HET LIEDJE VAN EEN BANGE HAAS

Dat wij in een doos,
het houten scheepje dus,
zoals Jules Verne
naar het midden varen.

Of verkiezen wij de wind
eens door het vuur gegaan,
en sneller ophouden
als lijf te bestaan.

‘t Klinkt allemaal heel mooi,
maar wat is het idee lente
zonder een boom
in volle tooi?

wat is je aanwezigheid
zonder die blik in je ogen
wat is een nest
als iedereen is uitgevlogen?

Dat wij daarvoor een hemel
in ons diepste brein verzonken
waar jij geduldig op mij wacht
ik, nog aan de aarde vast geklonken,

en jij, de sterren in mijn bange nacht.

Kom één keer in dat lieve lichaam terug,
ik ruil daarvoor de eeuwige zaligheid in
en hoor nog liever dan de engelenkoren

het voelbaar liedje ‘ik bemin’
waarmee wij zwijgend bij elkander zijn
en ik de kromming van je lieve rug
in mijn geopend bekken schrijf

en ik je zeggen hoor:
wees maar niet bang, ik blijf.