nineteenth-century abandonment of bodily forms disposed within perspectival space “enabled the materialization of novel ideas about the human psyche,” which in turn called into question the prestige of the humanistic subject, and maybe even the concept of consciousness itself. To make her case, Butterfield-Rosen provides readers with a general introduction to the history of human disposition (both mental and physical) within the visual arts, followed by three studies of paradigmatic works by the Neo-Impressionist Georges Seurat, the Vienna Secessionist Gustav Klimt, and the dancer-choreographer Vaslav Nijinsky, respectively. Each chapter functions as a self-sufficient unit, but they are connected through a “structure of analogies,” which includes shared motifs and gestures or relevant contemporaneous developments in the fields of art history, archaeology, psychology, and evolutionary biology.(ibidem Art in A.)

De stelling van het boek is dat de late negentiende-eeuwse afschaffing van lichaamsvormen in de perspectivische ruimte "de materialisatie van nieuwe ideeën over de menselijke psyche mogelijk maakte," die op hun beurt het prestige van het humanistische subject, en misschien zelfs het concept van bewustzijn zelf, in vraag stelden. 
Butterfield-Rosen geeft de lezer een algemene inleiding in de geschiedenis van de menselijke dispositie (zowel mentaal als fysiek) binnen de beeldende kunst, gevolgd door drie studies van paradigmatische werken van respectievelijk de neo-impressionist Georges Seurat, de Wiener Secessionist Gustav Klimt, en de danser-choreograaf Vaslav Nijinsky. Elk hoofdstuk functioneert als een op zichzelf staande eenheid, maar ze zijn met elkaar verbonden door een "structuur van analogieën", die gedeelde motieven en gebaren of relevante contemporaine ontwikkelingen op het gebied van de kunstgeschiedenis, archeologie, psychologie en evolutionaire biologie omvat. (ibidem)
Baigneurs a Asnieres (klik op onderschrift om te vergroten)

Het was de negentiende-eeuwse Deense kunsthistoricus Julius Lange die de belangrijkste inspiratiebron van het boek vormt. Hij was het die in de vroege jaren 1890 het begrip ‘frontaliteit’ bedacht dat in de twintigste-eeuwse kritiek ingeburgerd geraakt op de modernistische abstractie.

Volgens Lange was frontaliteit - of de trouw van een kunstenaar aan de verticale as van het afgebeelde lichaam en het vermijden van scheefstand of torsie - de "standaardtoestand" van de beeldende kunst, omdat, zo betoogde hij, archaïsche of zogenaamde primitieve kunst, ongeacht plaats of cultuur, dit kenmerk deelt. Met de opkomst van het naturalisme in de klassieke Griekse beeldhouwkunst (denk aan de verschuiving van de Archaïsche Kouros naar de geklassificeerde Kritios Jongen), beleefde de kunstgeschiedenis een historische breuk. De lichamen in de kunst verschenen nu zoals echte menselijke lichamen zouden kunnen verschijnen, gerangschikt in houdingen die de reactie van een subject weerspiegelen op zowel externe krachten, zoals de zwaartekracht, als op interne krachten, zoals intentionaliteit.
'Lange named this Post-Classical figure le moi—the subject of reflective consciousness. During the Renaissance, this new sculpted figure found its footing within the illusionistic space of painting. In Butterfield-Rosen’s view, the primitivist return to frontality in later nineteenth- and early twentieth-century art registers the increasing awareness of alternative, more ancient figural forms to the classical ideal, which modernist painters encountered in museum displays or art history textbooks, and then redeployed in order to represent new models of subjectivity.' (ibidem)
Les Poseuses (klik om te vergroten op onderschrift)

Butterfield-Rosen’s Seurat-hoofdstuk zou verplichte lectuur moeten zijn voor studenten die de negentiende-eeuwse kunst bestuderen. Ze verschaft originele inzichten in Seurat’ s manifest-schilderij Un dimanche après-midi à l’île de la Grande Jatte (1884), een pointillistische voorstelling van Parijzenaars die in het weekend van de zon genieten aan de oevers van de Seine, en ze ontwikkelt ook het meest uitgebreide onderzoek tot nu toe van het vervolgschilderij van de schilder: Les Poseuses (1886-88), dat drie naakte artiestenmodellen in drie verschillende poses afbeeldt – één rugligging, één frontaal en één in profiel – in het atelier van de kunstenaar. Met betrekking tot dit laatste schilderij merkt Butterfield-Rosen een ambiguïteit op in de betekenis van de kunstige houdingen van de figuren.

Enerzijds roept het centrale, naar voren gerichte model een oude denkfiguur op – of liever, een klassiek beeldhouwwerk in de collectie van het Louvre van een oude denker, Demosthenes – zodat deze afgebeelde figuur de atelierruimte van de kunstenaar lijkt te bewaken als plaatsvervanger van de denkende kunstenaar, “half uitdagend, en half treurend, misschien”. Aan de andere kant wordt Seurat’ s aanwezigheid overal in zijn werk waargenomen. We zien gedeeltelijke weergaven van zijn eerdere schilderij, La Grande Jatte. We kunnen alle individuele poses van de modellen identificeren als discrete kunsthistorische citaten van antieke sculpturale prototypes, en vervolgens ook een klassieke bron herkennen voor hun triadische opstelling: de Drie Gratiën. Ten slotte weten we van tijdgenoten van Seurat dat hij een beetje een controlefreak was, die naar verluidt niets in zijn werk aan het toeval overliet. Het resultaat is dat de centrale figuur schommelt tussen een actieve pose die ze zelf heeft gekozen en een meer passieve die de kunstenaar voor haar heeft uitgekozen. In beide gevallen staat de toeschouwer tegenover dit model vanuit dezelfde positie die ooit door de schilder werd ingenomen, waardoor hij ook als surrogaat Seurat fungeert. (ibidem)

G. Klimt Beethovenfries (fragm)

Als Klimt wil dat zijn toeschouwers begrijpen wie hij is en waarover ‘hij het heeft in zijn werk’, dan is dat voor de toeschouwers van ‘De Beethoven-fries’ (1901) een hele opgave. In feite is het de picturale voorstelling van ‘de Negende Symfonie’ die hij voor het Weense Secession-gebouw ontwierp. Ik citreer Alex Weintraub in Art in America:

'Klimt’s work is jam-packed with iconographic oddities. Butterfield-Rosen pays particular attention to its creaturely forms, its series of wiggly, hovering female figures, and, finally, the pair of simian-ish faces (aptly described as “golden emojis”) that levitate above Klimt’s now iconic kissing couple. By comparing the buoyant eroticism of Klimt’s Beethovenfries with the freighted contemplativeness of Max Klinger’s Beethoven (1902)—a massive sculptural tribute to the same composer, also exhibited at the Secession—Butterfield-Rosen teases out a series of critical inversions underlying Klimt’s vision. She views his Beethovenfries as a celebration of ornamental painting over the fine art tableau; free-floating unconscious states over brooding forms of thought; and Darwinian aesthetics over Kantian ideals.'
Max Klinger Beethoven

Klimt’s monumentale decoratieve fries is een quasi-illustratie van Ludwig van Beethovens Negende Symfonie, die hij ontwierp voor het Weense Secession-gebouw. Het werk van Klimt zit vol met iconografische eigenaardigheden. Butterfield-Rosen besteedt bijzondere aandacht aan de schepselachtige vormen, de reeks wiebelige, zwevende vrouwenfiguren en, tenslotte, het paar aapachtige gezichten (treffend omschreven als “gouden emoji’s”) die zweven boven Klimt’s nu iconisch kussende paar. Door de uitbundige erotiek van Klimt’s Beethovenfries te vergelijken met de beladen beschouwelijkheid van Max Klingers Beethoven (1902) – een massief sculpturaal eerbetoon aan dezelfde componist, ook tentoongesteld in de Secession-Butterfield – ontrafelt Rosen een reeks kritische omkeringen die aan Klimt’s visie ten grondslag liggen. Zij ziet zijn Beethovenfries als een viering van de ornamentele schilderkunst boven het tafereel van de schone kunsten: vrij zwevende onbewuste toestanden boven broedende vormen van denken (mooie uitdrukking); en Darwinistische esthetiek boven Kantiaanse idealen. (fraaie combinatie)

Kostuum-ontwerp voor L’ après-midi d’un faun

En dan naar Nijinsky, dansend kunstenaar, die ook zijn eisen stelt aan de interpretatie van zijn toeschouwers. In ‘L’ Après-midi d’ un faune’, ballet uit 1912 wil hij de verleiding van een nimf door een faun in de stijl van een bas-reliëf: geen gezwaai, geen geloop van een druk corps de ballet, maar een beperking van bewegingen om tot een gestileerde, schematische actie te komen waarin de uitbeelding van een bijna onmogelijke relatie eerder telde dan het spektakel.

Like Klimt, Nijinsky also made interpretative demands upon his viewers: “I know what an eye is. An eye is the theater. The brain is the audience. I am the eye in the brain.” In the case of L’Après-midi d’un faune (1912), the dance at the center of Butterfield-Rosen’s Nijinsky chapter, the choreographer composed a ballet of a faun’s frustrated seduction of a nymph in the style of an “archaic bas-relief.” In practice, this meant that his performers had to learn to restrict their movements so as to affirm their relationship to the dance’s relief-plane: the backdrop. 

For Nijinsky, the theatrical stage no longer functioned as a deep space in which dancers formed compelling relationships or broke out into exhibitionist turns. Rather, it served as a shallow band of ground sufficient only for stylized, schematic action. This too was an exhibitionist form of dance, but with a few differences. By preventing his dancers from arranging themselves in depth, Nijinsky diminished the presence of internal spectatorship within his dance, such as in banquet scenes of classical storybook ballets, in which corps members encircle soloists and principals as they pair up and show off. In so doing, Nijinsky, like Seurat, foregrounded “the primary relationship between the faun and the audience,” as opposed to that of the faun and the nymphs. Additionally, Butterfield-Rosen interprets the erotic content of L’Après-midi and its choreographic sublimation into artful poses of bodily stiffness through the lens of Sigmund Freud’s psychoanalytic account of exhibitionism and dream interpretation.(ibidem)

Kortom, alle drie de protagonisten in Modern Art and the Remaking of Human Disposition waren bezig de aandacht van de toeschouwers te beheren, wat ze deden door archaïserende figuratietechnieken toe te passen. (The Mise-en-Scène of Dreams, als titel van het hoofdstuk)

Hun frontaal geposeerde lichamen hielden de klassieke fictie van psychische diepte niet in stand, omdat ze te gestileerd waren en hun poses te veel naar andere kunstwerken refereerden. Het gevolg was dat het denken werd verplaatst van de handelingen van de afgebeelde figuren binnen een schilderij naar de picturale voorstelling als geheel.

De kijkers moesten de gedachten en beweegredenen van Seurat, Klimt en Nijinsky interpreteren, niet die van modellen, minnaars en nimfen. Gezien de schijnbare leegte van al deze afgeplatte figuren, stelt Butterfield-Rosen dat modernistische vormen van frontaliteit parallel liepen met gelijktijdige verschuivingen in de status van het menselijk subject in de filosofie en wetenschap van het fin-de-siècle. Met haar woorden: “Het antinaturalisme van de lichaamshouding kan worden gezien als de instelling van een ander soort naturalisme… een visueel teken voor de erkenning van de ‘naturalisatie van de geest’. Niet langer een ideaal medium van bewust denken, werd de geest een puur fysiek ding: een brein. (ibidem)

” No longer an ideal medium of conscious thought, the mind became a purely physical thing: a brain.

Er volgt nog een genadevolle blik op de pogingen van de auteur om bepaalde analogieën, zoals Maurice Denis’ polemisch essay ‘Definition du neo-traditionisme’ uit 1890 als canon voor eigen huis te gebruiken terwijl er inderdaad ook redenen zijn om met de interpretatie ervan andere wegen in te slaan zodat zijn project onverenigbaar blijft met de these van de auteur die op haar beurt -en dat pleit voor haar- nooit alternatieve verklaringen uitsluit. Zo is er ook geen afsluitend hoofdstuk. En zegt Alex Weintraub: ‘Men bespeurt in dit gebaar een erkenning dat het complexe werk om haar ‘eenvoudige formele observatie’ te begrijpen nog gaande is. Dat is het effect van een doorbraak.”

Een boeiend fraai uitgegeven boek dat je meeneemt naar een confrontatie tussen innerlijkheid en wat wij daar dan uiterlijk in de kunst van denken waar – of mee te nemen. Het gehele artikel is hieronder te raadplegen: Art of America.

Detail of Gustave Klimt’s Mäda Primavest 1912
Emmelyn Butterfield-Rosen is associate director of the Williams Graduate Program in the History of Art at the Clark Art Institute. She specializes in modern art and cultural history, primarily in Europe. Relations between modern art and modern sciences of the human subject are a guiding preoccupation of her teaching and research. Broad areas of interest include the history of art history and archaeology, the history of art criticism, philosophical and scientific theories of the aesthetic, archaism and primitivisms, interactions between the visual and performing arts, the history of dance and early film, theories of gesture and corporeal expression, and the history of biology, psychology and psychoanalysis, especially with reference to the history of sexuality. 

https://williams.academia.edu/EmmelynButterfieldRosen

Beelden als boodschapper

‘Sinking House’ architecture firm ‘Stride Tereglown’

Dit ‘zinkende huis’ is deze dagen te bekijken in de Engelse stad ‘Bath’, in het midden van de Avon-rivier, dichtbij de Pultney Bridge. Het is een installatie van de ‘Stride Treglown’ architectuur-studio.

Sinking House is a small wooden house painted red that seems to sink into the river. Sitting on the roof is a human figure who is trying to save the house from almost certain destruction by tugging on a rope tied to the bridge. On this rope we can see an unmistakable white writing on red signs: COP26. (Collater.al Guido Giulia)

Het is een duidelijke boodschap van de architectengroep van Stride Treglown aan het adres van de klimaatverandering en toont met een beeld de inclusieve gevaren voor ons allen ervan enkele dagen voor COP26, the United Climate Change Conference. In eigen land hebben we duidelijke voorbeelden gehad van ‘zinkende’ huizen. De rode kleur was niet toevallig want ze stelt daarmee alle huizen en hotels van Monopoly voor. The Stride Treglown studio wilde hiermee onderlijnen dat staten vaak beslissingen nemen die vooral of alleen rondom de economische aspecten van het gebeuren draaien.

In datzelfde tijdschrift ‘Collatter.al toont de Israëlische fotograaf Alexander Bronfer zijn foto’s over ”The dead Sea’, de Dode zee. Een vreemde en inderdaad mysterieuze plaats waar je dichtbij de bijbelse teksten en gebeurtenissen (met o.a. de vervloekte steden Sodoma en Gomorrah) juist NIET kunt zinken door het hoog zoutgehalte in het water.

In addition to being an important archaeological site, where, for example, the remains of a cosmetic and therapeutic mud factory dating back to the time of Herod have been found, Ein Bokek today represents a destination frequented mainly by tourists from different countries. 

It is precisely in this place, located on the western shore of the lower basin of the Dead Sea and where the water depth never exceeds 2 meters, that photographer Alexander Bronfer has returned almost every week for about two years, capturing its truest and deepest soul. 
(Collater.al  Guido Giuilia)
Alexander Bronfer The Dead Sea

Recente studies tonen aan dat ’the lower basin of the Dead sea’ gedoemd is om verdampend te verdwijnen.

Alexander Bronfer was born in Ukraine and studied in Russia, in St. Petersburg. Once he finished his studies he moved to Israel, first in Tel Aviv and then lived in several Kibutz in the south of the country. 
Alexander Bronfer The Dead Sea

Het is een beetje surreëel maar toevallig had ik enkele conceptuele illustraties van kunstenares Chiara Ghigliazza bij de hand. We blijven beleefd en voorkomend, ook in noodsituaties.

Bezoek alvast haar website: https://chiaraghigliazza.com/

Can ‘women’s work’ be a feminist act?
I want my daughter to love whatever she wants to love. I want my daughter to fully own her own desires and joys, and I hope her generation is far less consumed with questioning the validity of whatever makes them happy than mine is. (Chiara Ghigliazza)
A Half-Century of Economics at EPA
Illustration about the use of economic research in designing environmental policies, for Resources, magazine of the environmental nonprofit organization Resources for the Future.

Het zijn maar enkele voorbeelden van ‘beeldend’ denken omtrent ‘de toekomst’, een kleine aanvulling van onze vorige bijdrage.

Follow the leaders London Isaac Cordal

enzovoorts

En wat als je je afvraagt wat er met die kunst en zijn beoefenaars moet gebeuren in de toekomst? Een video van zes jaar geleden maar de vragen blijven nog steeds gesteld.Een museum met plezierige zelfkritiek?

De hedendaagse kunstenaar kan o.a. met treffende beelden wel degelijk een verhelderende aanzet tot dagelijkse participatie geven. Dat kunst zich bekommert om de planeet en haar (toekomstige) bewoners zou vanzelfsprekend mogen zijn. De manier waarop is een kwestie van kunde, mensenkennis en samenwerking. Beeldentaal kan zich tot een breed publiek richten.

Chiara Ghigliazza

De toekomst voorstellen, een denk-probleem?

Hoe komt het dat we ons zo moeilijk de toekomst kunnen voorstellen? Waarom zijn we zo gehecht aan het hier en nu? Eerst dus de vraag: ‘Hoe denken we?’ En om dat wetenschappelijk te duiden is ‘Harvard University’ een goede graadmeter, er wordt daar aan denken met hoofdletters gedaan.

In 2017 ondernam Elinor Amit, verbonden aan het departement Psychologie aldaar een onderzoek naar die vraag.

Human thought generally can be divided into two modes, the visual and the verbal. When you think about your next vacation and imagine sitting under a palm tree and sipping a cold drink, you’re probably thinking visually. If you’re thinking what you’ll say when you make a presentation at work, you’re likely thinking in words and sentences, creating inner speech.

De klaarheid van het Harvardiaanse klontje kun je toch nog belegeren met de vraag of die twee, het visuele en het verbale, altijd los van elkaar staan? Kun je het ene gebruiken zonder dat het andere opduikt? Dat was alvast een vraag die proefondervindelijk kon benaderd worden. Elinor Armit, departement Psychologie en Evelina Fedorenko, Harvard Medical school ontdekten in die studie dat zelfs wanneer mensen gevraagd werd om verbaal te denken, ze toch visuele beelden creëerden om hun ‘inner speech’ te begeleiden. Dat zou betekenen dat visueel denken diepgeworteld is in de hersenen. De studie is beschreven in het tijdschrift NeuroImage.

“The question we wanted to answer was: Can you engage in one without the other modality popping up?” Amit said. “Can you use one without invoking the other unintentionally?”

Er werden dus een reeks experimenten ontworpen door Amit en collega’s die in het lab begonnen en later overgingen naar de MRI-scanners.

In het eerste experiment werd vrijwilligers gevraagd om ofwel beelden ofwel zinnen te creëren op basis van woordparen. Het eerste woord was altijd een beroep, zoals ballerina, politieagent of leraar. In de helft van de gevallen was het tweede woord een voorwerp, in de andere helft een plaats.

Na het maken van een beeld of zin met de woorden, werden de deelnemers een van de vier vragen gesteld: Hoe duidelijk waren de beelden of zinnen die ze moesten maken, of hoe duidelijk waren de beelden of zinnen die ze onbedoeld hadden gemaakt?

“So in one trial you might be asked to create an image, and we would ask you how clear that image was,” Amit explained. “In the next trial, we might ask you to create an image again, but then ask you how clear was the sentence you unintentionally created.”

Zoals goede wetenschappers werd het experiment twee maal herhaald, een keer met lab-vrijwilligers, een andere keer met vrijwilligers gerecruteerd uit ’the internet labor market Amazon Mechanical Turk‘. In beide gevallen, zei Amid, waren de resultaten dezelfde.

“What we found was there was no difference in the vividness of images,” Amit said. “The subjects didn’t care if we asked them to create an image or not; it was vivid regardless of what we asked them to do.” However, the clarity of the sentence was affected by instructions." 
The inner speech produced by the subjects was clearer when the participants intended to create sentences than when they did not.

Dat waren al significante resultaten maar ze bleven beperkt tot zelfrapportage van de deelnemers over de levendigheid van beelden of innerlijke spraak. Daarom werd daarna om die beperking te kunnen ondervangen gebruik gemaakt van resonantie-beeldvorming, of fMRI waarmee de hersenactiviteit van de proefpersonen kon worden gevolgd.

Voor de fMRI-test trainden de onderzoekers de deelnemers eerst met behulp van een reeks boeiende zinnen en beelden, die elk konden worden opgeroepen met behulp van een “cue”. Terwijl ze de zinnen of beelden opriepen, gebruikten Amit en collega’s fMRI om het taalnetwerk van de hersenen te monitoren, evenals hersengebieden waarvan bekend is dat ze betrokken zijn bij het herkennen van gezichten en lichamen.

“We found that people generated more robust verbal representations during deliberate inner speech … but they generated visual images regardless of whether their intent was to visualize something or to think verbally.” “This raises an interesting question,” Amit said. “It suggests that even though we visualize things all the time, it may be that they are relatively impoverished and not like a movie that runs in our heads.” 

Amit zei dat de studie intrigerende vragen oproept over de vraag of mensen gebonden moeten zijn aan het hier en nu. In eerder onderzoek ontdekten Amit en collega’s dat mensen de neiging hebben om visueel na te denken over dingen die dicht bij hen staan (in de tijd, sociaal of geografisch), maar gebruik maken van innerlijke spraak wanneer ze over verre dingen nadenken.

“So if you think about Harvard Square versus San Francisco, you’re probably visualizing the former, but thinking verbally about the latter,” Amit said. “The same goes for whether you think about yourself or someone else, or in-group versus outgroup, or tomorrow versus 10 years from now.”
Foto door Magda Ehlers

Haar nieuwe studie toont echter aan dat zelfs wanneer mensen bewust verbaal proberen te denken, het visuele denken bijna altijd binnendringt, wat suggereert dat mensen in het heden geaard zijn, zelfs wanneer ze proberen een denkmanier te gebruiken die typisch is om het over de toekomst te hebben.

“This suggests that we can’t really go beyond the here and now and think in abstract ways about other people, places, or times,” Amit said. “This is the way our brains are wired, and there may be an evolutionary reason for this [because] we haven’t always been verbalizers. For a long time, we understood our world visually, so maybe language is an add-on.

That has important implications because if we are truly grounded in the here and now, what does that mean about how we develop public policy?. Do we need to help people overcome their bias to focusing on the here and now? This is something we may need to be aware of.”

Een boeiende vraag die ons alvast met de vraag confronteert waarom wij ons zo moeilijk de toekomstige problemen kunnen voorstellen die op dit ogenblik in de klimaatconferentie in Glasgow aan bod komen. Of we mensen kunnen helpen hun vooringenomenheid te overwinnen door zich vooral op het hier en nu te richten en daardoor problemen hebben zich de toekomst voor te stellen..

De manier waarop we het beeld van de toekomst dichterbij kunnen brengen, haar met dezelfde intensiteit van het hier en nu te ervaren zal onderwerp zijn van nieuw onderzoek. Misschien dat beelden van die toekomst meer overtuigen dan alleen studies en documenten? Niet een of-of, maar een en-en verhaal. Gebruiken we dus de kracht van het visuele ook om de toekomstige wereld voortijdig bekend te maken. Het hier-en-nu kan immers vlug van geruststellende gedaan te veranderen.

Artikel: The power of picturing thoughts
'Hoe komt het dat we ons zo moeilijk de toekomst kunnen voorstellen? Waarom zijn we zo gehecht aan het hier en nu?

Uit: A new study led by Elinor Amit, an affiliate of the Psychology Department, shows that people create visual images to accompany their inner speech even when they are prompted to use verbal thinking, suggesting that visual thinking is deeply ingrained in the human brain while speech is a relatively recent evolutionary development. (Redactie Peter Ruell Harvard Gazette)

Thinking Man Rhodes Rumsey

Beeld en begrip: tweespalt of synthese (1)

http://www.historien.nl/wp-content/uploads/2015/09/Verheerlijking_van_handel_en_wetenschap_Rijksmuseum.jpeg

Klik even op het onderschrift van dit prachtige schilderij door een anonieme meester geschilderd midden zeventiende eeuw en bekijk in groot formaat ‘de verheerlijking van de wetenschap en de handel’, een toen voor de hand liggende combinatie. Maar ook de kunsten komen aan bod, zie rechts de instrumenten. Kijk naar de ijverig studerende kinderen, de druk overleggende handelaars links boven, ja de goden zijn de gouden eeuw genegen. Maar eens de voeten weer op de begane grond stonden bleek de combinatie ‘beeld’ (kunsten) en ‘begrip’ (wetenschappen) niet dadelijk een succesverhaal. Ook hieronder wordt door de kunsten en de wetenschappen de onwetendheid overwonnen.

Mars omringd door de Kunsten en Wetenschappen, overwint de Onwetendheid (Antonius Claeissens, 1605); collection: Musea Brugge – Groeningemuseum
Mars overmeestert de Onwetendheid een naakte figuur met ezelsoren. De gevleugelde Victoria komt met lauwerkrans en palmtak voor de overwinnaar aangevlogen. De Romeinse oorlogsgod wordt geflankeerd door de Wetenschappen en de Kunsten elk gepersonifieerd door rijk getooide vrouwen. Links staan de Wetenschappen met de Sterrenkunde met hemelsfeer de Welsprekendheid met papegaai de Geschiedenis met sleutel en al schrijvende de Geneeskunde met sleutel en de slangenstaf van Asclepius en de Aardrijkskunde met wereldbol passer en winkelhaak. De Kunsten zijn vertegenwoordigd door de Muziek met luit trompet en hoorn aan haar voeten terwijl ze de basschalmei bespeelt de Dichtkunst schrijft op een wastablet en de Schilderkunst met palet en penselen. Mars wordt nog een tweede keer uitgebeeld als de Romeinse soldaat die de Schilderkunst in bescherming neemt. Traditioneel vertrappelt Mars de Kunsten beschermd door Minerva en worden zo de verschrikkingen van de oorlog gesymboliseerd. De ontvoogdingsstrijd van de kunstschilders tegenover de ambachtslui en de officiële erkenning van de schilderkunst als één van de Artes liberales zijn Claeissens’ uitgangspunt voor de uitvinding van deze nieuwe allegorie. (Art in Flanders)

Je voelt in het verhaal bij dit laatste doek al duidelijk dat de ‘kunsten’ het in bepaalde omstandigheden niet zo makkelijk hadden, en daarmee openen we het onderwerp: kunnen beeld en begrip door dezelfde deur?

De menselijke creativiteit is in dit blog al meermaals het onderwerp geweest net zoals ze voor de Franse wetenschapsfilosoof Gaston Bachelard (1884-1962) de rode draad door zijn studies was.
In een mooie samenvatting van een lezing van dr. Cees Hertogh toen (1995) verbonden aan de faculteit Geneeskunde van de Vrije Universiteit van Amsterdam vond ik een heldere voorstelling waarin Bachelard’s werk een belangrijke rol speelt.
Hij verwijst naar een andere lezing aan de universiteit van Cambridge in 1959:

‘In 1959 hield de romanschrijver en natuurkundige Charles Snow aan de universiteit van Cambridge de vermaard geworden lezing ‘The two cultures and the scientific revolution'. Hierin verdedigt hij dat in de westerse samenleving een te groot gewicht wordt toegekend aan de geesteswetenschappen. Hij meent dat alleen de natuurwetenschappen in staat zijn het menselijk leven werkelijk te verbeteren. De humaniora (toen bedoeld als staande voor ‘geesteswetenschappen’) zouden die vooruitgang slechts afremmen, omdat zij gericht zijn op het behoud van traditioneel denken. Door te spreken over twee culturen scherpte Snow het onderscheid tussen natuur- en geesteswetenschappen bijna tot een dualisme aan en pookte hij het vuur van een al lang smeulende discussie weer op. Een decennium later vindt Nobelprijswinnaar Jacques Monod zelfs dat de kloof zo diep is geworden, dat zij het bewustzijn van ieder mens met enige ontwikkeling en gevoel voor creativiteit obsedeert en verscheurt.

En hier komt Bachelard op onze weg. In zijn werk vind je een intrigerende tweeledigheid: van de studies over de filosofie van de natuurwetenschappen en boeken gewijd aan de literaire verbeelding.

 De eerste indruk is dat hij zonder meer instemt met een scheiding van de twee culturen. ,,Tussen beeld en begrip geen synthese, ook geen samenhang'', schrijft hij. ,,Het beeld kan geen stof voor het begrip leveren; het begrip dat een beeld stabiliseert vernietigt het.''
Ik wil deze eerste indruk in een ander daglicht stellen door de ontwikkeling van Bachelard's filosofie te reconstrueren. In 1938 verschenen van hem twee boeken die raadselachtig overkwamen: 'De vorming van de wetenschappelijke geest; bijdrage aan een psychoanalyse van de objectieve kennis' en 'Psychoanalyse van het vuur'. Deze studies moesten worden opgevat als bijdragen aan de wetenschapsfilosofie en -geschiedenis, maar Bachelard beoefent deze discipline op wel zeer ongebruikelijke wijze.

In zijn studie over het vuur ( La psychanalyse du feu) vraagt Bachelard zich af waarom het vuur eeuwenlang onderwerp van wetenschappelijke dissertaties kon zijn, terwijl men er in de hedendaagse fysica en chemie met geen woord meer over rept.

Sinds mensenheugenis is de mens gefascineerd geweest door het spel van likkende vlammen, maar wat daarvan in de wetenschap nog rest is losgemaakt van elke verwijzing naar de zintuigelijke ervaring en, ontdaan van alle gloed, over diverse wetenschappen verspreid: het vuur is vervangen door abstracte kennis die niet meer brandt.
Deze geschiedenis van de wederwaardigheden van het vuur is voor Bachelard méér dan een curieus aanhangsel bij de officiële wetenschapsgeschiedenis. De onbekendheid ervan roept de vraag op naar de status van die officiële geschiedschrijving: waarover verhaalt zij eigenlijk, als zij slechts een gladgestreken verhaal van wetenschappelijke successen optekent en voorbijgaat aan de mislukkingen en dwaalwegen waarop het menselijk denken zich begaf?

In die vraag stelt Bachelard een belangrijke vooronderstelling van de geschiedschrijving ter discussie, namelijk dat wetenschap een gestage en continue ontwikkelingslijn kent, waarin het wetenschappelijke subject geleidelijk aan steeds meer inzicht verwerft in de objecten die het buiten zich aantreft. Men reconstrueert een verleden dat noodzakelijk uitmondt in het heden en laat weg, wat daarin niet te pas komt.
Om dat schema vol te kunnen houden vindt men de figuur van de voorloper uit: een denker die een stuk aflegt van de weg waarop een later denken voortgaat en die daarmee vooruitloopt op een inzicht dat hij zelf niet heeft bedacht. Zo'n voorloper is als het ware iemand, in wie de hedendaagse mens zichzelf kan herkennen en van wie we verwachten dat hij zich omgekeerd in ons zou kunnen herkennen. De voorloper is een mens van alle tijden en alle culturen.
Stepping Forward (Hanneke Beaumont – 2008) European Quarter Works of Art © visit.brussels – Jean-Paul Remy – 2020

Dit zijn vooronderstellingen waarin Bachelard de fundamenten herkent van de in zijn tijd dominante kennisfilosofie. Wat hier ‘voorloper’ wordt genoemd is slechts een bijzondere verschijning van de onveranderlijke rede. De dingen die gekend worden verwijzen naar een onuitputtelijke maar eveneens onveranderlijke realiteit buiten de kennis. Tegen deze filosofie tekent hij verzet aan in al zijn studies.

De conclusie dat het vuur geen wetenschappelijk object meer is, is een van de vele wijzen waarop Bachelard verwoordt dat de geschiedenis van de wetenschap breuklijnen vertoont, waarin zichtbaar wordt dat de ontwikkeling van wetenschappelijke kennis niet alleen bestaat uit opbouw, maar evenzeer uit afbraak. Sterker nog: zonder afbraak kan er geen opbouw zijn.
Al in zijn proefschrift geeft Bachelard aan waar het hem in zijn wijsbegeerte om te doen is als hij schrijft: ,,Men kan niet uitleggen wat denken is, door de resultaten ervan te inventariseren.'' 
Men zal het denken moeten betrappen, daar waar het werkelijk aan het werk is. Veel filosofen in zijn tijd spraken op afstand over wetenschap - en gingen daarmee aan haar kern voorbij. Anderen keerden er zich vanaf en zagen in de wetenschap een vervreemdende, ja zelfs dehumaniserende factor.

Bachelard bestrijdt die negatieve waardering en buigt de kritiek in haar tegendeel om: dat wetenschap te specialistisch zou zijn, ontoegankelijk en abstract, dat zij niet in overeenstemming is te brengen met de ervaring van alledag, dat zij ingrijpt in de natuur en een artificiële werkelijkheid produceert, dat alles draait hij om tot teken van een in de wetenschap aan de dag tredende creativiteit. Zijn visie is dan ook te kenschetsen als een optimistische en - in zijn tijd ook- als een avant-gardistische.
'Avant d'être le fils du bois, le feu est le fils de l'homme.'  (La Psychanalyse du feu)
Man at fire Teun Hocks 1990

Lees weldra verder in deel 2

Le feu est ainsi un phénomène privilégié qui peut tout expliquer. Si tout ce qui change lentement s'explique par la vie, tout ce qui change vite s'explique par le feu. Le feu est l'ultra-vivant. Le feu est intime et il est universel. Il vit dans notre cœur. Il vit dans le ciel. Il monte des profondeurs de la substance et s'offre comme un amour. Il redescend dans la matière et se cache, latent, contenu comme la haine et la vengeance. (Bachelard)
Samenvatting van een lezing door Dr. Cees Hertogh over het werk van de wetenschapsfilosoof Gaston Bachlard (1884-1962) deel 1  Bewerking Mannus van der Laan en Gmt

BRIEVEN AAN JOZEF: BEELD EN WOORD (2)

unwetter.jpg
Net voor het onweer
is het angstwekkend
stil.

Natuurlijk is de vrome stilte in de tuin mij lief, Jozef. De stilte waarin het bier wordt gebrouwen in Westmalle, met de geduldige ziel naar het licht dat via de scheuren in ons wezen zijn weg vindt. (met dank aan Rumi en Cohen)
Ook de woestijn of de straten ’s nachts in deze provinciestad terwijl ik dit schrijf stralen harde of zachte stilte uit. Het huis waarin het kind eindelijk de slaap vindt of de vrede van de bijna honderdjarige vader, beiden in het soelaas van het bewusteloze. Als jongen wandelde ik graag ’s nachts.  Luisteren naar de bewustelozen. Of je hun dromen kon horen?
Het bewusteloze waarin onze dappere hersenen de plooien niet meer moeten gladstrijken (of juist wel?) maar toch verder werken en ons met droomgestalten bedenken. Stel je voor dat ze ons al eeuwen voorhouden: dit dromen, mens, is de werkelijke werkelijkheid.

Ik weet dat jouw wereld-verbonden ziel het geraas van beelden en woorden kan missen.  Maar mijn liefde voor het woord, de onuitgesproken woorden waarmee we onze angsten voor diezelfde wereld en ook de hoop kunnen vormgeven vanuit onze schamele eigenheid, ligt in dezelfde betrokken lijn. Onze woorden mogen niet verstillen.
Ik heb het idee dat het gekwetter aan de buitenkant en de pogingen tot ‘forse’ woorden aan de politieke binnenkant ons verlammen. Je uit-spreken is in deze tijden niet meer vanzelf-sprekend.

Natuurlijk bedoel ik hiermee het bekend maken van je opgedane bevindingen en niet het gekwaak in de weinig sociale media-vijvers. Tijd voor een canon:

‘Neem mij in de hand,
‘k zal in ’t kort verklaren
wat mij hier in ’t land
al is wedervaren.’

silence.jpg

De welige wildgroei uit de zestiger-zeventiger jaren biedt te weinig humus waarin op een vanzelfsprekende manier het gedurfde kan bezinken. Beweert men.
Het neo-liberalisme in samenklank met de opeeenvolgende monetaire crisissen zag in deze wildere tijden de oorzaak voor alle kwaad, de wortel van al wat mis ging,  misgaat en zal mislukken.
Met dezelfde ijver waarin tijdens de dertiger jaren van de vorige eeuw de decadente twintiger-jaren aan de schandpaal moesten, met 1929 als triestig hoogtepunt, hoor je nu dezelfde roep naar zekerheid waarin vals heimwee en opgeklopt straatlawaai niet dadelijk een klimaat vormen om hart en ziel te openen.
Een Dutroux-affaire en de recente vluchtelingen-crisis hebben nog een extra verlammende uitwerking die de menselijke zoektocht naar persoonlijk evenwicht -lees ‘geluk’- ten zeerste bemoeilijken.
We praten in deze tijden graag in slogans.  Een beetje zin voor geschiedenis zou ons moeten behoeden voor onomkeerbare processen waarin de dictatuur (iemand moet het doen!) het persoonlijk woord de nek omwringt en een suizende stilte op het terrein achterblijft, angst het proces voltrekt: stilte in ons aller-zielen.  De stilte voor het onweer.

inauguratie_269519a.jpg

Lezend over de nieuwe bevindingen in het hersenonderzoek leerde ik dat de munt-eenheid van onze geest het creëren van ‘voorstellingen’ is.  We zijn in staat onszelf en onze omgeving voor te stellen, deze voorstellingen te manipuleren en erover na te denken. (Antonio Damasio: ‘Het zelf wordt zich bewust’.)
We kunnen objecten oproepen uit de grote voorraadschuren van ons geheugen en daarmee het onbekende van de toekomst vorm geven, stabiliteit verschaffen.
Over de ‘gevoelens van emotie’ (de term is ook van Damasio) moet ik zeker een aparte brief schrijven want daarin ligt een nog grotere mogelijkheid die naar mijn aanvoelen niet of helemaal verkeerd gebruikt wordt.

Ons denken, hoe vreemd ook, speelt zich af met ‘woorden’.  Ga maar eens na wat je nu aan’t denken bent.  Als je dat zelfs voor je zelf wilt uitdrukken dan moet je dat doen in woorden, eigen aan je taal, opvoeding, opleiding enz.
Het is ook niet voor niets dat in grote religieuze en sacrale gebeurtenissen het woord zo belangrijk is.  Het bezweert, is zelfs bij God, of is zelfs helemaal mens geworden.
Het hanteren van woorden zal in belangrijke mate je zelfbeeld bepalen. Ook van onuitgesproken woorden of woorden die je in het dialogeren met jezelf gebruikt.
In een school-opleding die het vooral voor ‘wetenschap’ heeft zou men moeten beseffen dat het hanteren bijvoorbeeld van analogieën in het talige denken een noodzaak voor concepten over onzelf en de wereld is.
(Douglas R. Hofstadter en Emmanuel Sander, Analogie, De kern van ons denken, Atlas Contact, 55 euro (!))

Jouw woord is de enige weg naar de ware demos-kratos.  Een volk ‘zonder eigen woorden’ is klaar voor de dictatuur.
Het talige vergroten bij kinderen en dit op allerlei manieren, liefst zo dicht mogelijk bij zijn/haar wereld is basis voor wetenschap, kunst en een goed, dus gelukkig leven.
Het ‘gehoord’ worden is dan de volgende stap. Daar is dan ook veiligheid en dus moed voor nodig. Spreek (schrijf, teken, roep, zing) je uit. Ik weet het. ‘Ze weten je vlug wonen,’ zei iemand uit een nabij land me. Laten we dan met twee, drie, tien, honderd,één miljoen zijn om ons te blijven uit-spreken.  Boven het gerommel van het onweer.

joy-brown-small-sitter.jpg

UITGELICHT (6) VANUIT ‘DE VEELTE’

20131107-17819-1.jpg

Als peuter en kleuter had ik een vrij primitief inzicht in ‘hoeveelheid’, ik noemde het begrip ‘de veelte’, wat je in volwassen termen ‘een verzameling’ zou kunnen noemen. Ik herinner me heel vroege ervaringen van een zeker welbehagen bij het zien van een collectie kleurpotloden die in een mooie (metalen) doos naast elkaar lagen. Een welbehagen dat je net zo goed had bij een half pak chocolade, onderverdeeld in een aantal vast aan elkaar hangende reepjes of een blad dezelfde postzegels om uit te komen bij de drang van de mens om collecties aan te leggen.


Het ging in eerste instantie niet om ‘het bezit’ maar om een leuk gevoel, dat welbehagen, een zekere ordening te ervaren in ‘de veelte’. Dat welbehagen had met ‘schoonheid’ te maken die een geordende ‘veelte’ kon oproepen: zich herhalende patronen die je in de architectuur of binnenhuisinrichting als in een kunstwerk zou kunnen toepassen.
Primitiever was de drang om ‘de veelte’ te kunnen abstraheren door de onderdelen te tellen. Tellen. Een drang die diep tot in het onderbewustzijn kan doordringen zodat bepaalde mensen voortdurend bijna dwangmatig de werkelijkheid willen tellen (bomen, handelingen) als de drang van het kapitalisme om bezit te vergaren, en ‘dat kan tellen’ als lijfspreuk aan te nemen.

dn9436-1_650.jpg


Tellen zou een bijna exclusief menselijke eigenschap zijn.  Al wil ik hier dadelijk het voorbeeld van woestijnmieren (Cataglyphis fortis) vermelden die naast lichtinval en uitgeademde koolstofdioxyde van het nest met het tellen van hun stappen de kortste weg terug naar huis vinden.
De broeders en zusters-primaten kunnen met enige oefeningen tot zes of zeven tellen en ik vermeld H. Kalmus in zijn artikel ‘Animals as Mathematicians’ in Nature:

‘Er bestaat weinig twijfel dat sommige dieren, zoals eekhoorns en papegaaien, kunnen tellen (…) Het vermogen om te tellen is vastgesteld voor eekhoorns, ratten en bestuivende insecten.  Sommige van deze dieren en andere dieren kunnen aantallen herkennen in patronen die verder hetzelfde zijn.  Andere dieren kan worden aangeleerd om reeksen akoestische signalen te herkennen en zelfs te reproduceren.  Een enkeling kan zelfs worden getraind om het aantal elementen (punten) in een visueel patroon met tikken weer te geven (…) Door het ontbreken van het gesproken getal en het geschreven symbool kunnen veel mensen het beeld van dieren als wiskundigen moeilijk accepteren.’

Chimpansees kunnen aantallen op een computer intoetsen die overeenkomen met het aantal bananen in een doos.
Experimenten in Japan leerden chimpansees getallen van 1 tot 6 herkennen door op de juiste toets te drukken als op een computerscherm een bepaald aantal voorwerpen werd getoond.

dn26094-1_1200.jpg


Nu zou je je kunnen afvragen waarom de menselijke soort zo’n grote groep ‘tellende wezens’ kent (waarbij ik mezelf reken) die ook het behagen in het spelen en het begrijpen van ‘de veelte’ bezitten maar verdere wiskundige bekwaamheden missen om door te dringen in de geheimen van de wiskunde.

Dat tellen niet alleen met zichtbare materie heeft te maken maar zeker ook met muziek en dans maakt duidelijk dat de bekwaamheid tot het hanteren van die wiskunde blijkbaar ook op andere manieren kan aangebracht worden dan wat wij in vroegere dagen hebben meegemaakt waarin de vreugde van tellen en aanverwanten verdween in de eindeloze abstracties waarin het verband met het bestaande, met het wezenlijke, totaal verloren was gegaan.
Nog steeds zie ik die splitsing in wiskundige bokken en schapen waardoor het odium dat alleen nerds zich in dit geheime land kunnen bewegen bevestigd zou worden.
Hier en daar waren er gidsen die toch de zware deuren op een kier konden zetten en  de onkundige teller op zijn/haar manier levenslang zin gaf om weer terug te keren naar die schoonheid.
Of zou het toch ook wel een beetje aan die ongelofelijke pretentieuze zekerheid van de wiskunde zelf kunnen liggen als je bijvoorbeeld deze bewering van Sir Michael Atiyah leest:

‘Bij elke belangrijke stap vereist en stimuleert de natuurkunde de introductie van nieuwe wiskundige middelen en concepten. Ons huidig begrip van de natuurkundewetten, met hun extreme precisie en alomvattendheid, is alleen mogelijk in wiskundige bewoordingen.’

Ze willen niet alleen ‘de veelte’ maar bezitten ook de passie voor de volledigheid, zegt Clifford Picover in ‘Het wiskunde boek’ waaruit ik hier heb geput en dat mij ’s avonds weer op mijn plaats zet voor ik de nacht in ga, de plaats van de liefhebber waarmee de wetenschap weinig kan beginnen al kan bewondering toch ook een mooi opstapje zijn op het achterbalkon van de wiskundetrein.

 

71372300.jpg

 

 At home, from early childhood, Jacob was fascinated by patterns—the play of sunlight on ripples in a pond, the march of shadows across a wall. Kristine Barnett ran a daycare in small-town Indiana while her husband, Michael, worked in retail. One day, she saw that Jacob, then three years old, had organized hundreds of crayons into the colours of the rainbow, in order. Michael was slack-jawed. How did he even know the order of the colours? When his father asked the question, Jacob, who was not speaking, turned a nearby water glass until it splashed a rainbow across the tabletop. It was his way of answering.