VEERTIENDE SCÈNE

ZE ZITTEN ENIGSZINS GEHAVEND BEIDEN IN EEN DWANGBUIS, RUG NAAR ELKAAR.

ALISON

Jouw idee over het vrouwelijke is inderdaad voor correctie vatbaar, Emmerich.
Een agent van tweehonderd pond die naar onze kampeervergunning kwam kijken.

En wij maar meppen om indruk te maken.
Blindelings meppen.
Wat er ook rondom ons gebeurde, wat ze ons ook toeschreeuwden, het sterkste mannetje zou haar krijgen.
Dat is de natuur.

Tot ik begon te vermoeden dat schouders van dat formaat en een snor niet dadelijk vrouwelijke kenmerken zijn.
Maar toen was het al gebeurd.
De opgeroepen hulp maakte ons beiden immobiel.
Om af te koelen.

Stelletje jeanetten riep de ordedienaar nog toen ze ons achterlieten.
Jullie vinden pijn lijden vast leuk, sado’s.
We moeten jullie niet in deze stad, fuckers.
Zet jullie tenten maar naast die zigeneurtroep, macho’s.

Kun jij bewegen, Emmerich?

ZE PROBEREN ZICH LOS TE WRIKKEN, MAAR TEVERGEEFS.

ALISON
Het doet me denken aan een man die ik gekend heb.
Heb ik je al verteld over Francis Alfa Plate?
Francis Alfa Plate was beeldhouwer.
Van in zijn kinderjaren wilde hij de mens en zijn gevoelens in klei, steen en marmer vastleggen.
Ze had geen artistieke wortels, deze neiging, maar in feite was zijn talent uit een soort van inertie, zeg maar luiheid, geboren.

Voor Francis Alfa Plate draaide wereld te vlug rond,
Waar wij een slenterend mens onder zijn kont zouden schuppen om wat meer snelheid te vorderen, was zelfs een schuifelende grijsaard voor Francis een komeet.

Ja, ik zeg het goed, Emmerich. Een komeet.
Het zal waarschijnlijk een nog niet in kaart gebrachte ziekte zijn, maar Francis’ brein nam de wereld in vijfde versnelling waar.
En om die bliksemschichten tot waarneembare wezens en handelingen te herleiden, besloot hij al op jonge leeftijd beeldhouwer te worden.

Wij, gewone en gezonde mensen, vinden het vervelend een Grieks beeld te zien dat intussentijd zo’n tweeduizend vijfhonderd jaar de arm achter het billenwerk geheven houdt, discus in aanslag, zonder dat er verder iets gebeurt.
Wij willen beweging zien, wij willen actie.
En al weten wij door deductie en een goede schoolopleiding dat het beeld de discus nooit lanceren zal, toch zien we het tuig in onze geest zijn weg door het zwerk zoeken.

Voor Francis Alfa Plate waren dergelijke beelden de hemel op aarde.
Hier was de schepping herleid tot één zeshonderdste seconde en het zal je dan ook niet verbazen, Emmerich dat naast het beeldhouwen ook de fotografie zijn volle aandacht mocht genieten.

Vinden wij de zilverdruk met de in de lucht zwevende duiker bespottelijk, voor Francis was deze een metafysische realiteit: een gevangen beweging die voor eeuwig haar stabiliteit zou bewaren.
Nooit zou de gekromde duikelaar het water bereiken.
De tijd werd in het ootje genomen.
De tijd werd stil gezet, althans op papier of in marmer.

Deze liefde voor het roerloze drukte hij uit in een verzameling van gevangenen, les prisonnés zoals hij ze noemde.
De kunst is geen bevrijder, integendeel, zij rooft alles wat ons menselijk is en prangt het in een kader of een volume
Kunstenaars zijn inderdaad een bende niet behandelde sadomasochisten, Emmerich.

Nu hebben de meesten van dit gild altijd naar verheven momenten gezocht, de slang die de vader en kinderen omstrengelt, de fiere ruiter op zijn paard, paard waarvan de ene opgerichte poot de beweging suggereert, de gesneuvelde patriot die zich in de armen zijner moeder languit heeft uitgestrekt, de pelikaan die met ware doodsverachting zijn eigen hart open pikt om zijn jonge pelikaantjes voedsel te verschaffen, maar voor Francis telde al dit pathos niet, zijn pathetiek lag in de wereld van alledag.

De vader die gebogen zijn eigen kont afveegt, het kind dat de resultaten van het neusgepeuter bestudeert, de geeuwende oom die om twee uur ‘s nachts voor de televisie wakker wordt, de bijna hoorbare boer na een rijkelijke maaltijd, het bovenste knoopje van de zondagse broek geopend, de bilspleet zichtbaar aan de achterkant.

Ik wil je eetlust niet verder om zeep helpen, Emmerich, maar ik kan niet zwijgen over de hond die ‘s meesters gulp besnuffelt, de in het borsthaar graaiende echtgenoot, de slonzige onderbroek half afgezakt, allen nog door een morgenerectie opgehouden, de navelstaarder, de uitgezakte slapers in de trein, de tenenpulkers wiens vieze sokken nog voor de pas ontblote voeten liggen.

En het moet gezegd, Francis’ beelden, meestal in bovenmenselijke proporties waren naar de natuur uitgewerkt, tot in het kleinste detail verzorgd.

Wat denk je dat er met hem gebeurd is?
Werd hij onder prijzen bedolven, was zijn werk het onderwerp van de internationale kunstkritiek, kwam de liefde van het geportretteerde volk hem als een warme gloed tegemoet als hij zich publiekelijk vertoonde?

Het antwoord is eenvoudig, Emmerich.
Had jij ooit van Francis Alfa Plate gehoord voor ik mijn verhaal vertelde?Ben je zijn naam ooit in een monografie tegengekomen, was er sprake van dat hij de koninklijke optrekjes mocht verluchten of werd zijn kunst tot diep menselijke expressie uitgeroepen?

Neen, dus.
Ik voel je hoofd schudden, Emmerich.

Hij werd gehaat.
Hij werd beschuldigd van mensenhaat, men zocht het in zijn vrij normale jeugd, men vond niets bij zijn voorouders die maïs teelden en elke zondag naar de kerk gingen.
Dus besloot de goegemeente de ergste straf toe te passen.
Men zweeg over Francis Alfa Plate.
Men zweeg hem dood.
Want dat laatste mag je letterlijk nemen, Emmerich, dat van dat doodzwijgen.
Op een morgen lag hij in een vrij banale houding -ik bespaar je de details- tussen zijn beelden.
Er werd even over kwaad opzet gesproken, maar de straf van god haalde het op elke moordgedachte.

En Emmerich, heb jij ooit beelden van Plate gezien in welk museum dan ook, op welk druk plein in een wereldstad?

Juist.
Zijn beelden werden gesmolten, en uit al dat brons goten de godvrezenden de honderd vijftig klokjes en klokken van een beiaard die nu nog altijd, elk kwartier, de zomer in stukken rammelt .
De plaats hou ik geheim maar nu begrijp je dat ik beiaardmuziek met banale dingen associeer, of met wat wij banaal noemen uiteraard.

INTUSSENTIJD IS EMMERICH LOSGEKOMEN.
HET BLIJKT DAT ZIJN DWANGBUIS NIET EENS DICHT WERD GEMAAKT.

Verdomme Emmerich, ik heb je los verteld.
Mijn bevrijdende woorden hebben weer hun werk gedaan.

Kom we verhuizen naar de woestijn.

ZE PLOOIEN VLUG HET LAKEN OP, LEGGEN HET OP DE SAMENGEVOUWEN LADDERS EN VERDWIJNEN MET HUN HEBBEN EN HOUDEN.