Natuurlijk was ik verbaasd en ontroerd door de mooie werken van Albert Anker.
Dat is het mooie van de ontdekking: je komt op een spoor, je volgt de kromming van de weg en je ziet nieuwe vergezichten uit het verleden die je helpen om het heden beter te begrijpen of te verdragen.

Dat Anker de zoon van een veearts was verbaast me niet.
Hij kent de authenticiteit van het dagelijkse leven.

Hij versiert of verdonkert niets.
Hij kijkt met een scherpe blik naar de omgeving waarin hij woonde en werkte en hij probeerde die werkelijkheid weer te geven zonder ze al te veel te interpreteren.

Dat hij bleef pendelen tussen Parijs en zijn Zwitsers geboortedorp waar hij bleef wonen en ook stierf verbaast me al evenmin.
Parijs kon hem vormen, maar geen moment heeft hij zijn omgeving verraden.

Hij getuigt ook zonder pamfletterigheid van het harde leven.
Kinderen en volwassen leven er (noodgedwongen) dicht bij elkaar, en het onderscheid is er miniem.
Vaak doen zijn taferelen denken aan de grote gezinnen uit onze eigen kinderjaren: je was er met velen, maar je was iemand want de zorg voor allerlei werd je opgedragen omdat het nu eenmaal zo hoorde als je lid bent van een groep.

Daarom kan ik ook zijn stillevens zo smaken.
Ze pronken al evenmin met de schittering van rijke tafelen of duur gerei, ze laten zien dat de onderdelen elke dag gebruikt worden.
Hun poëzie ontlenen ze aan het leven.

Er is weinig onderscheid tussen oud en jong.
De jongen leest de oude grootvader voor, het kind slaapt tegen de keramiekkachel aan terwijl de volwassenen voor zich uit staren, de school komt even wreedaardig over als de verplichte verzameling jonge mensen nu, en even potsierlijk de vorm van onderwijs, kortom je hebt te leren van het leven, en dat is vaak je omgeving, je grote broer of zus, je ouders, en je staat er meestal alleen voor want veel tijd om dingen uit te praten was er voorwaar niet.

Je kunt dit eenvoudige leven ook niet idealiseren want overal sluipt het verval en de armoede erin rond.
En net zoals nu bestond er al een crèche waar je werd ondergebracht om de dag door te brengen tot je ouder(s) weer tijd hadden of konden maken.

Je vindt dus zeker geen romantisering van de armoede zoals in een mooie Oliver-film of zoals in Annie waar arm zijn een voorrecht wordt.
Het leven is er, en je hebt het te leven.
In huis is er de kachel waar rond de lange winteravonden van het bergvolk zich afspelen, en buiten wordt er gewerkt en geleden.

Toch spreekt uit de beelden een groot mededogen. (de schilder overwoog in zijn jonge jaren in een klooster te gaan)en een merkwaardige zin om de waardigheid van deze mensen duidelijk te maken.

Als ik dan kijk naar de foto’s van de hedendaagse kinderen, de dure publiciteitsfoto’ s waarop hun verbondenheid moet blijken, dan voel ik me weer terug bij af.
Het zijn opnieuw exempels geworden: voorbeeldkinderen, met alles erop en eraan, tot en met hun lichamelijke idealisering.
Hier zijn het geen heiligenbeelden, maar verlangens naar zeer materiële idealen.
De concentratie aan idealisering is in zo’n hoge mate aanwezig dat het kind eruit verdwijnt.
De iconen blijven.

Ook de lichamelijkheid is dubbelzinnig, of ze dient om te verkopen, of ze is een ideaalbeeld voor het samenzijn met bijvoorbeeld de vader, net de figuur die het meeste afwezig is!

Wat hen verbindt is de gemeenschappelijke eenzaamheid.
De kinderen van Albert Anker en de kinderen uit de hedendaagse foto’ s leven zonder al te veel vooruitzichten.
Of door de armoede of door de rijkdom zijn ze geïsoleerd.

Kijk maar even naar het schooltafereel waar ze duidelijk met tevelen zijn, en kijk naar de eenzame luxekinderen die met te weinig zijn om hun gang te kunnen gaan.

Sociale zekerheid of het reservaat, twee rollen die weinig met je eigenheid hebben te maken.