AANVERWANTSCHAP EN SEKSUALITEIT

102372GGx

De vragen overvallen ons meer dan ooit.
Waar gaat het in deze strategieën om?

-Om een strijd tegen de seksualiteit?
Of om een poging er greep op te krijgen?
-Om een streven haar beter te beheren en het mogelijke indiscrete, in het ooglopende, en weerbarstige in haar te verhullen?
-Een methode om slechts dat deel van het weten over haar te verwoorden dat nog aanvaardbaar of nuttig is?

Inderdaad, zegt Michel Foucault, het gaat eerder om de produktie zelf van seksualiteit.

Je moet seksualiteit niet opvatten als een soort natuurlijk gegeven dat de macht zou proberen te bedwingen of als een duister domein dat het weten geleidelijk aan het licht zou brengen.

Seksualiteit is de naam die men aan een historisch dispositief kan geven.
Zij is geen onderliggende werkelijkheid waarop men moeizaam greep kan krijgen, maar een groot oppervlakte-netwerk waarin de stimulering van de lichamen, de verheviging van de lusten, de prikkeling tot vertogen, de vorming van specifieke kennis en de versterking van allerlei vormen van toezicht en verzet in overeenstemming met enkele grote strategieën van weten en macht aan elkaar zijn geschakeld.

Men mag als vaststaand aannemen dat de seksuele relaties in elke maatschappij een aanverwantschapsdispositief hebben doen ontstaan: een systeem van huwelijk, van vastligging en ontwikkeling van bloedverwantschappen, van overdracht van namen en goederen.

dyn010_original_491_764_jpeg_20344_41799e4f88839ebc145cf51522ae45f7

Het heeft aan belang ingeboet naarmate het voor economische en politieke structuren niet langer een geschikt instrument of toereikend steunpunt was.
Sinds de achttiende eeuw hebben de moderne westerse maatschappijen een nieuw dispositief bedacht en in het veld gebracht, naast het oude overigens, en het zelfs daarop geënt, het seksualiteitsdispositief

Net zoals het aanverwantsschapsdispositief is het geschakeld aan het circuit van seksuele partners, maar op een totaal andere wijze.
Laten we ze punt voor punt tegenover elkaar zetten om dit verschil duidelijk te maken.

Het aanverwantschapsdispositief is rondom een systeem van regels opgetrokken, regels die opleggen van toegestaan en verboden is, geoorloofd en ongeoorloofd.
Het seksualiteitsdispositief functioneert volgens veranderlijke, veelvormige en conjuncturele machtstechnieken.

Reproduktie van het spel der relaties en de handhaving van de wet waaraan dit spel is onderworpen is een van de voornaamste kenmerken van het aanverwantschapsdispositief, terwijl het seksualiteitsdispositief daarentegen een voortdurende uitbreiding teweeg brengt van domeinen en vormen van controle.

Is voor het eerste dispositief de band tussen de partners met een duidelijk omchreven status doorslaggevend, zo gaat het in het tweede om de lichamelijke gewaarwordingen, de kwaliteit van de lusten en de aard van de indrukken, hoe fijn of onwaarneembaar die ook mogen zijn.

Waar er tussen het aanverwantschapsdispositief en economie een nauwe band bestaat, wegens de overdracht of de circulatie van rijkdommen, is het seksualiteitsdispositief via talrijke subtiele schakels met de economie verbonden, waarvan het lichaam wel de belangrijkste is- het producerende, consumerende lichaam.

Het aanverwantschapsdispositief is afgestemd op een zelfregulering van het maatschappelijk lichaam dat het in stand moet houden.
Vandaar ook zijn gepriviligeerde band met het recht, en ook met het feit dat het belangrijkste moment ervan de reproduktie is.

De bestaansgrond van het seksualiteitsdispositief is niet de zelfreproduktie, maar het steeds gedetailleerder spreiden van de lichamen, het vernieuwen ervan, het aaneensluiten, het uitvinden en binnendringen en een steeds omvattender toezicht uitoefenen op de bevolkingen.

Gebruik je dus de stelling dat de seksualiteit door moderne vormen van de maatschappij wordt onderdrukt, dan moet je er drie of vier andere stellingen tegenoverplaatsen:

-de seksualiteit is aan machtsdisposieven gebonden die van recente datum zijn.
-ze is sinds de zeventiende eeuw gestadig in omvang toegenomen
-de ordening waarop ze sindsdien berust is niet op de reproduktie gericht, maar was vanaf het begin op een intensivering van het lichaam
-de opwaardering daarvan is als object van weten en en als element in de machtsverhoudingen betrokken.

Het is inderdaad onjuist te stellen dat het seksualiteitsdispositief de plaats heeft ingenomen vanht aanverwantschapsdispositief, ook zal zou dat in de toekomst wel eens het geval kunnen zijn.

Ikzelf voeg eraan toe dat juist deze geleidelijke overlapping de oorzaak is van verwarring, onduidelijkheid en verstarring.
Historisch inzicht leert ons dat elke breuklijn voor de nodige denk-bevingen zorgt met helaas ogenschijnlijk de onnodige slachtoffers die tussen gisteren en vandaag in de diepte van het onbegrip schijnen te verdwijnen.
Maar dat is een vals beeld, veroorzaakt door de optica van de eeuwigheid waar we een bril nodig hebben om de trillingen van het dagelijks veranderen waar te nemen.

Het mededogen zal daarom niet veraf kunnen zijn, want we leven met zijn allen op dezelfde breuklijnen van de geschiedenis.


RELIGIE MAAKT DE MENSEN BANG HET BOZE TE DOEN (6)

 

Liverpool Quay by Moonlight 1887 by Atkinson Grimshaw 1836-1893

John Atkinson GRIMSHAW (1836-1893) schilderde menig haventafereel, the Liverpool docks of the docks in Glascow, en gebruikte daarbij hetzelfde procedé: de scheepsmasten aan de ene kant, aan de andere zijde de verlichte winkelramen van de stad en daartussen een brede slijkerige weg.

the-young-microscopists-john-edgar-williams

Het beeld hierboven toont een mooi portret van de Izod Richards broertjes, Frank, Harry en Arthur en is van de hand van John Edgar Williams, Londense portretschilder. (als je £16.000 over hebt, levert Christopher Wood, kunsthandelaar, het volgende week ) Voor mij waren het twee duidelijke beelden die de angsten van de 19de eeuw zichtbaar maakten.

Herbert Schmalz a fair beauty

Om volledig te zijn, een poging tot synthese met het mooie schilderij ‘a fair beauty’ van Gustave Schmalz. (1856-1935)

Ik las dat we voor het eerst in de geschiedenis met meer mensen in steden leven dan op het platteland.
Als ik naar de donkere havenstad kijk bovenaan dan duid je meteen een nieuwe bevolkingsgroep aan waarmee de toenmalige religie (op de Methodisten na) geen blijf wist.

Het stadsleven stond al vlug als ‘zondig’ bekend, en de vrijheid die de mens er kreeg, leidde hem rechtstreeks naar de afgrond.

Steden waren niet dadelijk kernen van beschaving, werd er geopperd.

In zijn werk “Deliverance’ omschrijft Mark Rutheford het als volgt:

‘ Our civilisation seemed nothing but a thin film or crust lying over a volcanic pic, and I wonder often wheter some day the pit would not break up through it and destroy us al.’ (p56)

En daarmee sluit die angst voor een revolutie aan bij de nieuwe ‘onbeheersbare’ stadscultuur waarin het christianisme het eerst zichtbaar terrein verloor en het atheïsme openlijk werd beleden.

In vorige berichten schreef ik je al over de noodzakelijkheid van religie als ‘morele hygiëne’ en hoe de Victorianen die tegenstelling probeerden op te lossen.

Froude schreef in zijn Short Studies:

‘…an established religion…is the sanction of moral obligation; it gives authority to the commandements, creates a fear of doing wrong, and a sense of responsibility for doing it.’

De religie dus als morele stok achter de staatsdeur en het sociale poortje.

En nu naar het prentje met de broertjes die zich met de microscoop bezig houden en de naam Charles Darwin die in de The origin of species (1859) het ontstaan van het biologische leven had duidelijk gemaakt, en de natuurlijke selectie als alternatief voor de goddelijke zevendaagse schepping beschreef.

751px-Origin_of_Species

Met opzet begon ik met de stadscultuur omdat Darwins werk niet de enige oorzaak was van het zogenaamde verval van het Christianisme zoals sommigen al te gemakkelijk voorstellen.
Het was een samenspel van factoren eigen aan het mensbeeld van die vreemde eeuw waarin de groeiende steden en de sociale ongelijkheid zeker net zo belangrijk waren: hoe kan een god dit leed toelaten?

En je kon uiteraard een Chartistische samenleving als ‘communistisch’ bestempelen, maar met meer reden kon je ze ook als ‘infidele’ benoemen wat haar twee keer zo gevaarlijk maakte in de ogen van de conservatieven.

En het mooie meisje?
In die morele wanorde, of zeg ik beter ‘zoektocht’ kwam er via de kunst een drang om een extra-religieuze oplossing te brengen, de drang naar ‘zuiverheid’ naar ‘onschuld’, een begrip dat nog wortelde in het werk van Rousseau (tot op deze dagen overigens).

Het was immers die moderne of conservatieve (naargelang de kant waarbij men dacht te horen) samenleving die de oorspronkelijke zuiverheid van de mens besmette.
En voor het beeld van die zogenaamde zuivere onschuld werden nogal vlug kinderen en jongeren als symbool gekozen die echter een boeiende dualiteit beklemtoonden.

Ze waren en het symbool van de onschuld en tegelijkertijd zo ge-esthetiseerd (om nog niet het woord ge-erotiseerd te gebruiken) dat ze ook lijfelijk, of zelfs seksueel aantrekkelijk leken.

Dat was een pijnlijk dilemma dat tot op de dag van vandaag meestal wordt vermeden en waar we nog uitvoerig op zullen terugkomen als we de Victoriaanse esthetica gaan vergelijken met het modebeeld en de publiciteitswereld van deze dagen.

Het symbool van de ‘onschuld’ als verboden vrucht, een tegenstelling die door weinigen werd bestudeerd , die door de opkomende psycho-analyse meteen naar het terrein van het onbewuste werd verdrongen waar ze dan als oorzaak van allerlei ontsporingen kon bekeken en ‘genezen’ worden.

Het legde nog eens een bijkomende druk op de verwarde wereld van de 19de eeuw. Het problematiseerde het verband tussen uiterlijke schoonheid en innerlijke waarden.

De gemeenschappelijke schuld en onschuld, en het begrip voor het menselijk onvermogen zou nog lang op zich laten wachten. (Een extraatje om het wachten tegemoet te komen: Lady Edith Amela Ward geschilderd door George Elgar Hicks.)

lady-edith-amelia-ward-daughter-of-the-first-earl-of-dudley-george-elgar-hicks

Lady Edith Amela Ward, daughter of the first Earl of Dudley painting by George Elgar Hicks (1824-1914)


KWETSBAARHEID ALS THEMA, EEN TUSSENSTOP

image-2761

In 1986 wordt Martha Nussbaum op slag beroemd met haar boek The fragility of goodness’, een boek over de menselijke onmacht in de creatie van geluk en goedheid, zoals Simone van der Berg dat zo mooi zegt in haar artikel over haar in ‘Denkers van Nu. (Veen magazines B.V. Diemen, 2005)

Nussbaum sympathiseert sterk met de ethiek van Aristoteles die het over een grote variëteit van onderwerpen heeft, dus tegen Kant en Plato en hedendaagse volgelingen want daarin zijn moraal en kwetsbaarheid onverenigbaar.

‘Wat wij als goed ervaren is niet altijd te plannen.’
Vaak valt ons bij verrassing iets goeds ten deel, of valt het juist toevallig weg zonder dat we er iets aan kunnen doen.
Ethiek moet deze aspecten van het leven niet negeren, sterker nog: dat verlies is zelfs de kern waarom haar ethiek draait.

De ethiek noemt ze ’technè’, een klassiek Grieks begrip dat je nu als ‘ambacht’ of ‘kunst’ zou kunnen vertalen: dingen die door mensen worden bedacht en door hen worden voortgezet.

‘Tuchè’ daarentegen zou je met ’toeval’ kunnen vertalen.
Het woord verwijst naar alles wat effect heeft op het leven van mensen zonder dat zij zelf er controle over kunnen op uitoefenen.

Kou, noodweer, ziekte, voedselgebrek of een nachtmerrie zijn enkele voorbeelden van tuchè.
Technai (meervoud van technè) zijn dan huizenbouw, weersvoorspelling, geneeskunde, landbouw, jacht en droomduiding en bevatten een vorm van kennis die mensen weerbaar maakt tegen de effecten van tuchè op hun leven.

Ethiek is dus een manier om onszelf te beschermen tegen beschadiging, en juist daarom is ze ook noodzakelijk.
En deze behoeftigheid is bij Nussbaum niet per se een negatieve toestand: onze meest gewaardeerde technai komen eruit voort.

‘Onze kwetsbaarheid en onze behoeften zijn dus ook de oorsprong van datgene waarop we het meeste trots zijn, de ethiek incluis.’ aldus Simone van der Berg.

Plato dacht dat de mens zich kon immuun maken voor kwetsbaarheid.
Met behulp van de tragediën identificeert Nussbaum drie bronnen van kwetsbaarheid waarop de ethiek zich richt.

Pluraliteit van waarden, passies en hechting.

Die kwetsbaarheidsbronnen zijn herkenbaar voor iedereen mits we er aandacht aan besteden.

dyn002_original_421_580_jpeg_20344_4bedf803dc2d742c47501c417a41f4db

Het risico van hechting maakt het al vlug duidelijk: de persoon waaraan we ons hechtte kan emigreren, in de gevangenis belanden, doodgaan of op een ander vallen.

We kunnen ons ook aan bezittingen hechten die kunnen gestolen worden, of verbranden.
Hechting maakt ons dus kwetsbaar: ze maakt het slagen van ons levensplan afhankelijk van factoren die we niet zelf in de hand hebben.

Bij de pluraliteit van waarden komen we misschien voor een dilemma te staan.
Zal ik mijn vriend verraden die mij een geheim toevertrouwde als dit voor de wet ‘medeplichtigheid’ zou betekenen?
Zo kun je geen gastvrije vriend zijn en tegelijkertijd iemand die de deadlines moet halen om voor Artsen zonder Grenzen te werken en in te staan voor je zieke ouders.

Maar ook de passie is een zelfstandige bron van kwetsbaarheid.
De bestuurbaarheid daarvan is beperkt en in sommige gevallen totaal afwezig: het ontbreken ervan is soms even raadselachtig als het moment dat ze zich in alle hevigheid opdringen.

Met zoveel kwetsbaarheid voor de boeg zou je je toch bij Plato’ s ideeën kunnen aansluiten (of die van Spinoza).
Plato wil zich immuun maken voor kwetsbaarheden. Hun belang negeren.
Dat is ook nu een bekend fenomeen.

Zijn ethisch perspectief overstijgt de menselijke werkelijkheid.
In het dagelijkse leven waarderen mensen allerlei dingen die voor Plato geen waarde hebben: zij willen liefde, vrienden, raken aan een huis gehecht, en nemen hun passies serieus als wegwijzers op de levensweg.
Maar al deze objecten kunnen we ook kwijt geraken, en daarom keurt Plato ze af.

‘Het oog van onze menselijke ziel ligt normaal begraven in ‘barbaars’ slijm en dat ontneemt ons het uitzicht op het goede.’

We moeten volgens hem onze ziel instrueren anders te kijken.
Daarvoor heb je een geleidelijk ontwikkelingsproces nodig waarin je onthecht raakt en leert streven naar veiliger hartstochten zoals kennis en waarheid.

Je voelt duidelijk dat het Christendom niet geheel onbekend was met deze platonische wijsheden!

Nussbaum begrijpt Plato maar keurt zijn denkwijze af.
Immers op die manier kun je niet compassioneel zijn, kun je geen mededogen opbrengen.
Socrates komt tevoorschijn als een mens die boven de werkelijkheid staat.
Hij heeft het nooit koud, hij kan drinken zonder dronken te worden, kent geen passies, heeft geen bezit.
Hij is het summum van de onkwetsbare.

Nussbaum verwacht weinig medeleven van iemand als Socrates.
Als wij zelf de ethiek vormen als een technè dan kunnen we haar ook naar eigen goeddunken wijzigen.
Nussbaum komt op voor een ethiek waarin we dit inlevingsvermogen moeten kunnen waarderen en stimuleren.
Deze ethiek negeert de bronnen van de kwetsbaarheid niet.
Kwetsbaarheden geven ons namelijk belangrijke informatie over dat wat we goedkeuren.
Daarom richt zij zich naar Aristoteles die deze bronnen niet elimineert, hij geeft ze integendeel een centrale plaats.
Zijn ethisch onderzoek start hij vanuit het perspectief van het dagelijks leven.

En dan zijn we terug waar we gisteren zijn aangeland, bij de emoties.


Deze bijdrage was een redactie van Simone van der Burgs artikel in het reeds geciteerde boek.

De schilderijen zijn van de Amerikaanse kunstenares Jennifer Balkan (1970)


Jennifer Balkan – Poof (left) – Slipping away (right),

Scientific Approach Consolidated with Artistic Spirit

Although she has been drawing all her life, painting became her full-time occupation in 2001. She studied behavioral neuroscience at Lehigh University in Pennsylvania and received Ph. D in sociology from the University of Texas. Though she had an intellectual satisfaction and professional confirmation, she all the time craving for creative expression. In 2002. she finally decided to quit her job and take painting lessons. Her education has a crucial influence on her painting. With the vocational and scientific approach to her subjects, Balkan reveals the development of its interpersonal behavior. Her work has been exhibited in galleries all over The United States and internationally. Active in conducting workshops, Balkan also work as a teacher of figurative oil painting in her studio. (Widewalls Susan Wang 2016)

een heilig meetkundeboek (382)

015_493f368892245936bbca6d4e950d38b8

“At the age of 12 I experienced a second wonder of a very different kind: a booklet dealing with Euclidean plane geometry that came into my hands at the beginning of a school year. Here were assertions, as for example the intersection of the three altitudes of a triangle in one point which – though by no means evident – could never-the-less be proved with such certainty that any doubt appeared to be out of the question. This lucidity and certainty made an indescribable impression on me. That the axioms could not be proved did not annoy me. Actually I was completely satisfied when I was able to rely on such theorems whose validity were not doubtful to me.

I remember for example that my uncle told me about Pythagoras’ Theorem before the holy geometry book came to my hands. After hard work I succeeded in “proving” this theorem due to the similarity of triangles; thereby it seemed “evident” to me, that the relations of the sides of a rectangular triangle must be completely defined by an acute angle. Only what did not seem “evident” to me in a similar way seemed to need evidence. Also the things that geometry is about did not seem to be of another kind than the things of sensual perception, “which could be seen and touched”.”


“Op 12-jarige leeftijd beleefde ik een tweede wonder van een heel andere soort: een boekje over Euclidische vlakke meetkunde dat ik aan het begin van een schooljaar in handen kreeg. Hierin stonden beweringen, zoals bijvoorbeeld het snijpunt van de drie hoogten van een driehoek in één punt, die – hoewel geenszins evident – toch met zo’n zekerheid bewezen konden worden dat elke twijfel uitgesloten leek. Deze helderheid en zekerheid maakten een onbeschrijfelijke indruk op mij. Dat de axioma’s niet bewezen konden worden ergerde me niet. Eigenlijk was ik helemaal tevreden als ik kon vertrouwen op stellingen waarvan de geldigheid voor mij niet twijfelachtig was.

Ik herinner me bijvoorbeeld dat mijn oom me vertelde over de stelling van Pythagoras voordat ik het heilige meetkundeboek in handen kreeg. Na hard werken slaagde ik erin om deze stelling te “bewijzen” door de gelijkenis van driehoeken; daardoor leek het “evident” voor mij dat de verhoudingen van de zijden van een rechthoekige driehoek volledig moeten worden gedefinieerd door een scherpe hoek. Alleen wat voor mij niet op een vergelijkbare manier “vanzelfsprekend” leek, leek bewijs nodig te hebben. Ook leken de dingen waar geometrie over gaat niet van een andere soort te zijn dan de dingen van zintuiglijke waarneming, “die gezien en aangeraakt kunnen worden”.”

Albert Einstein enjoying the summer in Long Island, New York, 1939.

schijn en werkelijkheid (19)

997_1093463956

Beste heer Dumortier,

Toen ik terugkwam van een wandeling, hing de lucht vol purperen wolken.
Ik ben er zeker van dat er een natuurkundige verklaring is voor dergelijk verschijnsel.
Maar het gevoel dat ik toen had, een gevoel van mateloze verlatenheid, mag U misschien kunnen duiden als de crisis van een teleurgestelde ziel, als de frustratie van een sociaal onkundig mens, en waarschijnlijk heeft u nog een handboek vol theorieën, maar net zo min als de natuurkundige verklaring voor de purperen lucht, zal het mij verder niets bijbrengen dan een knikje in de aard van “best mogelijk”, of “goed gevonden”, maar noch de luchtkleur, noch uw deskundige uitleg heeft iets met de werkelijkheid van dat moment te maken.

Met andere woorden: uw wetenschap kan best de oorzaak en gevolgen de baas, maar ze schiet schromelijk te kort in het deelnemen aan het leven. Uw wetenschap is een verklaring en ik ben op zoek naar een daad. (de fenomenologen zouden het een “intentie” noemen!)

De purperen lucht herinnerde mij aan een moment uit mijn vroege kindertijd. Een volkomen onbelangrijk moment nog wel toen ik de slaap niet kon vatten en ik naar buiten keek.
Mijn vader zegde dat de wolken zich mooi maakten voor het feest van morgen en dat ik best zou gaan slapen om morgen ook mooi te zijn.
Groot was mijn verbazing toen ik ’s morgens voor de spiegel stond en alleen maar een nauwelijks uitgeslapen jongetje van drie en een half zag met een wat blekerige huid. Zelfs mijn wit krullend haar bleek onbesmet door purperen neerslag.
Ik hoor u zeggen dat dit het moment was waaraan ik de eerste keer twijfelde aan mijn vaders kunde en ik daardoor gisteren mij die lucht herinnerde.
Helaas, ik was gewoon teleurgesteld dat ik niet net zo paars als die wolken was en de uitleg van mijn pa dat die kleur aan avondwolken was voorbehouden, voldeed mij in hoge mate.

Ik bedoel maar: welke verklaringen er ook van oorzaak en gevolg gegeven worden, ze gaan aan het leven voorbij.
En daar begint mijn onzichtbaarheid weer de kop op te steken: we moeten gewoon een andere taal leren spreken, een nieuwe syntaxis opdoen en daarmee vegen we dan beetje bij beetje de kilte uit die mij nu overvalt als ik de nieuwe gelovigen van de feiten en niets dan de feiten onder ogen krijg.
Ik hoor je al uitroepen: mooi, zo, maar wie zal je die taal leren, en hoe kun je weten dat je nieuwe syntaxis je iets meer over het leven vertelt dan wat de wetenschap in al haar objectiviteit kan doen?
Waarde psychiater, ik blijf U het antwoord schuldig. Ik kijk naar de lucht, en misschien word ik morgen wakker met paarse ogen. Het is al een begin, nietwaar?

Uw monkelende Silverstein Theodore


terug uit vakantie (18)

2610108943

Mijn waarde Theodore,

Terug uit vakantie las ik je laatste bericht, de nieuwe schizofrenie.
Ik weet het dat sommigen hevig te keer gaan tegen de meetbaarheid der dingen. Dat is niet nieuw. Uw voorbeeld, de heer Jung heeft het in een van zijn werken over de verbinding tussen alchemie en wetenschap, en hij is niet de enige die ons wil wijzen op de beperkte visie die elk wetenschappelijk model met zich mee draagt omdat we het moeten kunnen meten en controleren voor we een nieuwe these formuleren.

Persoonlijk denk ik dat het wazige (en hoort dat zgn. “onzichtbaar” worden daar ook niet bij?) een groot gevaar inhoudt. Enkele jaren geleden was het holisme erg in de mode, de leer die verbanden legt tussen grootheden die niet dadelijk in verband te brengen zijn, maar gelukkig is die trend weer voldoende afgezwakt zodat we geen Babylonische toren meer hoeven om te ontdekken dat we het over hezelfde hebben, maar met andere woorden.

De mens is nog altijd makkelijk te vangen door het eenvoudige. Kijk maar naar mijn bijgevoegde reclame voor vulpennen uit het begin van de 20ste eeuw: het was het handige haakje waarmee de vulpen in een jaszak kon worden vastgemaakt dat het hem deed.
Ik denk niet dat onze soort te veel bijvoegelijke of bijwoordelijke zinnen nodig heeft maar dat ze eerder gediend is met de helderheid van de formule.

Hoofdschudden kan ook wel eens gezond zijn om ze weer op een rij te krijgen, als ik zo vrij mag zijn.

Uw dienstwillige Dumortier G., psychiater.