TWEEDE SCÈNE: DE OPA

ZE GAAN BEIDEN OP HET TOUW ZITTEN EN SCHOMMELEN ZACHTJES TERWIJL ALISON HET VERHAAL VERTELT.

ALISON
Opa Smith vergroeide dag na dag met zijn schommelstoel op de veranda, de enige plaats waar schommelstoelen horen te schommelen.

Toen hij nog bij zijn volle verstand was, zat hij er van het schemeruur tot de hemel boven het huis vol sterren stond.
Soms schommelde hij ‘s middags, na de maaltijd.

Je zou kunnen denken dat schommelen hem liet indutten, maar eens hij in die stoel zat, sperde hij zijn grijze ogen ver open en keek hij naar de verte.

Wie zich zijn huis herinnert, weet dat die verte een zielloze weide voorstelde waardoor een tractorpad het idee van een weg naar de vroegere boerderij moest ophouden.
De weide liep tegen een heuvel op en daarachter opende de lucht zich in gespannen bleekblauw of loodzwaar grijs, om van de dagen te zwijgen dat witte onweerswolken zich tegen de inktzwarte stormlucht hadden opgewerkt.

In vroegere dagen kwam de postbode wel eens langs, maar nu opa Smith zich uit de wereld had teruggetrokken, deed die wereld geen enkele moeite meer hem met aanmaningen of publiciteit te overvallen.
Er kwamen alleen nog doodsbrieven en verdwaalde poststukken die steevast Lane end met Land end verwarden, of uitnodigingen voor bloemententoonstellingen en confituurwedstrijden die in feite voor Oma Suzanne waren bestemd, ook al had haar as al jarenlang de vlierstuiken gevoed en was ze langs die weg tot in het hart van de confituur doorgedrongen.

Opa Smiths’ verval begon met een serie nachtzittingen: hij bleef tot aan het eerste licht in zijn schommelstoel, en hees zich dan moeizaam recht om vervolgens naar de heuvelrug te lopen en van daaruit langdurig te bekijken wat hij niet in zijn stoel kon zien.

Tot ook die toch achterwege bleef en hij dag en nacht in zijn schommelstoel bleef zitten waar hij zoals de hazen met zijn ogen open sliep.
Hij at wat hem werd toegestoken door de inwonende schoonzus, een mens dat luidruchtig boeren liet en net zo luidruchtig psalmen reciteerde.

Enkele dagen daarna gooide hij het brood op de wei, en de koffie of het vruchtensap raakte hij niet meer aan.
Zij liet de dokter komen, maar die zei dat een mens die niet meer wil leven ook zijn goesting moet krijgen.

In mijn verbeelding hebben ze hem in zijn stoel begraven.
Ze zullen zijn botten wel gebroken hebben zodat zijn uitgedroogd en verschrompeld lijf in de kist paste.

Ik weet niet wat zijn aandacht al die dagen bezig hield.
Ik weet dat hij naar het oosten keek, naar de plaats waar ‘s morgens de zon opkwam.
Sommigen zeggen dat hij op zijn gestorven zoon wachtte.

Ik denk dat hij zichzelf moed insprak om tot aan het morgenlicht te blijven zitten, om dan de schittering boven de heuvel te zien opkomen, die zon die eerst de kam verlicht en zich dan over de heuvel naar het huis trekt, tot in de ogen van opa Smith.
Dat denk ik.