TWAALFDE SCÈNE

DE LADDERS STAAN WEER DIAGONAAL, HET SLAPPE TOUW ERTUSSEN.
TIJDENS DE DONKERTE IS HET LIEDJE VAN EMMERICH BLIJVEN KLINKEN, AL DAN NIET MET DE HULP VAN EEN ORKESTRAAL STEUNTJE.
NU ZIT EMMERICH MET ZIJN RUG NAAR HET PUBLIEK OP DE VERSTE LADDER EN BIJ TUSSENPOZEN BREEKT ER EEN FLARD LIEDJE UIT ZIJN KEEL EN STUURT HIJ HET NAAR DE RUIMTE ACHTER HET SPEELVLAK.
ALISON KOMT VAN ZIJN LADDER.

ALISON
Als baby zong zijn reeds lang overleden moeder dit deuntje bij de wieg van de arme Emmerich.
En omdat het mens noch als moeder noch als zangeres enig talent bezat, hield ze met haar gekrijs het kind wakker en deze toestand van haar controversieel moederschap werd in de babyhersentjes van dit wicht gegrift om later als vertraagd trauma zichtbaar, en zelfs hoorbaar te worden.

FLARD LIEDJE

ALISON
Aangemoedigd door zijn vriend en geestelijke leidsman Alison verbrak hij de muur van stilte, en zoals het meestal gaat, was de klankenvloed van dit jarenlang verstopte keelgat niet meer te bedwingen en braakte hij op ongeregelde en onvoorziene tijden flarden van zijn jeugdtrauma uit.

FLARD LIEDJE

ALISON
De reden van dit auditief overgeefsel moest niet in het trauma maar in de overlevingsdrift van het vroeger zwijgende schepsel worden gezocht.

Immers, eens hij de moed vond om klanken voort te brengen, daartoe aangemoedigd door mijzelf als vriend en gelegenheidstherapeut, smaakte hij vrijwel ongeblikkelijk de genoegdoening het medelijden en de goedkeuring van de volksgemeenschap op te roepen die wezens van deze aard aan haar sentimentele borst koestert, op straat neerzijgt waar mensen zijn omgebracht, kilo’s bloemen van het leven berooft en een aardig aantal knuffeldieren daartussen verspreidt om de heer te danken dat zij nog in leven zijn en mijn god het had haar, de volksgemeenschap, net zo goed kunnen overkomen.

FLARD LIEDJE

ALISON
Dus stoot hij deze rauwe klanken uit zodat de omgeving zich van zijn pijn en verlatenheid bewust wordt en wat hij niet dacht te kunnen vinden in zijn vroege kinderjaren, treft hij nu overvloedig aan: gekoesterd te worden door kranten en televisieprogramma’ s, de sjoesjoe zijn van de bond der vals zingende maar goed bedoelende mama’s, de held van de dag worden op alle straathoeken waar ooit een mens gewelddadig is omgekomen -neen, niet door het verkeer, dat verdient slechts drie lijntjes, dat is te alledaags- maar het symbool van de zwijgende meerderheid -nu zijn we er, het woord is eindelijk gevallen en in stukken gebroken- het symbool van de zwijgende meerderheid die in dit keelgeluid van de getraumatiseerde ook een oerklank van erkenning wenst te zien en klaar staat om op iedereen in te hakken die noch politiek correct, noch huilerig is aangelegd.

FLARD LIEDJE

ALISON
Hou op, Emmerich, verdiep je terug in zwijgen en weemoedig kijken, want niets is zo mooi bij een gekwetste ziel dan de zwijgende blik, al scoort dit gemekker ook zeer hoog in reportages en programma’s die uit het leven heten gegrepen te zijn.

NOG EEN OPSTOOT, KORTER, ONDERBREKEN DOOR ALISON

Ik weet het Rachel, jij hebt recht op gekrijs als je om je kinderen rouwt, maar wij zouden wat meer met verstomming en deemoed moeten geslagen zijn.
En willen wij die muren van stilte rond de hedendaagse Jericho’s slopen, dan zullen we geduldig moeten rondgaan, neen niet op de trompetten blazend, laat dat aan de engelen van de oordeelsdag, maar met luisterhoorns in onze verstopte oren het gemurmel en geruis van al die vreemde talen in ons moeten opnemen.

Ik weet het, we zullen door de muren heen moeten schreeuwen, dat is zo bij een ommuurde stad, en er zullen woorden en zinnen mis begrepen worden.
Maar we blijven rondgaan.
We blijven luisteren.
En wat we niet begrijpen of waar we ons boos om maken, vragen we gewoon aan de andere kant.

En tussen het roepen en vloeken, tussen godverdomme en allah-mag-het-weten, duwen we hier en daar al eens een steen uit de ommuurde stad.
Let op, zij die er binnenin denken te wonen zitten voor de anderen aan de buitenkant en vice versa, lachwekkend, maar zo is het!

En tussen de scheldwoorden en vunzige namen waarmee wij elkaar bekladden, klinkt er al eens een lachje, een lach, een gebulder, en we merken dat we allebei in dezelfde stad wonen en terwijl we ons hoofd schudden en luider gaan lachen, brokkelen steeds meer stenen af en slopen we geduldig de muren -ik weet het, er zijn er die ze achter onze rug weer willen opbouwen- maar we blijven gaten maken en na het luisteren en wederzijds geroep, worden onze rauwe klanken menselijke zinnen.

Ik begrijp er niets van, is zo’n zin.
Of waarom nou net de vrijdag, of wat is dat met die zondag van jullie?

Ik weet het, ik weet, het zijn nog onnozele vragen, het is zo’n beetje ‘t ongemak van mensen die tijdens een congres aan dezelfde tafel hun lunch gebruiken.

Ik woon in Kasjmier, en het stinkt daar net zo erg als hier.
Ik ben van Antwerpen, maar mijn voorouders kwamen uit Egypte.
Ik heet niet voor niets Gust van de farao.

Er wordt al eens gegniffeld, er zijn nog incidenten voor wie de stenen zijn die uit de muur gevallen zijn, en we begrijpen er nog altijd niets van.
Hoor je dat Emmerich, we begrijpen er nog altijd niets van.
Maar we kunnen het tenminste tegen elkaar zeggen.

Ik zeg: ik begrijp er niets van.
Hij antwoord: ik ook niet.
Bon dan is er tenminste al iets wat ons verbindt.

Emmerich, ik zou een goede zwarte predikant geweest zijn, maar dat zwarte blijft tot mijn gemoed beperkt, ik geef het toe.
Ik zou de volkeren hebben toegesproken…en…

INTUSSENTIJD IS EMMERICH HELEMAAL NAAR HEM GEKEERD EN HIJ BEGINT WEER TE KNIKKEN EN HET DUURT NOG ENKELE OGENBLIKKEN OF HIJ IS WEER AAN ‘T HANDENKUSSEN ENZ.

O, neen, Emmerich.
Laat dat!
Ik…ik heb maar wat uit mijn mouw geschud, mijn pa was dominee, of was het mijn moeder, dat kan ook.
Wij hebben het woord gekregen, maar we weten niet wat we ermee moeten aanvangen, Emmerich.
het rolt uit onze mond, en hier en daar raapt iemand er iets van op, zoals de brokstukken van de muren van Jericho.
En we zijn er goed in, dat weten we.

Maar onze woorden breken geen muren af, ze bouwen ze weer op, veilig en wel maken ze weer een Jericho waarin wij het licht hebben gezien.
Wij, de Albert Speer’s van het duizendjarige Berlijn.
Wij de stadsprofeetjes derde klas, de halftalenten, de weke harten en vol schietende gemoederen, de prekers die zich zo graag in eigen nat wentelen.

EVEN STILTE

ALISON
En wat moeten we zeggen, Emmerich?
Wat moeten we in ‘s hemelsnaam nog zeggen?

EMMERICH BEGINT MOEITE TE DOEN. ALISON VERWACHT OPNIEUW EEN LIEDJESFLARD, MAAR DAN KOMT ER DIT:

EMMERICH
…niets…

ALISON
Je zegt het, Emmerich. Je zegt het. Und sagt kein einziges Wort.

EMMERICH
…wij begrijpen…Niets.

NU IS ALISON VERSTOMD. HIJ KUST VOORZICHTIG DE HAND VAN EMMERICH.
BLACK OUT.


De mooie schilderijen van de Noorse schilder Kjeld Tidemand Johanessen (1948-)