HET TOUW scène 5

VIJFDE SCÈNE

NET ALS EMMERICH MET EEN LADDER OP ZIJN SCHOUDER DOOR HET CENTRUM LOOPT, ROEPT ALISON

ALISON
Stop!

EMMERICH SCHRIKT, STAAT ALS CHRISTUS DIE HET KRUIS DRAAGT , STIL EN KIJKT ALISON ONBEGRIJPEND AAN

ALISON
Hoe sta je daar, Emmerich?

EMMERICH PROBEERT IETS RECHTER TE GAAN STAAN, FLINKER TE ZIJN

ALISON
Maar neen, Emmerich.
Kijk naar mij.
Ik heb je bespot.

EMMERICH ZEER VERBAASD, HAALT SCHOUDERS OP, SCHUDT HET HOOFD

ALISON
Een gans is een gans en geen zwaan, Emmerich.
Ik heb je bespot.
Ik heb je beschuldigd.
Ik heb gezegd dat je een martelaar wilde zijn.
Dat je naar een snelle en pijnloze dood verlangde, dat heb ik gezegd.

EMMERICH NOG MEER VERBAASD, VINDT HET NIET ERG, PROBEERT TE GLIMLACHEN, MAAR WEET ZICH GEEN RAAD.

ALISON
Laat me je helpen, Alison.
Laat me jouw Simon van Cyrène zijn die Jezus het kruis hielp dragen.

ALISON NEEMT DE LADDER ACHTERAAN VAST EN ZO LOPEN ZE VERDER NAAR DE VOORSCENE.
DAAR ZETTEN ZE DE LADDER OP ZIJN PLAATS.

ALISON
Klim naar boven, Emmerich. Toe.

EMMERICH AARZELEND OP DE LADDER.

ALISON
Nu sta je op de plaats die je toekomt, Emmerich.

Zalig de eenvoudigen van geest.
Dat heeft de heer zelf gezegd.
Ik buig voor jou.
Zal ik hotdogs halen? Ik weet je dat je gek op hotdogs bent?

EMMERICH WEET NIET WAT HIJ MOET DOEN, HOE HIJ MOET REAGEREN. HIJ SCHUDT HET HOOFD, KNIKT DAN WEER, KORTOM HIJ IS HET NOORDEN KWIJT EN GLIMLACHT SCHAAPACHTIG.

ALISON
Of wil je liever een hamburger?
Spreek, Emmerich. Zeg eindelijk iets.

EMMERICH SPREIDT ARMEN DAT HEM HETZELFDE IS, BLIJFT GLIMLACHEN.

ALISON
En doe die glimlach van je lippen, Emmerich.
Ik heb je vernederd.
Ik heb je op de ladder vastgebonden, en jij blijft glimlachen!

Ik heb je laten geloven dat ik op de slappe koord kon dansen.
Je gelooft dat je het met je eigen ogen hebt gezien.

EMMERICH BEVESTIGT HEVIG JA KNIKKEND, MET VOLLE OVERTUIGING EN NOG IETS MEER.

ALISON
Maar het is niet gebeurd, Emmerich!
Ik heb je omver gepraat.
Mijn hele leven heb ik mensen omver gepraat.
Ik, de schepper van de levensechte illusies!
Mijn hele leven lang maak ik de mensen wijs dat je op de koord kunt lopen, het ene eind vastgemaakt aan een ladder, het andere eind in je eigen hand.
En ze willen me graag geloven.
Ze geloven dat ze het gezien hebben.
En het was geen schitterende morgen, Emmerich, geen tegenlicht van de opkomende zon.
Zelfs bij druilregen en drukkend grijs, hebben ze het nog gezien!

EMMERICH BLIJFT KNIKKEN, WIL NAAR BENEDEN KOMEN.

ALISON
Blijf staan, Emmerich.
Leer die zielige onderdanigheid omzetten in mannelijke zelfverdediging.

Jouw soort sticht kloosterorden, predikt de geweldloosheid en spaart het brood uit eigen mond.
Geen kreetje van een hongerkindje of jullie verzorgen het hele dorp met gedroogvriesde drie gangen maaltijden, geen noodlijdende of hij vindt een uithuilschouder bij jullie soort.
Jullie leren Zuid-Amerikaanse bevrijdingsliederen, jullie dragen solidariteit als doornkroon.
Maar steek één vinger uit naar jullie bezit,
grijp een voetje
beledig de stam
stel de juiste vraag over jullie onvermogen tot praten
en….

ALISON PROBEERT EMMERICHS VOET TE GRIJPEN, HEM VAN DE LADDER TE SLEUREN, MAAR EMMERICH TRAPT, SLAAT ZELFS, HIJ WIL ZIJN POSITIE NIET PRIJSGEVEN.

ALISON
En jullie tonen je ware gezicht!
Jullie hemelse kledij glijdt van het schuchtere lijf,
De schapenvacht herbergt een wolf!.

Jullie tuimelen van je voetstuk!

ALISON SLEURT EMMERICH VAN DE LADDER EN KWAKT HEM NEER OP DE GROND.
DAAR WORDT HIJ WEER DE BANGE MAN, HIJ DUIKT IN ELKAAR, DE HANDEN BOVEN ZIJN HOOFD.

(vervolgt)


De prent is van Quint Buchholz ‘Giacomond’, edition Inkognito, Berlin


HET TOUW, scène 4

VIERDE SCÈNE

DE HELFT VAN EEN LADDER LIGT OP TWEE SCHRAGEN.
OP DIE LADDER LIGT EMMERICH DIE BLIJKBAAR ONDER DE VALLENDE LADDER MET ALISON IS TERECHT GEKOMEN.
HIJ IS OMWONDEN MET HET TOUW VAN DE KOORDDANSERIJ, DEELS OM HEM VAST TE HOUDEN OP DE LADDER MAAR JE ZOU HET OOK ALS EEN WERKELIJK VAST-HOUDEN KUNNEN OPVATTEN.
ZIJN HOOFD IS OMZWACHTELD.

ALISON
Ik hoor je denken, Emmerich.
Ik hoor je denken dat ik je met de vallende ladder heb verpletterd.

EMMERICH PROBEERT HEVIG NEEN TE SCHUDDEN, DOET PIJN.

ALISON
Hou je hoofd stil, Emmerich.
God is al zuinig genoeg geweest met de inhoud van je hersenpan, je hoeft de gekneusde inhoud niet nog eens heen en weer te schudden.

Ik vraag je, Emmerich.
Waarom bleef je staan?
Waarom ben je niet opzij gesprongen?

EMMERICH KIJKT HEM LIEFDEVOL AAN EN PROBEERT VAST GEBONDEN ALS HIJ IS, ZIJN HAND TE KUSSEN

ALISON
Mijn god, Emmerich!
Ik heb bijna je rug gebroken en je wilt mij zelfs daarvoor bedanken?

EMMERICH KNIKT EN KIJKT HEM GELUKZALIG AAN

ALISON
Dat te veel aan geloof is de ondergang van de wereld, Emmerich.
Een gans is een gans en geen zwaan, net zo min als een bom een liefdevolle schoonmaakbeurt mag genoemd worden.

Ik heb je moeten vastbinden omdat je in de verdwazing die op mijn val volgde, je met je armen bleef wieken alsof je ten hemel wou stijgen.

EMMERICH KNIKT EN BEWEEGT ONDER DE TOUWEN MET ZIJN ARMEN

ALISON
Maar de hemel is bij wijze van spreken, eerder op jouw zielige kop terecht gekomen al wil ik mezelf niet met zoveel zaligheid vergelijken.

Jij had datzelfde volume aan geloof moeten opbrengen toen ik met mijn ladder ging wandelen, maar zielig als je bent wilde je een smartelijk einde.
Of moet ik nog geloven dat je op dit moment hebt gewacht?
Dat je door jouw twijfel mij onderuit zou halen.
Dat je daarvoor onmiddellijk de straf van god op die ongevulde kegel van jou wilde krijgen, om eindelijk in vrede dit tranendal te kunnen verlaten?
Wel?

EMMERICH ZEGT NIET JA OF NEEN, MAAR LAAT DE TWIJFEL BESTAAN.

ALISON
Jij hebt met dat geloof van jou mij aan ‘t wankelen gebracht, Emmerich.
Jij hoopte verpletterd te worden om mij een levenslang schuldgevoel in de schoenen te schuiven.

EMMERICH SCHUDT HEVIG HET HOOFD

dyn005_original_500_421_jpeg_20344_01bfc81e127c5f8f6e5d66b91be3edee

ALISON
Jij wilde jezelf tot martelaar uitroepen!
Mijn falen werd jouw triomf.
Ik werd voor het gerecht gesleept omdat ik jou, door jouw eigen ongeloof, verpletterde!

EMMERICH BLIJFT HET HOOFD SCHUDDEN

ALISON
Je had me hoopvol moeten aankijken, Emmerich.
Je had me moeten toeschreeuwen: Alison, je kunt het. Jij kunt opstaan en wandelen.
En ik had gewandeld!
Gesteund door jouw rotsvaste overtuiging was ik een teken geweest, een teken waartoe vriendschap en liefde in staat is!

Maar jij hebt me met zo’n zielige martelaarsblik aangekeken, met ogen die smeekten om een snelle en pijnloze dood, dat ik wankelde, dat ik mijn evenwicht verloor.
Niet de opgaande zon, maar jouw hels verlangen om een slachtoffer te zijn, haalde mij onderuit.

EMMERICH BLIJFT MET ZIJN GEBONDEN LIJF ONTKENNEN.

ALISON
Ik zou het touw moeten aantrekken rond die uitgemergelde luchtpijp van jou, je langzaam laten stikken, je een oneervolle dood laten sterven, maar ik hoor je denken!
Ik hoor je denken: ja, Alison, ja, doe dat maar want dan moet ik niet terechtstaan, dan moet ik niet nadenken over mijn schuld, over mijn gedrag dat het wonder verhinderde.

Dus maak ik je los.

HIJ BEGINT HET TOUW HELEMAAL LOS TE MAKEN

ALISON
Ik maak je los zodat je dat zielige leven weer kunt opnemen, zodat je nog één keer getuige van mijn koorddanserij kunt zijn.
Mijn wonder, mijn poging om boven deze goorheid uit te komen, zal jou een les zijn, om je eindelijk ook eens te verheffen.

En pas op, Emmerich, ik doe dit niet uit wraak, neen, maar uit pure liefde.
Ik zal je leren dat dit touw geen gevangenis is, maar een bevrijding, dat het wonder ook voor de eenvoudigen van geest is weg gelegd.

Kom, Emmerich!
Aan het werk!

HIJ DUWT HEM VAN DE LADDER, EN ZE BEGINNEN SAMEN WEER DE CONSTRUCTIE OP TE ZETTEN ZODAT OPNIEUW EEN DIAGONALE LIJN ONTSTAAT

(VERVOLGT)


HET TOUW eerste entr’ acte

The Sky Is Falling

a Bulrovian fairy tale
adapted by Rick Walton

Once upon a time there was a tiny, tiny chicken named Chicken Little. One day Chicken Little was scratching in the garden when something fell on her head.

“Oh,” cried Chicken Little, “the sky is falling. I must go tell the king.”
So Chicken Little ran and ran, and she met Henny Penny.
“Where do you travel so fast, Chicken Little?” asked Henny Penny.
“Ah, Henny Penny,” said Chicken Little, “the sky is falling, and I must go and tell the king.”
“How do you know that the sky is falling, Chicken Little?” asked Henny Penny.
“I saw it with my eyes, I heard it with my ears, and a bit of it fell on my head,” said Chicken Little.
“I will go with you to the king,” said Henny Penny.

So they ran along together, and they met Ducky Daddles.
“Where do you travel so fast?” asked Ducky Daddles.
“Ah, Ducky Daddles,” said Chicken Little, “the sky is falling, and Henny Penny and I go to tell the king.”
“How do you know that the sky is falling, Chicken Little?” asked Ducky Daddles.
“I saw it with my eyes, I heard it with my ears, and a bit of it fell on my head,” said Chicken Little.
“I will go with you to the king,” said Ducky Daddles.

So they ran along together, and they met Goosey Loosey.
“Where do you travel so fast, Chicken Little?” asked Goosey Loosey.
“Ah, Goosey Loosey,” said Chicken Little, “the sky is falling. Henny Penny and Ducky Daddles and I go to tell the king.”

“How do you know that the sky is falling, Chicken Little?” asked Goosey Loosey.
“I saw it with my eyes, I heard it with my ears, and a bit of it fell on my head,” said Chicken Little.
“I will go with you,” said Goosey Loosey.
So they ran along together, and they met Turkey Lurkey.
“Where do you travel so fast, Chicken Little?” asked Turkey Lurkey.
“Ah, Turkey Lurkey,” said Chicken Little, “the sky is falling, and Henny Penny and Ducky Daddles and Goosey Loosey and I go to tell the king.”

“How do you know that the sky is falling?” asked Turkey Lurkey.
“I saw it with my eyes, I heard it with my ears, and a bit of it fell on my head,” said Chicken Little.
“I will go with you to the king,” said Turkey Lurkey.
So they ran along together, and they met Foxy Loxy.
“Where do you travel so fast, Chicken Little?” asked Foxy Loxy.
“Ah, Foxy Loxy,” said Chicken Little, “the sky is falling, and we go to tell the king.”

“Do you know the way to the king’s house?” asked Foxy Loxy.

“No,” said Chicken Little.
“No,” said Henny Penny.
“No,” said Ducky Daddles.
“No,” said Goosey Loosey.
“No,” said Turkey Lurkey.
“Then come with me and I will show you,” said Foxy Loxy.

And just as he was about to lead them into his den to eat them…
…the sky fell on him.
“Oh dear,” said Chicken Little.
“We’re too late,” said Henny Penny.
“Poor Foxy Loxy,” said Ducky Daddles.
“No sense in going to the king,” said Goosey Loosey.
“Nothing to do now but go home,” said Turkey Lurkey.

And they did.


Het verhaal hierboven kan verteld of gezongen worden.

We hebben even tijd nodig voor een grondige decor-verandering

(de tekst zou in vloeiend Nederlands moeten vertaald worden, alle hulp is welkom

(morgen de vierde scène)


HET TOUW , scène 3

DERDE SCÈNE

BIJ HET VERLOOP VAN DEZE SCÈNE BREKEN ALISON EN EMMERICH DE LADDERS EN DE DRAAD AF EN LEGGEN ALLES SAMEN PLAT AAN EEN KANT VAN HET SPEELVLAK

ALISON
Wees dus maar gelukkig, Emmerich dat deze dag grijs is begonnen.
Een schitterende zonsopgang is gevaarlijk.
Hij zet de wereld in een te vroeg tegenlicht.
De mensen gaan schimmen zien, ze denken dat de doden verrezen zijn, dat de lang verwachte heiland op aarde zal komen, dat er andere tijden zullen aanbreken.

Het grijs, dat kennen wij.
Het is niet aangenaam, maar het is eerlijk.
Het belooft niks.
Het grijs is zoals wij allemaal, en zoals de dagen: grijs.

Dat jij dus dacht mij op die koord te zien lopen dat kwam door de hitte.
Protesteer niet, Emmerich, het was de warmte.
Warmte doet de hersens koken.
Verhitte hersenen zijn net zo gevaarlijk als hersenen die in het tegenlicht wonderen en genezingen zien gebeuren.

Kom, hef op.

ZE DRAGEN SAMEN EEN LADDER WEG.

ALISON
We moeten ook niets meer reconstrueren.
Laten we gewone mensen blijven.
Ons hele leven is re-con-struc-tie.
Voorzichtig.
Ik kende iemand die ook eens ladder ging wegzetten, en…

EMMERICH HOUDT ZIJN VINGER VOOR ZIJN MOND EN ZEGT: PSSST.

ALISON
Ja, sorry.
Het is sterker dan mezelf, Emmerich.
Maar John kon op een enkele ladder staande, door zijn eigen bewegingen, met die ladder vooruit- en achteruitgaan.

EMMERICH OPNIEUW SSSST.

ef232-dyn004_original_500_696_jpeg_20344_7680f5760b46c326d551c6421f0f56d1

ALISON
Dit is het allerlaatste, Emmerich, de story van John en zijn ladder.
Kom, we haken die ladder los en dan houd jij ze recht en ik klim erop en…

EMMERICH HEEFT DE LADDER VAST EN WIL WEER SST DOEN NET ALS ALISON BOVEN OP DE LADDER STAAT.

ALISON
Vasthouden oelewapper!

EMMERICH KAN NOG NET DE LADDER GRIJPEN.

ALISON
John was dakwerker.
Ladders waren voor hem zoals trappen voor ons. Heel gewoon.
John werd trouwens op een ladder geboren, echt waar.
De oude Ford waarmee zijn vader en moeder naar het ziekenhuis op weg waren, bleef midden in de zoutvelden staan.
In de smalle autocabine was er geen plaats om te liggen, en buiten ..enfin, ik moet je niet vertellen hoe de ondergrond van de zoutvelden eruit ziet, zeker als het dagenlang heeft geregend.
En zo kwam het dat zoon John op een ladder werd geboren.

Ik hoor u denken, Emmerich: toeval.
Dat was geen toeval.
Dat was zo gewild door het lot.
Het lot had voor die autopech gezorgd zodat het kind al bij zijn geboorte wist wat zijn ding was. Ladders.

Niet alleen was hij later dikwijls ladderzat, maar hij kon als geen ander een ladder plaatsen, ze beklimmen zoals een eekhoorntje de boom opvliegt, en ze in een zucht weer weghalen.
Ik heb er dikwijls op staan te kijken zoals je naar een mooi schilderij kijkt, genietend dus.

Er zal zeker weer wel iets bestaan als ladderdansen, maar John kon al ladderdansen nog voor het was uitgevonden.

Een ladder is een banaal ding, maar bij John was een ladder een viool.

En dan dat stappen.
Jij houdt me nu vast hè Emmerich, maar John zette een ladder recht, klom erop terwijl ze naar links of rechts scheen te vallen maar nog voor die ladder een besluit kon nemen, stond hij er al bovenop en hield hij ze gewoon door spierkracht en zijn minieme bewegingen in evenwicht.

Dat is circus, zal je zeggen.
Neen, het waren geen metalen laddertjes van niks, maar stevige houten ladders.
Het was gratie.
En dat in beide betekenissen van het woord: genade en sierlijkheid.

Hij bewoog niet hortend of stotend, maar hij wandelde.
Ik heb dat daarna nooit meer gezien, Emmerich. Hij wandelde terwijl hijzelf hoog op zijn ladder stond.
Laat me los, Emmerich.
Ik zal ook wandelen zoals de Verlosser zei: sta op en wandel.
Laat me los!

EMMERICH TWIJFELT, HIJ WEET WAT ER ZAL GEBEUREN. TENSLOTTE LAAT HIJ LOS. TERWIJL DE LADDER VALT, DOOFT HET LICHT.


HET TOUW, scène 2

TWEEDE SCÈNE: DE OPA

ZE GAAN BEIDEN OP HET TOUW ZITTEN EN SCHOMMELEN ZACHTJES TERWIJL ALISON HET VERHAAL VERTELT.

ALISON
Opa Smith vergroeide dag na dag met zijn schommelstoel op de veranda, de enige plaats waar schommelstoelen horen te schommelen.

Toen hij nog bij zijn volle verstand was, zat hij er van het schemeruur tot de hemel boven het huis vol sterren stond.
Soms schommelde hij ‘s middags, na de maaltijd.

Je zou kunnen denken dat schommelen hem liet indutten, maar eens hij in die stoel zat, sperde hij zijn grijze ogen ver open en keek hij naar de verte.

Wie zich zijn huis herinnert, weet dat die verte een zielloze weide voorstelde waardoor een tractorpad het idee van een weg naar de vroegere boerderij moest ophouden.
De weide liep tegen een heuvel op en daarachter opende de lucht zich in gespannen bleekblauw of loodzwaar grijs, om van de dagen te zwijgen dat witte onweerswolken zich tegen de inktzwarte stormlucht hadden opgewerkt.

In vroegere dagen kwam de postbode wel eens langs, maar nu opa Smith zich uit de wereld had teruggetrokken, deed die wereld geen enkele moeite meer hem met aanmaningen of publiciteit te overvallen.
Er kwamen alleen nog doodsbrieven en verdwaalde poststukken die steevast Lane end met Land end verwarden, of uitnodigingen voor bloemententoonstellingen en confituurwedstrijden die in feite voor Oma Suzanne waren bestemd, ook al had haar as al jarenlang de vlierstuiken gevoed en was ze langs die weg tot in het hart van de confituur doorgedrongen.

Opa Smiths’ verval begon met een serie nachtzittingen: hij bleef tot aan het eerste licht in zijn schommelstoel, en hees zich dan moeizaam recht om vervolgens naar de heuvelrug te lopen en van daaruit langdurig te bekijken wat hij niet in zijn stoel kon zien.

Tot ook die toch achterwege bleef en hij dag en nacht in zijn schommelstoel bleef zitten waar hij zoals de hazen met zijn ogen open sliep.
Hij at wat hem werd toegestoken door de inwonende schoonzus, een mens dat luidruchtig boeren liet en net zo luidruchtig psalmen reciteerde.

Enkele dagen daarna gooide hij het brood op de wei, en de koffie of het vruchtensap raakte hij niet meer aan.
Zij liet de dokter komen, maar die zei dat een mens die niet meer wil leven ook zijn goesting moet krijgen.

In mijn verbeelding hebben ze hem in zijn stoel begraven.
Ze zullen zijn botten wel gebroken hebben zodat zijn uitgedroogd en verschrompeld lijf in de kist paste.

Ik weet niet wat zijn aandacht al die dagen bezig hield.
Ik weet dat hij naar het oosten keek, naar de plaats waar ‘s morgens de zon opkwam.
Sommigen zeggen dat hij op zijn gestorven zoon wachtte.

Ik denk dat hij zichzelf moed insprak om tot aan het morgenlicht te blijven zitten, om dan de schittering boven de heuvel te zien opkomen, die zon die eerst de kam verlicht en zich dan over de heuvel naar het huis trekt, tot in de ogen van opa Smith.
Dat denk ik.