het leven als schouwspel (527)

‘s Mensen mogelijkheid om zich te maskeren -om wat dan ook te verbergen of te mystificeren- hangt samen met hun zin voor theatraliteit.

Kunstenaars hebben de neiging om die theatraliteit als noodzakelijke voorwaarde tot bekendmaking van hun werk te zien, en in een tijd waarin de vormelijkheid het blijft halen op de innerlijkheid, heeft zo’n theatraliteit het voordeel de spots op zichzelf te kunnen richten, om onder dit mom al dan niet paradoxale boodschappen te verkondigen of de aardkloot te bedonderen.

In hoeverre het publiek de maker is van deze maskerade laten we onbeantwoord.
Zonder theatraliteit is er weinig publiek, en zonder publiek staat de artistieke expressie er verweesd bij te kijken.

Er zijn inderdaad kunstenaars wiens werk en theatraal leven in een grote eenheid opgang en neergang maken, hun werk hangt zo nauw samen met dat theatrale dat bij het openscheuren van die bovenhuid het vlees (de essentie) meekomt.
We noemen Gerard zaliger, we denken aan Dali, en we hebben het vandaag over een vrouwelijke kunstenares om nog maar eens duidelijk te maken dat theatraliteit niet met het mannelijke poeha moet samenhangen.

Tamara de Lempicka, inderdaad, zo’n naam is niet dadelijk het uitgangspunt om een groentezaak op te zetten. (al zal dat ook wel behoorlijk wat artistiek talent vragen in deze tijd!).
Ze overleefde haar kunst en hoorde tot de vergeten schilders tot einde jaren zestig ene Alain Blondel haar werken verzamelt en het werk dat ze maakte tussen 1925-1935 in 1972 in het Palais du Luxembourg tentoonstelt.

Zij is dan zeventig, en het woordje retro begint in te komen.
Ze spreekt Frans en Engels met een duidelijk Russisch accent maar ze is in 1898, in Polen geboren. Ze heet dan nog Tamara Gorska.
Ze beleeft haar kinderjaren in Warschau, haar ouders zijn “gefortuneerd” zoals dat zo mooi heet. (la bonne société!)

Ze krijgt een goede en vrije opvoeding, bezoekt de grote musea, leert tekenen en schilderen en als ze in 1914 ruzie krijgt met haar maman vertrekt ze naar Sint Petersburg waar ze bij een tante intrekt.
Op een mondaine avond leert ze daar toevallig haar mooie Tadeusz de Lempicki kennen, advocaat en Don Juan.
Ze is nauwelijks zestien, maar ze wil hem verleiden, en ze lukt daar wonderwel in.
De legende wil dat ze zich voor dat doel als Pools boerinnetje met bijbehorende gans verkleedde
Ze huwen in 1916 en haar bruidssleep is zo lang als de kerk van de Ridders van Malta lang is.

dyn001_original_332_545_jpeg_20344_3472ae0095f70600ea334cbe83d0e6de

Als de Russische revolutie uitbreekt moeten ze vluchten, en zoals menig Peterburger naar Parijs trekt, betrekt het koppel daar een armoedig hotelkamertje want de welgestelde Tadeusz is zijn fortuin kwijt en stort zich op de lectuur van politieromannetjes.
Zij wil de vergane glorie echter terug, en als zij wat wil dan wil ze het ook.

Ze schrijft zich in bij de academie de la Grande Chaumière en studeert bij André Lhote en Maurice Denis.
Via de beaumonde van de Russische bannelingen komt ze in de Parijse chique terecht.
Het duurt wel even voor ze wordt opgemerkt als schilder, maar haar levensstijl en haar rotsvaste overtuiging om het te maken, brengen resultaat op.
In 1923 krijgt ze een dochtertje, Kizette, maar Tadeusz en zij beginnen meer en meer een eigen leven te leiden.

Ze wil zichtbaar zijn, en zoals het toen de mode was…”…utilisant pour ce faire des méthodes proches de celles des affichistes de son temps: épure et couleurs en opposition.”

De art deco.
En haar naam als “la femme Art Deco” doet ze alle eer aan.
Geholpen door haar aangeboren narcisme geeft ze zichzelf al vlug een koninklijke uitstraling.
Bekend van haar zijn haar poses à la Garbo, haar Bugati, haar juwelen, haar smaak naar meer, haar minnaars en minnaressen (van de blonde cabaretartiste Suzy Solidor tot de ‘belle Raphaëlla’, een prostituee uit de omgeving van het Bois du Boulogne.)
Het is de tijd dat ‘de Amazones’ zoals men toen de lesbiennes noemde, erg in de mode waren.

Ze ontmoet de Italiaanse auteur Gabriele d’ Annunzio, symbool van de decadentie en het ver doorgedreven nationalisme – en ze wil per sé zijn portret borstelen.
Zijn femme de chambre (en tevens ook zijn maitresse) beschrijft in haar memoires hoe de schilderes het optrekje van de auteur wordt uitgejaagd.
Het portret wordt nooit geschilderd maar staat wel vermeld in een door haar opgestelde lijst (1957)

In 1933 huwt ze met ‘baron’ Raoul Kuffner de Dioszegh, een rijke en veel oudere man maar ze noemt zichzelf graag ‘La baronne Kuffner”.
Dat levert haar echter ook een diepe depressie op, en haar werk verandert van tonaliteit.

In 1939 verhuizen ze naar de States en ook daar stort ze zich in de jet set en is ze de uitgelezen portrettiste van de Hollywood gloriën.
Na de dood van de baron in 1960 leeft ze tussen de USA, Mexico, Frankrijk en Cuba.
Ze sterft in Cuernavacca, Mexico in 1980.

Volgens haar eigen wil wordt haar as boven de Popocatépetl-vulkaan uitgestrooid.


Boven zie je de kunstenares in haar groene Bugati, en rechts de mooie Tadeusz


kleine pauze

 

Ach vadertje tijd
rimpeloos
als vijverwater

Dit kleine leven
roerloos eendenkroos

Een steentje valt:
cirkels
het nu en later

Verdronken roos


Het schilderwerk is van Deedra Ludwig, een Amerikaanse schilder(es)

Tot volgende week mag het even stil zijn.
Even terug naar wat de vijf sneeuwmannen achterlieten


klein nachtmuziekje voor mondharmonika

dyn005_original_611_937_jpeg_20344_2c9c906f8e744c2d22a4b93e0391965a

Jongetje zei je

In Sint Petersburg zullen we elkaar terugzien
alsof we daar de zon hadden begraven
en het gezegende zinloze woord
zullen we daar voor de eerste keer uitspreken.

Die mooie woorden
van Akhmatova

Natuurlijk, er is Jerusalem, en vergeten we Rome niet of Delhi
hoe zanderig smaak je Marakesh
en welke schoonheid wacht je op in Kopenhagen?

Sommigen doen er zaken,
anderen hebben er bezit
een kamer voor de nacht

Berlijn, mijn grote eenzame expositiezaal
of moedertje Parijs met de glimlach van een pubermeid
En zwijgen we over de jongensstad Londen
The sunless, gloomy gardens,
maar dan spreekt Akhmatova
over haar granieten huis, haar Petersburg

Jongetje.
Meisje
in de eenkamerflat

Speak memory
Speak
maar doe het zachtjes
want ik ben moe.

Je bent het meisje
dat later
jongetje
zal zeggen

Achter jou
het bed waarin ik geboren werd
en jij zou sterven

Jongetje
Meisje

Ben je nog wakker,
musje van mijn hart?

O, het was een koele dag,
In Pieters’ prachtige stad!
Zonsondergang laagde als karmozijn vuur,
En traagjes verdikten zich de schaduwen.


ik stond alleen, in mij het vreemde grote leven (525)

dyn006_original_1165_900_jpeg_20344_bedbf5a7d994eac1af0bb3e92481c6b1

 

Voorbeeld en verwachtingen

Uit mijn privé-collectie (die ik graag te koop stel) deze twee wonderlijke Amerikaanse foto’s die ik via een Russische collectioneur in handen kreeg.
Klik ze maar even aan en je zult ze meer dan levensgroot kunnen bewonderen.Op de eerste kaart zie je Wiley Hamilton, vocal comedian, uitgebeeld in verschillende posities die bewijzen dat heer Urbanus van de gelijknamige Anus ook al in het verleden rondzwierf, en daarnaast een foto van zijn zoontje met dezelfde naam, 18 maanden zoals je dat zo grappig op de zool van het rechtervoetje kunt lezen, the coming comedian.

Vocal zal hij zeker geweest zijn op die leeftijd en zoals hij daar in zijn badje zit is hij alleraardigst en hoeft hij de trukendoos van zijn vader (voorlopig)niet open te trekken.

Hij is een duidelijk voorbeeld van de verwachtingen, althans men zou er waarschijnlijk prijs op stellen dat hij in het spoor treedt van zijn komieke vader.

dyn002_original_440_666_jpeg__5dd72874ac84e9d3799f8fc08b94cf89

De man op de kartonnen brug kunnen we mijn Peterburgse overgrootvader noemen terwijl mijn grootvader en zijn jongere broer hem flankeren.
Ze zien er inderdaad niet zo vervaarlijk uit als hun uniformen laten geloven, maar het was dan ook een leuke in scène gezette prent die in bepaalde tsaristische kringen erg zou gewaardeerd worden.

Hoofdingenieur bij de keizerlijke spoorwegen zijn had zo zijn consequenties.

dyn006_original_490_773_jpeg_20344_377a67c0e33ee8b0e156a4eb43bad7ff

Kijk naar deze foto en je ziet al dadelijk dat dit ernstige joch bouwkundige kwaliteiten werden toegedicht die hij in navolging van de familietraditie ook in werkelijkheid omzette zodat er nu nog menige spoorwegbrug tussen Moskou en Petersburg zijn (onzichtbare) signatuur draagt.

Wie goed kijkt, merkt zijn dromerige wezen in de ingenieurs-verwachting, en naar ik uit allerlei documenten kon afleiden was hij dat ook; zijn moeilijk liefdesleven en zijn talrijke nakomelingen in en om de nagelaten spoorwegbruggen hebben intussen voor drommen Russische staatsburgers gezorgd naar ik vermoed.

Ik moet over hen dringend beginnen te schrijven want vanuit Petersburg vind ik hun sporen terug in Berlijn en Parijs tot de hele troep nazaten de elfde september van een bekend jaar in het restaurant van een al even bekende als intussen verdwenen ‘wolkenkrabber’ de 100ste verjaardag van ’s vaders lange leven in een unieke brunch wilden laten nazinderen, wat hen inderdaad is gelukt terwijl ik als ziek mens het vuurwerk niet alleen overdreven vond maar daardoor het naarstige werk van zoveel jaren Familienarbeit met henzelf zag verdwijnen en de verantwoordelijkheid voor de genen helaas niet meer in daden kan (en wil) omzetten.

Je voelt het, het is een wild verhaal. Pure fictie dus, en laten we ’t daar maar bijhouden.
Ik wilde je gewoon nieuwsgierig maken en gebruik dit verhaal meteen om er een verzuchting aan toe te voegen.

dyn002_original_683_413_jpeg__80b7a39add8d1f965df6988494e88d75

Kijk maar naar de drie groottantes die hier ergens in de jaren 1920-30 samen poseren voor een originele uitnodiging op één van hun wilde soirées en je ziet de drie “voorbeelden” van alle kwaad en verdoemenis.

Ik twijfel er sterk aan of tante H. inderdaad niet eerder een oom mocht genoemd worden, maar dat zal de pret niet drukken want naast het prentje van de heilige Michael heb ik deze kaart net zo vurig vereerd.

Ze waren inderdaad geen voorbeeld.
Gelukkig.
Hoed u voor mensen die een voorbeeld zijn.
Zij waren de heilige drievuldigheid, moeder, dochter en geest en vulden mijn dromen met de wildste verhalen waartegen een Bond film eerder als piet piraat wordt afgedaan.

Voorbeelden!
De televisieprogramma’s barsten er van.
Een programma met de naam van de plaats waarin het verstand zou moeten zitten maar integendeel van grote leegheid getuigt, komt er voortdurend mee aandragen.
Maar zelfs in de “duidingsprogramma’s” als de dag waarop God rustte maar niet de nieuwsredactie, schuwt ook deze exempels niet.

Het voorbeeld van het verlopen meisje, de misbruikte familie, de failliet gegane makelaar, de omgebouwde schoonzus, en ga maar door, u zult de reeks naar believen kunnen aanvullen en met ‘facts’ hebben ze al evenmin iets te maken als een natte droom met de werkelijkheid, maar ze tieren (welig).

dyn002_original_488_769_jpeg__4ac777b3e826882c27329869e6cceb8b

En in hun voorbeeldfunctie verengen ze het werkelijke leven waarin ieders daden wel ergens in een rubriek thuishoren, maken ze de mensen bang met zogenaamde ‘deskundigen’ die met hun matte hondenogen ’s levens leed torsen en helen, en laten ze allerlei rillingen over het publiek lopen zodat de eigen levensloop dadelijk van elk verdacht tintje moet ontdaan worden terwijl wij tenslotte juist unieke schepselen zijn door deze verdachte roerselen.

In de middeleeuwen dienden de exempelen van heiligen tot diezelfde verenging van het levenspatroon, tot het afsnijden van de vleselijk overschotten tot iedereen in het koninklijk-kerkelijk Procrustes-bed paste, maar nu doen de massamedia het voor nog grotere scharen onder het mombakkes van ‘het werkelijke leven’, en wie zich gefrustreerd voelt springt op tijd in een diepe bergkloof nadat hij het leven van zijn medebroeders en zusters gekelderd heeft want ge moet nu eens kijken wat ze hem hebben aangedaan!

Lieve groottantes, verrijs uit jullie droevige as, verlaat deze brandplaatsen waarin de superminnaars van ‘het voorbeeld’ al degenen hebben uitgemoord die niet in das Reich pasten, en kom naar deze schijnheilige aardkloot terug.

Stel ons eerder gerust dat we ook mensen zijn en dat we met elkaar kunnen spreken, dat we onze wrevels en pijn kunnen helen niet alleen door de wederzijdse hoofden af te kappen, niet door leed bij leed te voegen, maar door de schoonzus van alle deugden, de barmhartigheid, weer een plaats in onze woelige harten te geven.

Een schoon huwelijk zou het zijn: verstand en barmhartigheid en daarboven de heilige geest van geduld in de vorm van een duif.
(ik schrik nog altijd wakker terwijl ik de brandende duiven boven jullie in de fik gestoken huis zie vliegen)

En hoe kan ik je vergeten, Misja, lieveling van mijn Russische grootmoeder.
Als ik de brieven lees waarin over jou sprake is, vliegen woorden als pure muziek, temperament en liefde voor het tedere en het wilde feest in mij op.

Geen plaats voor jou in de ingenieursscholen van vadertje Stalin, nog maar net terug uit Berlijn marcheerden jullie in één trek tot in Siberië want in de strijd der Titanen was er geen plaats voor weke zielen en fiedelende jongens.

‘Piloten en mijnwerkers sierden de biljetten van drie roebel”, schreef Brodsky.
Het begon weer naar voorbeelden te stinken, en het was een stank van verachting voor het dagelijkse potsierlijke leven dat wij allen leiden.

En jij, zoon van Pan, krijgt van Nabokov dit mooie vers:

Nee, wat een bloedig strijdtoneel het ook mag wezen,
het suikerzoete sovjetvaderland,
en wat een deernis in mijn hart mocht zijn gerezen
ik zal niet buigen, sluit geen vredeband
met alle smerigheid, hardvochtigheid en saaie tijden
van stomme slavernij-geen sprake van,
ik ben niet gek, ik kan nog wel een poosje scheiden
,
wat wil je, voor een zoon van Pan.

Dat schrijft hij in Cambridge in 1944, terwijl in Amerika de Stalin rage hoogtij viert, het jaar van mijn geboorte.

Ik adem diep en wou dat ik thuis mocht zijn.
Zoals Alexander Blok schreef:
Ik stond alleen, in mij het vreemde grote leven.

Speel Misja, speel!


een vroeg stripverhaal, Frans Francken II (524)

Het plaatje in plaats van het praatje.
Antwerpenaren zijn echter in beide disciplines goed geweest.
Al moet ik toegeven dat de familie waarover ik het hier wil hebben uit de Kempen komt, en dan nog wel uit Herentals.

Nicolaas Francken werd in 1510 in Herentals geboren en was de stamvader van een reeks schilderende Francken’s.
Hij verhuisde in de vroege jaren zestig (1560!) naar Antwerpen en had drie zonen die net zoals de vader er duchtig op los schilderden.
Hiëronymus Francken I, Frans Francken I en Ambrosius Francken I.
Frans en Ambrosius waren leerjongens bij Frans Floris in Antwerpen, nog voor de vader definitief van Herentals naar Antwerpen kwam wonen.

Al de zonen van Frans Francken I werden ook artiesten: Thomas heeft slechts één altaarstuk nagelaten (St. Leonardus, Aartselaar), Hiëronymus II en Frans II, de meest getalenteerde en best bekende.
Er was ook nog een Ambrosius II die bekend werd voor zijn landschappen en scènes uit het boerenleven.

De zonen van Frans II, Frans III, Hiëronymus III en Ambrosius III hadden niet het grote talent van hun vader geërfd maar waren ook schilders.
Herman van der Mast schilderde ooit de hele familie samen.

Het is dus Frans Francken II (1581-1642) die in mijn bijdrage voor de plaatjes zorgt.
En met plaatjes bedoel ik dan ook plaatjes.
Op mijn reizen kwam ik bijna in alle grote musea schilderijen van deze merkwaardige man tegen.
Inhoudelijk moet je niet dadelijk naar grote vernieuwingen gaan zoeken, maar zijn werk maakt duidelijk dat er een heuse schilderfabriek kon ontstaan, dat schilders elkaar bijstonden zoals nu de ene muzikant bij de andere formatie zijn diensten aanbiedt.

Rubens bewonderde niet alleen het werk van Frans, maar ook zijn werkwijze, zijn handel. Hij nam dan ook de fabrieksvorm over om van Rembrandt maar te zwijgen.

Het werk hierboven is van Jan Breughel, een heus prentenboek.
Je kunt er lang naar kijken voor je alle wezens en omgeving hebt bekeken, het is een verzamelplaat.
De figuren echter zijn van Frans Francken II.
We weten al lang dat de meest bekwame leerlingen zich specialiseerden in bloemen, dieren, landschappen en zo hun meesters productie verfraaiden, maar ook zelfstandige schilders zorgden vaak voor een eigen bijdrage, vooral dan in altaarstukken, of bij het schilderen van decoratie op mooi afgewerkte kabinetten.

Burgemeester Rockox soepeert hier in zijn kunstkamer
Frans schilderde een groot aantal van deze “kunstkamers”.

Hier ook kun je je niet ontdoen van de indruk dat je naar een stripverhaal kijkt.
Er zijn de mensen van allerlei standen en rangen die zich op hun manier bezighouden of worden bezig gehouden.
Kijk naar de muzikanten, de vrouwen bij het vuur, de rijkelijk gedekte tafel, de schilderijen van bekende en totaal onbekende (gebleven) meesters.

Het is een echt plaatjesboek, tot en met de aanwezigheid van de twee papegaaien, en het beeld van een kindje op het tafeltje naast de soepeerders, alsof het daar op zijn beurt ligt te wachten om als dessert te dienen.

dyn002_original_580_580_jpeg_20344_f43180f3e8ebd6faeaa3fa814542ac02

Helemaal een stripverhaal wordt zijn werk: de verloren zoon.
In verschillende taferelen wordt het lot beschreven van de jongeman die het ouderlijk huis verliet voor een leven van slempen en vertier en die berooid weer in ’s vaders armen wordt gesloten.

Een calvinistisch schilder zou die terugkeer als centraal thema hebben gekozen, maar een Antwerpenaar zet het vrolijke leven van de zoon centraal en brengt al de rest daarrond in grissaille.

De loop van het verhaal, tot en met het slachten van het vetste kalf, wordt rondom het zondige leven van de verloren zoon weergegeven.

Het zou in de prenten van de 16de-17de eeuw een constante worden: het centrale thema wordt omgeven door gebeurtenissen die al hebben plaats gehad of nog moeten plaatshebben.
Er wordt dus niet alleen in het doek zelf gedramatiseerd, maar het verloop van de tijd waarin het verhaal heeft plaats gevonden krijgt een afzonderlijke plaats, je zou werkelijk van de allervroegste stripverhalen kunnen spreken.

Een ander aspect is de verzameling.
Gefortuneerde mensen verzamelden kunst, inzonderheid beeldhouwwerk en schilderijen en pronkten in hun “pronkkamer” met hun aanwinsten.
Sommige huizen werden heuse gallerijen, al bestonden die gallerijen op zichzelf en kon men daar in alle rust een keuze gaan maken.
De kunsthandel werd een lucratieve zaak.

De ateliers zelf werden ontmoetingsplaatsen.
Er wordt gemusiceerd, de laatste weetjes worden er uitgewisseld, men komt de schilderende dame(jawel!) bewonderen, of was de belangstelling eerder naar haar werk gericht?

Er is plaats voor zilverwerk, wetenschappelijke geschriften en verfijnde eet-en drinkgelagen.

De gulzigheid is groot.
Men wil kijken, kijken en nog eens kijken, en dat bekekene wordt een bewijs van rijkdom en macht.

Wie in Antwerpen of Amsterdam woont en geld heeft, weet waar naar toe.
Wij, nog net zo gulzig maar zeker niet zo gefortuneerd, mogen meekijken.