In de verte het onweer,
zo heet dit doek.

Nog ligt zij in de rust van het pastorale.
Onder de helling, dat wel.
Het is zomer.
In de verte rommelt de lucht.

Mijn grootmoeder zei
dat de engelen met knikkers speelden
die tot vuurbollen uitgroeiden
en wel eens op de arme aarde vielen.

Bij God is alles mogelijk.
Jaja, alles, ook het boze, die Täuschung,das Gute und Böse.

Bliksemstrepen verhieven
haar woorden tot orakels.

De knikkers werden hemelrotsen,
afgebroken van de donderwolken
wo der Jupiter wohnt
und auch der Sohn des Menschen.

Zouden ze wat stiller
willen spreken
vroeg het blonde bange kind.

Het is zingen, zei mijn grootmoeder,
als ze dronken zijn, zingen ze.
Döbbelkorn, wie im Berliner Jahren
de godendeemstering toen jij geboren werd.


 

dyn003_original_550_358_jpeg_20344_5399911506061c3040f6094aea44a0d0

Weg gereden
uit zijn hemelkaas
verlicht zijn ros
het onbestaande pad

Wat doet
de man uit de maan
op de donkere dorpsweg?

Hij wacht
op de morgen.

Dan verbleekt hij
in het zonlicht

De jongen
die zijn motor vindt
zal ’s nachts
weten waar naar toe.

Simon staat in de maan, zegt het kind.
Hij wuift.