Merk-waardig ben je dus als je bij je merk hoort, als je vertegenwoordigt wat je merk zegt uit te stralen.
En daar heb je natuurlijk al dadelijk het probleem:
Hoe kun je met die betrachting leven als je zelf-beeld helemaal niet aan dat ‘merk’ beantwoordt?

De meeste merken zullen dus zorgen voor een minimum aan moeilijkheden om bij hen te horen, of het althans zo voorstellen.
Beter nog: als je dit merk aanhangt, word je wat het merk belooft: mooi, mager, snel, nooit oud en lelijk, gezond.

De oudste merken waren de mythologische goden.
Maar zij hadden met het verloop van de tijd dit voordeel dat zij zeer menselijke kentrekjes gingen vertonen waarin verraad, ontrouw en andere menselijke zaken nooit veraf waren.

Een merk is een grootste gemene deler, of beter nog: het kleinste gemeen veelvoud.
Een merk is hoe dan ook on-persoonlijk.
Een merk ontkent het hebben van een zelf-beeld tenzij het beeld dat het merk zich heeft toegeëigend.
Een merk is een hedendaags ideaalbeeld waarmee iets aan de man, vrouw of kind kan gebracht worden.

In de marketing moraal vindt het merk de klant uit, al zal de marktdeskundige het tegenovergestelde beweren.
De interpretatie van het klantenprofiel richt zich onmiddellijk naar de verkoopbaarheid van het product.

En nu zijn we terug bij Disney waarmee deze serie begon: het merk vindt de klant uit, de klant gaat zich naar het merk richten en het merk corrigeert zich, vergroot de omvang van de grootste gemene deler of het kleinste gemeen veelvoud (wordt “passender” heet dat dan!) en dit beïnvloedt weer het gedrag van de klant die…enz.

Frankenstein is geen vreemdsoortig monster meer.
Het is ontstaan uit de drang om de wereld en haar ideeën en emoties VERKOOPBAAR te maken.

dyn006_original_610_556_jpeg_20344_9fca2df9a34525261f473daaf301485b

Wij zijn ons steeds meer en meer gaan richten naar die verkoopbaarheid omdat de marketing ons de mogelijkheid biedt ons zelfbeeld UIT TE SCHAKELEN of op een erg lage snelheid te laten draaien. (het uiterlijke zonder innerlijke bijvoorbeeld, het bestaan met primitieve motieven van hebben, meer hebben, alles hebben)

Het kinderbeeld heeft dus weinig of niets te maken met een kinder-persoonlijkheid.
Het is een prachtig ideaal beeld gericht op BEZIT (MIJN kind dat in MIJN huis past)) op WED-ijver (jij bent de slimste, de snelste), en op alles wat wij als volgroeiden niet meer hebben: JEUGD, ONSCHULD, AANHANKELIJKHEID. (het kind als huisdier)

Frankenstein is uitermate mooi geworden.

Maar de kunstmatigheid van het beeld is wellicht monsterlijker dan het gruwelijke uitzicht waarmee hij ons in filmen en boeken overvalt.

Want dit bezit moet verdedigd worden, beveiligd, geïsoleerd dus.
De wedijver vraagt een blinde aanpassing aan wat de mensen zoals doen om de macht te veroveren en te behouden.
En de creatie van dit onschuld-ideaal spreekt het vrij van elke verantwoordelijkheid waarmee deze noodlottige opvoeding hem heeft opgezadeld. (de dubbele moraal om maar iets te noemen)

Een zelf-beeld immers zorgt voor zelf-analyse, onderzoekt de motieven voor je eigen gedrag en het bedrog dat je voortdurend tegenover jezelf pleegt.
Een zelfbeeld stuwt je waarschijnlijk uit de vaart der mooien, slanken, en super-verstandigen, want oog voor het mankement en erfelijke factoren, naast geaardheid en zin voor solidariteit maken van jou een ‘lastige KLANT’, om het in marketing termen te blijven zeggen.

Waar is het kind?
En als we het al aantreffen, wat weten we van zijn werkelijk bestaan?

Heel weinig mag het nederig klinken.