Met een gemak en een welbespraaktheid die een genie benaderen bespeelt Wyeth zijn miljoenenenpubliek.
Hij deelt hun verzuchtingen, hij is in staat om ze eindeloos te bespelen door hen het gevoel een zekere vorm van gemeenschappelijkheid te geven, net zoals Billy Graham.

Hij stimuleert een begraven imaginair leven terwijl hij de oppervlakte onaangeroerd laat.
Terwijl hij deze gemeenschappelijk nood vervult, echoot Wyeths stem met zijn mythe op een manier die het modernisme onbekend is.

Het criterium van zijn publiek is waarheid door ervaring, gecheckt met referenties naar de natuur, en is hun ervaring zelf banaal, ze blijft onaangetast door de kunst.

Wat het publiek ziet is geen proces, noch een formele handigheid, maar een beeld, een instant beeld, alles in één keer.
In die zin veroorzaakt het groeiende modernistische narcisme, met respect voor zijn eigen betekenis, het verdwijnen van een gemeenschap en laat het de vervreemding van de artiest toenemen.

Als gesofistikeerde primitieven met hun transcendentale populisme, wekt Wyeth en zijn vaste groep, vooroordelen op die op het conflict tussen twee levenswijzen duiden: het landelijke, en het stedelijke bestaan.

De modernistische kunst is een stedelijke (urban) kunst, en ze heeft het pastorale idee in verschillende vermommingen geïncorporeerd. Ze verbergt vaak een nostalgie voor het landschap in een abstracte façade.
In de modernistische kunst zijn de landschappen door stedelijke creaturen geborsteld, schilders die niets van het landelijke leven afweten.
Impressionistische landschappen zijn zo neutraal als kubistische gitaren.

De natuur wordt een soort waarnemings-laboratorium waarin licht en kleur zichzelf losmaken van de voorstelling om de hoofdrollen te spelen.
Het landschap, zelfs een expressionistisch waarin hevige emotie is geprojecteerd, is van zijn geweld ontdaan.

De Darwiaanse struggle is van het landschap naar de stad overgebracht, en deze omzetting van de landelijke mythologie is een niet geëxploreerd deel van de urban mind.
Het is deze instelling echter die wel de stedelijke kijk op het landschap aanvaardt, (van Fairfield Porter’s zonnige idealiseringen tot Hoppers donker realisme) maar de landelijke kijk zelf niet aanvaardt of die niet is toegerust om deze beeldvorming te lezen of waar te nemen tenzij in cliché’ s, met nationalistische vormen geïdentificeerd, een perceptie die de vrijmoedige geest bezwaart.

Dus wordt Wyeth, de enige pure landelijke artiest, aangevallen met een hevigheid ver boven de gewone doenwijze van de kritische onenigheid.
De afschuw van Wyeth in wel opgevoede kringen wordt alleen geëvenaard bij de identificatie van zijn publiek met de abstractie met het communisme.

dyn005_original_600_500_jpeg_20344_29c21ad2ae5dc84e034273d3069a9ea6

Zo kun je twee artiesten met elkaar verbinden die zich met stedelijke en landelijke mythes identificeren: Warhol en Wyeth.
De twee Andy’s, van elkaar door een grote canyon van ironie gescheiden, ontmoeten elkaar in grote beelden eerder dan in schilderijen.
Beiden vertellen meer over de stedelijke en landelijke milieus dan elke andere Amerikaanse artiest.
Beiden wekken hevige vooroordelen op die hen uit de kunstgeschiedenis stoten en hen plaatsen in de sociale geschiedenis en de legenden.
Ze delen spiegelbeelden van onschuld met elkaar: Wyeth is een gesofistikeerde primitief en Warhol zoals Jarry, een primitieve gesofistikeerde.

Wyeth was onbewust de erfgenaam van een 19de eeuw apparatus dat niet verder ging dan Constable als schilder, Coleridge in de literatuur, het transcendentalisme in de filosofie en Theodor Lipps in de esthetica.
Natuurexpressies zijn uiteraard tot een repertoire van clichés geslonken.
Wyeth gebruikt ze alsof hij nooit had gehoord dat het cliché’ s waren, en dus op die manier verschillend maar net zo werkzaam als een ironische quotatie.
Hij forceert ons de waarheid aan te nemen die zij verinnerlijken.

De modernistische kunst is niet aan plaats gebonden, het is een mentale houding die geen grenzen kent, die met een zeker gemak met een soort formalistisch esperanto communiceert.
Landelijke kunst is onafscheidelijk van plaats, en je vindt pathos alsook landelijke sluwheid in zijn devotie voor twee kleine reservaten, Chadds Ford in Pennsylvania en Cushing in Maine. (omgeven door neon en supersnelwegen)

Hij leeft in een verzegeld milieu, primitief en in beelden die voor aanhangers van grandma Moses onaanvaardbaar zijn, maar tegelijkertijd een provinciaal die verbijsterd is door het idee van vooruitgang.
Zijn kunst zet zich af tegen een ontwikkeling die ze vaak lijkt te zoeken.
Dit tekort aan vooruitgang is zijn manier om met de stedelijke buitenwereld om te gaan, een wereld die zijn raison d’ être zou verstoren.
Tezelfdertijd, zijn rigide curatorschap over de twee plaatsen die zijn werk authenticiteit verlenen en zijn schrik om zich buiten hen te bewegen.

Als het subject van de realistische kunst verdwijnt, wordt ze nog minder begrijpelijk dan de meest rigoureuze abstractie.

Nog te vervolgen dus.