dyn003_original_463_300_jpeg_20344_6f456a03ed5b9db1138bb3e2b774fe09

John Atkinson GRIMSHAW (1836-1893) schilderde menig haventafereel, the Liverpool docks of the docks in Glascow, en gebruikte daarbij hetzelfde procedé: de scheepsmasten aan de ene kant, aan de andere zijde de verlichte winkelramen van de stad en daartussen een brede slijkerige weg.

dyn003_original_390_300_jpeg_20344_813b11a79c12a488c5ff136b0ef0462d

Het beeld hierboven toont een mooi portret van de Izod Richards broertjes, Frank, Harry en Arthur en is van de hand van John Edgar Williams, Londense portretschilder. (als je £16.000 over hebt, levert Christopher Wood, kunsthandelaar, het volgende week ) Voor mij waren het twee duidelijke beelden die de angsten van de 19de eeuw zichtbaar maakten.

dyn003_original_300_361_jpeg_20344_20f3dbd7f4a8a86d3f6e615a61957d7e

Om volledig te zijn, een poging tot synthese met het mooie schilderij ‘a fairy beauty’ van Gustave Schmalz. (1856-1935)

Ik las dat we voor het eerst in de geschiedenis met meer mensen in steden leven dan op het platteland.
Als ik naar de donkere havenstad kijk bovenaan dan duid je meteen een nieuwe bevolkingsgroep aan waarmee de toenmalige religie (op de Methodisten na) geen blijf wist.

Het stadsleven stond al vlug als ‘zondig’ bekend, en de vrijheid die de mens er kreeg, leidde hem rechtstreeks naar de afgrond.

Steden waren niet dadelijk kernen van beschaving, werd er geopperd.

In zijn werk “Deliverance’ omschrijft Mark Rutheford het als volgt:

‘ Our civilisation seemed nothing but a thin film or crust lying over a volcanic pic, and I wonder often wheter some day the pit would not break up through it and destroy us al.’ (p56)

En daarmee sluit die angst voor een revolutie aan bij de nieuwe ‘onbeheersbare’ stadscultuur waarin het christianisme het eerst zichtbaar terrein verloor en het atheïsme openlijk werd beleden.

In vorige berichten schreef ik je al over de noodzakelijkheid van religie als ‘morele hygiëne’ en hoe de Victorianen die tegenstelling probeerden op te lossen.

Froude schreef in zijn Short Studies:

‘…an established religion…is the sanction of moral obligation; it gives authority to the commandements, creates a fear of doing wrong, and a sense of responsibility for doing it.’

De religie dus als morele stok achter de staatsdeur en het sociale poortje.

En nu naar het prentje met de broertjes die zich met de microscoop bezig houden en de naam Charles Darwin die in de The origin of species (1859) het ontstaan van het biologische leven had duidelijk gemaakt, en de natuurlijke selectie als alternatief voor de goddelijke zevendaagse schepping beschreef.

751px-Origin_of_Species

Met opzet begon ik met de stadscultuur omdat Darwins werk niet de enige oorzaak was van het verval van het Christianisme zoals sommigen al te gemakkelijk voorstellen.
Het was een samenspel van factoren eigen aan het mensbeeld van die vreemde eeuw waarin de groeiende steden en de sociale ongelijkheid zeker net zo belangrijk waren: hoe kan een god dit leed toelaten?

En je kon uiteraard een Chartistische samenleving als ‘communistisch’ bestempelen, maar met meer reden kon je ze ook als ‘infidele’ benoemen wat haar twee keer zo gevaarlijk maakte in de ogen van de conservatieven.

En het mooie meisje?
In die morele wanorde, of zeg ik beter ‘zoektocht’ kwam er via de kunst een drang om een extra-religieuze oplossing te brengen, de drang naar ‘zuiverheid’ naar ‘onschuld’, een begrip dat nog wortelde in het werk van Rousseau (tot op deze dagen overigens).

Het was immers die moderne of conservatieve (naargelang de kant waarbij men dacht te horen) samenleving die de oorspronkelijke zuiverheid van de mens besmette.
En voor het beeld van die zogenaamde zuivere onschuld werden nogal vlug kinderen en jongeren als symbool gekozen die echter een boeiende dualiteit beklemtoonden.

Ze waren en het symbool van de onschuld en tegelijkertijd zo ge-esthetiseerd (om nog niet het woord ge-erotiseerd te gebruiken) dat ze ook lijfelijk, of zelfs seksueel aantrekklijk leken.

Dat was een pijnlijk dilemma dat tot op de dag van vandaag meestal wordt vermeden en waar we nog uitvoerig op zullen terugkomen als we de Victoriaanse esthetica gaan vergelijken met het modebeeld en de publiciteitswereld van deze dagen.

Het symbool van de ‘onschuld’ als verboden vrucht, een tegenstelling die door weinigen werd bestudeerd , die door de opkomende psycho-analyse meteen naar het terrein van het onbewuste werd verdrongen waar ze dan als oorzaak van allerlei ontsporingen kon bekeken en ‘genezen’ worden.

Het legde nog eens een bijkomende druk op de verwarde wereld van de 19de eeuw.

En wie met ongeloof toekijkt op de bestrijders van de evolutie-leer mag niet vergeten dat we ons als vrijdenkenden tegelijkertijd als primitieve zedenprekers gedragen als het over die zogenaamde onschuld gaat.