De hedendaagse voorstellingen van kinderen en jongeren neigen meestal naar de geïdealiseerde en lijfelijk erg volwassen kant: voor de publiciteit moeten zij zijn wat hen ten zeerste kwalijk zou genomen worden in het werkelijke leven.

En daarmee zijn we terug in de Victoriaanse tijd waarin een verboden verlangen verheven wordt tot schoonheidsideaal.

Laten we eerlijk blijven.
Het gaat tenslotte om een soort van machts-uitoefening, aan-trekken.
Daar is niets mis mee want het is de weg naar het hart en de rede om het nog eens ouderwets te zeggen.

De bijbehorende schilderij van Burns, hoe heilig ook, hoe zedig het wolkenwerk ook mag zijn, heeft het over een mooi lichaam, een aantrekkelijk iemand, en dat vertrekpunt hoef je dus niet te ontkennen.

Het was al Sint Paul die zei dat voor de reinen alles rein was, en Augustinus bevestigde dat, maar blijkbaar was dat ‘alles’ beperkt in volume en voorstelling.
Maar de weg naar de beschouwer ligt natuurlijk open.
Publiciteit of kunst is tenslotte de weg naar de kijker, en of het nu om het verspreiden van sportkledij of het propageren van heiligheid is te doen, het doel zal vaak de middelen heiligen en dat mag je inderdaad in allerlei betekenissen opvatten.

dyn006_original_400_500_jpeg_20344_f9caaa5ba683c989f70efb2c43c53d2e

Dat is niet zo maar een vaststelling.
Ze maakt van de toeschouwer de voornaamste medeplichtige om het in criminele zin uit te drukken.
De verbeelding ontstond voor zijn/haar mooie ogen, en als je dat weet besef je dat wat vaak vervloekt wordt in de moraliteit tenslotte in ons allen zeer diep aanwezig is: zin voor het mooie, hunker naar genot, hongerig naar versmelting.

De beeldvijandigheid van de grote monotheïstische godsdiensten heeft zeker daarin een oorzaak, en de vaak lachwekkende en pijnlijke jacht naar zgn. ‘kinderporno’ is in hetzelfde bedje ziek.
Wij vertrouwen onze ogen niet, en nog minder onze aandriften.
In plaats van hen te sublimeren, te gebruiken in de dagelijkse omgeving zullen we ze nog eerder verketteren.
Alsof we daarmee onze eigen aandrang willen beveiligen voor het oordeel van anderen: wij zijn zo niet! Wij zijn gezonde, normale mensen.

Dit is het gemummel in het donker, en willen we de zoekmachines geloven dan zijn die “enkelingen” wel erg actief bezig terwijl de rechtvaardigen zich met wetenschappelijk werk bezighouden.

Wij leven in een tijd van ‘brands’ merken.
Een televisiezender is zelfs een merk geworden.
Een idee als merk.

Merken zijn ook bij kinderen en jongeren erg belangrijk.
Dat begint heel vroeg met studio 100 (heeft hier nog nooit iemand over media-concentratie gekwekt?) dat loopt zeker over allerlei gebruiksspulletjes en mondt alvast uit in kledij, van schoeisel tot haarbedekking en wat zich daar rond en daartussen nog kan bewegen.

In een tijd van merken heb je dus te doen met GEMERKTEN.
Je getuigt door je uiterlijk, je kledij, je accessoires, dat je ergens bij hoort.
Dat ‘ergens’ is inderdaad vaag, niet omschreven.
Maar er zijn duidelijk ongeschreven regels, en ‘nergens’ bijhoren leidt tot een ander soort GEMERKT zijn.
Ik bedoel: het merk zelf heeft geen morele kwaliteiten, het duidt op een hoeveelheid, op een verlangen om met velen te zijn, of juist niet, om bij de ‘uitverkorenen’ te horen.
Daardoor begin je de wereld te verdelen en brand-merk je de anderen.

Hoe benader je merken?
Wat kun je zeggen over de opvoeding tot ‘merk’?
Wanneer ben je merk-waardig?

Kijk met open ogen, je wordt nog niet gemerkt als je dat doet.

Hopen we.