In de Nieuwe Tijden kwamen kinderen en het beeld van de kindertijd niet dichter bij de volwassene en het beeld van de volwassenheid, integendeel. De afstand werd steeds maar groter.

Door het beschavingsproces en in de context van steeds nieuwe gemeenschapsvormen komt het tot een zich versterkende desintegratie van kinderen en volwassenen.
In de industriële samenleving kom je typische ‘volwassene-kind’ verhoudingen tegen.

Zoals in de Renaissance de kloof tussen de bovenste laag en het volk bestond, zie je in de moderne tijden die kloof tussen kinderen en volwassenen.
Verfijnde gevoelsregels, de groeiende rol van het intellectuele, de verwijdering van de natuur, het waren aanleidingen die de bovenste laag der bevolking van de onderste lagen scheidden.
De geschiedenis van de kindertijd en het beschavingsproces verlopen paralel.

En daarmee paralel verloopt ook het proces tussen Europese en de overzeese culturen.
De kenmerken tussen de zgn. ‘beschaafde wereld’ en de ‘wilde’ wereld van de nieuwe volkeren vind je terug in het wilde van de kindertijd tegenover het ‘afgewerkte’ van de volwassen wereld.

Een kind wordt steeds meer vergeleken met dat niet affe van de ‘wilde’ mens.
Met de uitvinding van de opvoeding (Katharina Rutschky) probeert de gemeenschap die sterk wordende breuk tussen kinderen en volwassenen te genezen, normatief te overbruggen.
Het kindbeeld van de 18de en 19de eeuw vertoont daardoor een gigantische projectie: alles wat de mensheid aan samenlevings-vooruitgang bereikt had en nog wil bereiken wordt aan kinderen aangeleerd.
Kinderen lijken onbegrensd ‘lernfähig’.

Zij worden de proefdieren bij wie dagelijks de natuur in beschaving wordt omgezet.
Dat wat de opvoeders interesseert aan deze kinderen is niet hun eigen wil, hun eigen leven, maar wel datgene wat dat eigene kan omvormen, louteren en veredelen.

In de schriftuur van die tijd worden kinderbeelden als ‘exempel’ gebruikt, exemplum eruditionis.
Het wonder van de opvoeding vervangt het wonder van de genade.
En ook als het kinderleven niet goed afloopt, blijven zij exempla, voorbeelden van ongelukskinderen die zich niet aan de regels konden aanpassen.
Zij sterven zoals de kinderheiligen uit de voorbije tijden een voorbeeld-dood.

Kindercultus uit de voorbije tijden wordt omgevormd tot cultus van de kindertijd.
Het deugdensysteem dat de kleine Fina belichaamde en met haar dood bevestigde, vond nog plaats in een gemeenschap waarin kinderen en volwassenen nog dicht bij elkaar stonden.
Het kind was hier een exponent van het voorbeeld ‘geduld’ (een erg onkinderlijke eigenschap) Een eigenschap die zowel gold voor kinderen EN volwassenen.

Heel anders wordt dat in de burgerlijke maatschappij. Hier is het kind nog ruw en onaf en is het aan die status gebonden, een status waaraan de volwassenen intussen ontsnapt waren.

dyn006_original_500_464_jpeg_20344_937a9b329ae164aa04ccc0b843d4fc24

De fascinatie van de kindertijd had in de burgerlijke samenleving nog een complementaire kant: het was juist die ‘wilde’ toestand van het onaffe kind die voor romantische projecties zorgde waarin dit onaffe het ‘zuivere’ het ‘reine’ gingen vertegenwoordigen.
Was het niet opgevoede kind eerst nog de ‘de niet-mens’, in de romantische projectie werd het ‘de betere mens’.

Zo gingen ook de zgn. wilde mensen uit de overzeese gebieden na een tijdje een soort tegencultuur voor de Europese beschaving vormen, iets waaraan wij nog wel eens durven lijden als we bijvoorbeeld het over-romantiseren van indianen-culturen beschouwen.

Ook deze romantische projectie had niets met het wezen kind te doen, het ging om een wensbeeld.
De volwassenen projecteren op kinderen hun droombeelden voor een betere wereld.

’Wo Kinder sind, da ist ein goldnes Zeitalter.’ (Novalis)

In de geseculariseerde wereld vormen kinderen een Heiland-projectie voor beter tijden, ja voor de messiaanse eindtijd.

Steeds weer moet het kind de wereld redden.
Van Brentano’ s Fanferlieschen tot Michael Endes Momo en Nooit eindigend verhaal.

Het is uiteraard geen pure idealisering want het beeld van het kind als een alternatief ontwerp draagt in zich ook de kritiek voor de bestaande samenleving in zich, en niet alleen de kritiek maar ook de wens om zich tegen deze maatschappij te verzetten.

De ontdekking van de Kindertijd als de “einzig unverstümmelte Natur” (Schiller) verwijst tegelijkertijd naar de Verstümmelung van de volwassenen in de samenleving.
‘Wie niet wordt als een kind…’ kan dus een samenlevings-utopie inhouden.

Voor Novalis is het kind een synthese tussen intellect en fantasie, in Schlegels Lucinde is het als een opheffing tussen de tegenstelling mannelijk/vrouwelijk, met inbegrip van een liberale zedelijkheid, en bij Jean Paul wordt het de scepsis tegenover het systeem opvoeding, en bij Hölderin herinnert het aan de beloften die de burgerlijke revolutie inhield.

Het zijn wensen om de afstand tussen kinderen en volwassenen te overbruggen, al zijn de richtingen die men wil uitgaan wel eens tegenovergesteld.
Wil men naar een nieuw mensbeeld of wil men een zekere terugkeer naar de kindertijd?

Die terugkeer naar de kindertijd is een veelvoudig thema in de burgerlijke literatuur.
En zo ontstaat een ander beeld: het gevoel dat alles al gebeurd is in de kindertijd en er daarna nog weinig te beleven valt.

En of dat beeld ons dichter bij elkaar brengt?
Wij scheppen ons een verleden, zei ik al.
En de motieven voor die schepping zijn niet altijd zo edel als wij ons voorhouden.

Dus ga ik enkele dagen op het land leven, in de stilte van de zomer.
Ik laat er deze beelden bezinken en hoop je volgende week over mijn zoektochten verder te berichten.