In geen andere godsdienst als in het Christendom wordt het beeld van het kind naast dat van de dode man op het kruis gecultiveerd.
In dit zeldzame beeld van een anonieme schilder (uit mijn veiling-carrièrre) worden de twee op een schrijnende manier samen gebracht.

Het voorwerp van de middeleeuwse devotie is het kind waarvoor zelfs de machtigen der aarde, in de persoon van de koningen, de knie buigen..

Enerzijds wordt het goddelijke kind gered op de vlucht naar Egypte maar tegelijkertijd sterven honderden onschuldige kinderen (althans in het verhaal want historisch blijft er niet veel over van deze mythe) door Herodes’ toedoen.

Dit feest van het Kind was in de middeleeuwen een merkwaardige feestdag waar de bestaande orde aardig op zijn kop werd gezet.

Rond 1200 wordt deze cultus ‘geïndividualiseerd’ en ‘geëmotionaliseerd’, vooral door het vieren van het kerstfeest in Grecio waar door Frans van Assissië het kerstgebeuren voortaan zal gedramatiseerd worden in beelden en taferelen.

Deze verpersoonlijking van de devotie loopt als een leitmotiv door de religie en de mystieke bewegingen van de late middeleeuwen.
Naast de nerveuze passie-mystiek ontwikkelt zich in de religieuze vrouwengemeenschappenook een kerstmystiek.
Kinderafbeeldingen in de vorm van poppen en Maria-figuren duiken in de kloosters op als voorwerpen van devotie.
Rond ie kinderpoppen ontwikkelen zich gebruiken die vaak tot op de dag van vandaag nog verder leven zoals Santo Bambino in de Aracoeli-kerk op het Capitool in Rome.
Sedert de baroktijd worden wonderbare Kinder-figuren vereerd in bedevaartsoorden en heilige plaatsen: het Salzburger Loretokindje, het Sarner Jezuskind, het Praagse Kindje Jezus.

Ook in de literatuur nemen de voorstellingen van de Jezus’ kindertijd toe, en worden ze steeds realistischer.
Ze drukken de verinnerlijking van de devotie uit en betrekken ook de Moeder-figuur in de iconografie.
Ook het aantal heilige kinderen is merkbaar toegenomen: Agnes, Susanna, Vitus, Sebastiaan, en nog vele anderen.
Maar bij hen wordt niet het kinderlijke benadrukt, maar eerder de toestand waardoor ze juist zijn heilig geworden: hun maagdelijkheid, het martelaarschap.
Ik heb je al over de heilige Fina verteld, maar in Siena had je de driejarige Orsina, in het Alpengebied de tweejarige Simon van Trient (1475) en in Lienz de vierjarige Ursula(1442), de tweejarige Andreas in Rinn bij Hall (1462), en aan de Nederrijn de heilige Werner van Oberwesel (1287)
Bij de vier laatst genoemde ging hun cultus samen met Jodenpogroms want zij zouden Christelijke kinderen ombrengen.

Ook de kinderjaren van volwassen heiligen krijgen tijdens de laat-middeleeuwen aandacht, zoals het kinderleven van Maria en Johannes de Doper.

Een van de oudste kinderscènes is de legende die sinds de 12de eeuw de rondgang deed.
Het is het verhaal van het jongetje en de heilige Augustinus waarvan je hierbij een oude afbeelding vindt.
Ze vertelt de grondige pieker-partijen van Augustinus omtrent het wonder van de heilige Drievuldigheid waarbij hij aan de rand van de zee een spelend jongetje bemerkt.
Het kind vertelt hem dat je eerder de zee met een lepeltje kunt leegscheppen dan dit mysterie doorgronden.

Ik heb het nog als kind mogen aanhoren van een oude broeder en moet eerlijk toegeven dat ik de vergelijking erg treffend vond.

Kindercultus dus als grondpatroon in de traditie van het Avondland.
En hoe moet je daarbij, in die voorburgelijke tijd de these hard maken dat je met deze mythes het besef van een eigen kinderlijke aanwezigheid zou ontkennen?

Ik denk dat je ook al in deze tijd van een zekere afstand tussen kind en volwassene kunt spreken, een afstand die ieders eigenheid benadrukt waardoor het kind de andere als vreemd wezen kan beschouwen.

In deze tijd wordt dat andere nog niet door de ratio maar door de religie benadert, als een soort “Faszinosum’, het kind als fascinatie, en Jean Batany noemt het in zijn geschriften dat het om een zekere morele ambiguïteit van de jeugdige onvolmaaktheid zou handelen.

(J.Batany, ‘L’ enfance dans la literature moralisante’, in Annales de démographie historique 1973 (Enfant et Sociétés), p125.

Ondanks de voorstelling van het kind als een kleine volwassene heeft de middeleeuwen in het nog niet tot wasdom gekomen menselijke wezen een bestemde bijzonderheid waargenomen, die moeilijk kon geduid worden, en die voor de mens uit die tijd voor een diep onbehagen heeft gezorgd.
Men wantrouwt het kind: op zijn leeftijd kan een zogenaamde volmaaktheid alleen maar bedrog zijn. (…)

Maar daarmee had die onbestemdheid van het kind ook een tegensprekelijke functie: zoals alles wat de harmonie stoort, wat de gewoonten door elkaar schudt, kan dit als een soort inmenging van het bovennatuurlijke worden gezien.
Die ambivalente verschijning van het kind kan de toegangsdeur van de duivel tot de wereld zijn (zeker in de puberteit!) maar ook als toegangsdeur tot God worden beschouwd (vooral in de vroege kinderjaren) door allerlei wonderen of gebeurtenissen die zijn nabijheid benadrukken.

Het kind is een vreemd wezen.

‘Die Erfahrung des Kindes als eines fremden Wesens, im Prozess der Zivilisation verstärkt und im Verlauf der Säkularisation gesellschaftlich verallgemeinert, wird zum entscheidenden Konsitutionsmerkmal der Kindheitsbilder der bürgerlichen Epoche.’
Das Fremde Kind, ibid.

We zullen blijkbaar nog zeldzaam als gelijken kunnen samenleven, als je onder samenleven het erkennen van dezelfde listen en lusten kunt begrijpen.

Maar dat is weer een ander verhaal.