397_00b66c533586fb51d4666143736578fa

Tien jaar was hij toen zijn vader, Louis Maurice, een koopman, door een pistoolduel werd gedood.
In zijn plaats kwamen twee ooms-architecten, Francois Buron en Jacques Francois Maison die voor zijn opvoeding instonden.

Ze stuurden de kleine Jacques Louis David naar een kostschool en daarna naar het college Quatre Nations in Parijs.
Toen hij daarna graag kunstenaar wilde worden, zorgden de ooms voor een goede leraar-schilder, monsieur Joseph Marie Vien, die de faam had een uitstekend opvoeder te zijn.
En zo kwam Jacques-Louis als student aan de Koninklijke Academie, afdeling schilderkunst, waar het voornaamste doel het winnen van de Prix de Rome bleek te zijn.

Na vier jaar, in 1774, lukte hij erin.
Daarna vertrok hij voor vijf jaar naar Italië waar hij zich door de Antieke Oudheid liet inspireren.
In 1783 werd hij volwaardig lid van de Academie en het werk, de eed van de Horatii, in opdracht van Lodewijk XVI, maakte hem nog meer bekend.

Als in 1789 de Franse Revolutie uitbreekt is David een enthousiaste medewerker.
Hij wordt in 1791 gekozen als afgevaardigde van de Parijse Conventie, stemt mee voor de de terechtstelling van Lodewijk XVI en steunt Robespierre en zijn links radicaal regime.
Hij wordt de grote feestenorganisator van het nieuwe Regime en als in 1794 Robespierre en aanhangers door de rechtervleugel zelf onder de guillotine belanden, wordt David tot twee maal toe gearresteerd maar kan hij telkens ontkomen.
Einde van zijn politieke carrière.

In 1797 ontmoet hij Napoleon en terwijl hij zijn portret schildert, ontvlamt hij voor zijn persoonlijkheid.
Het zal niet bij dat ene doek blijven, er volgen er nog een vijftal waarmee hij zich een plaats onder de intimi van de kleine generaal verwerft.

Na Waterloo wordt hij in 1816 (de Bourbons komen terug aan de macht!) verbannen en vlucht hij naar …Brussel.
Daar maakt hij zijn mooiste portretten en mythologische taferelen.
Hij sterft er in 1825 en is begraven op het kerkhof van Sint Joost-ten-Noode.

Delacroix noemt David: “le père de la peinture moderne” en bij leven kreeg hij de welluidende naam: “Raphaël des sans-culottes”.
Zijn politieke stellingnames, vooral dan in het overbekende werk “Marat assassiné”, worden telkens duidelijk in zijn werk.
Maar naast zijn bekende historische werken en markante portretten, is hij toch vooral de man die oog had voor jong talent.
Zo verzamelt hij in zijn atelier Drouais (1782), Fabre (1783), Girodet (1784), Gros (1785), Isabay en Gerard (1786)
Men zegt wel eens dat hij hen “tiranniek” begeleidde, maar ze werden allen grote namen met erg verschillende expressiemogelijkheden, hij wist dus wel hun persoonlijk talent te vinden en te ontwikkelen.
Dat begon met het kopiëren van gravures, zegels en beelden, dan werd er naar levend model gewerkt en zorgden ze ook voor de kopieën van de meest beroemde werken van de meester!
In Italië konden ze dan die leerschool beginnen te vergeten (oublier le maître) en gingen ze hun eigen weg.

Eentje van hen, namelijk Girodet, ging wel een erg bijzondere weg.
Maar dat is een ander verhaal.

Ik stuur je de dood van Marat mee, deze “vriend van het volk”, lijdend aan een huidziekte zodat hij de staatszaken in zijn bad moest afhandelen en daar dan ook vermoord wordt.
Je kunt niet ieders vriend zijn, dat is duidelijk.