‘s Mensen mogelijkheid om zich te maskeren -om wat dan ook te verbergen of te mystificeren- hangt samen met hun zin voor theatraliteit.

Kunstenaars hebben de neiging om die theatraliteit als noodzakelijke voorwaarde tot bekendmaking van hun werk te zien, en in een tijd waarin de vormelijkheid het blijft halen op de innerlijkheid, heeft zo’n theatraliteit het voordeel de spots op zichzelf te kunnen richten, om onder dit mom al dan niet paradoxale boodschappen te verkondigen of de aardkloot te bedonderen.

In hoeverre het publiek de maker is van deze maskerade laten we onbeantwoord.
Zonder theatraliteit is er weinig publiek, en zonder publiek staat de artistieke expressie er verweesd bij te kijken.

Er zijn inderdaad kunstenaars wiens werk en theatraal leven in een grote eenheid opgang en neergang maken, hun werk hangt zo nauw samen met dat theatrale dat bij het openscheuren van die bovenhuid het vlees (de essentie) meekomt.
We noemen Gerard zaliger, we denken aan Dali, en we hebben het vandaag over een vrouwelijke kunstenares om nog maar eens duidelijk te maken dat theatraliteit niet met het mannelijke poeha moet samenhangen.

Tamara de Lempicka, inderdaad, zo’n naam is niet dadelijk het uitgangspunt om een groentezaak op te zetten. (al zal dat ook wel behoorlijk wat artistiek talent vragen in deze tijd!).
Ze overleefde haar kunst en hoorde tot de vergeten schilders tot einde jaren zestig ene Alain Blondel haar werken verzamelt en het werk dat ze maakte tussen 1925-1935 in 1972 in het Palais du Luxembourg tentoonstelt.

Zij is dan zeventig, en het woordje retro begint in te komen.
Ze spreekt Frans en Engels met een duidelijk Russisch accent maar ze is in 1898, in Polen geboren. Ze heet dan nog Tamara Gorska.
Ze beleeft haar kinderjaren in Warschau, haar ouders zijn “gefortuneerd” zoals dat zo mooi heet. (la bonne société!)

Ze krijgt een goede en vrije opvoeding, bezoekt de grote musea, leert tekenen en schilderen en als ze in 1914 ruzie krijgt met haar maman vertrekt ze naar Sint Petersburg waar ze bij een tante intrekt.
Op een mondaine avond leert ze daar toevallig haar mooie Tadeusz de Lempicki kennen, advocaat en Don Juan.
Ze is nauwelijks zestien, maar ze wil hem verleiden, en ze lukt daar wonderwel in.
De legende wil dat ze zich voor dat doel als Pools boerinnetje met bijbehorende gans verkleedde
Ze huwen in 1916 en haar bruidssleep is zo lang als de kerk van de Ridders van Malta lang is.

dyn001_original_332_545_jpeg_20344_3472ae0095f70600ea334cbe83d0e6de

Als de Russische revolutie uitbreekt moeten ze vluchten, en zoals menig Peterburger naar Parijs trekt, betrekt het koppel daar een armoedig hotelkamertje want de welgestelde Tadeusz is zijn fortuin kwijt en stort zich op de lectuur van politieromannetjes.
Zij wil de vergane glorie echter terug, en als zij wat wil dan wil ze het ook.

Ze schrijft zich in bij de academie de la Grande Chaumière en studeert bij André Lhote en Maurice Denis.
Via de beaumonde van de Russische bannelingen komt ze in de Parijse chique terecht.
Het duurt wel even voor ze wordt opgemerkt als schilder, maar haar levensstijl en haar rotsvaste overtuiging om het te maken, brengen resultaat op.
In 1923 krijgt ze een dochtertje, Kizette, maar Tadeusz en zij beginnen meer en meer een eigen leven te leiden.

Ze wil zichtbaar zijn, en zoals het toen de mode was…”…utilisant pour ce faire des méthodes proches de celles des affichistes de son temps: épure et couleurs en opposition.”

De art deco.
En haar naam als “la femme Art Deco” doet ze alle eer aan.
Geholpen door haar aangeboren narcisme geeft ze zichzelf al vlug een koninklijke uitstraling.
Bekend van haar zijn haar poses à la Garbo, haar Bugati, haar juwelen, haar smaak naar meer, haar minnaars en minnaressen (van de blonde cabaretartiste Suzy Solidor tot de ‘belle Raphaëlla’, een prostituee uit de omgeving van het Bois du Boulogne.)
Het is de tijd dat ‘de Amazones’ zoals men toen de lesbiennes noemde, erg in de mode waren.

Ze ontmoet de Italiaanse auteur Gabriele d’ Annunzio, symbool van de decadentie en het ver doorgedreven nationalisme – en ze wil per sé zijn portret borstelen.
Zijn femme de chambre (en tevens ook zijn maitresse) beschrijft in haar memoires hoe de schilderes het optrekje van de auteur wordt uitgejaagd.
Het portret wordt nooit geschilderd maar staat wel vermeld in een door haar opgestelde lijst (1957)

In 1933 huwt ze met ‘baron’ Raoul Kuffner de Dioszegh, een rijke en veel oudere man maar ze noemt zichzelf graag ‘La baronne Kuffner”.
Dat levert haar echter ook een diepe depressie op, en haar werk verandert van tonaliteit.

In 1939 verhuizen ze naar de States en ook daar stort ze zich in de jet set en is ze de uitgelezen portrettiste van de Hollywood gloriën.
Na de dood van de baron in 1960 leeft ze tussen de USA, Mexico, Frankrijk en Cuba.
Ze sterft in Cuernavacca, Mexico in 1980.

Volgens haar eigen wil wordt haar as boven de Popocatépetl-vulkaan uitgestrooid.


Boven zie je de kunstenares in haar groene Bugati, en rechts de mooie Tadeusz