Waarde vriend in de Big-Apple

De grootste ontdekking van mijn zesjarig kleinkind op het land was het feit dat appels zichtbaar aan de bomen groeiden.
En dat ze bijgevolg ook van die bomen in het gras konden vallen.

Ze droeg de oogstappel bijna als een heilig ding mee naar het landhuis.
Daar werd de appel geschild, de inwonende kleine made bestudeerd, en werd de vrij mismaakte appel in partjes gesneden en uitgedeeld.

Ze wilde onmiddellijk terug naar de boomgaard om het wonder te herhalen.

De oogstappel, of volgens kenners de St.-jacobsappel, of de Blanke Madeleine, The white Transparant, of Transparante Blanche, oder der Weisser Klarapfel zou uit (west) Rusland komen.

De oudere hoogstammen geven inderdaad vaak misvormde appels, en zeker als de bestuiving niet helemaal dat is ( best bestoven door Transparante de Croncels, Jonathan of Keswick Codlin, zegt Bart Vancoppenolle in zijn ‘Eigenwijze Tuin’ website) dan krijg je de mij intussen zeer bekende zielige maar erg smakelijke appel: wit sappig vruchtvlees, zachtzure smaak.
Geliefd als één der allervroegste handappels.

De oogstappel, dat was: vakantie.
De boomgaarden in het vroegere verre landhuis van mijn jeugd.
Nu zijn de hoogstammen helaas bijna allemaal verdwenen door de rooipremies van de Europese gemeenschap, maar in mijn kinderjaren boden ze naast beschutting voor de warme dagen ook nog een rijpingsnest voor de allerlekkerste Weisser Klarapfel.

Je zou hem vanaf half juli kunnen plukken, maar de zomers van hier maakten hem een tot een echte augustusappel, de allervroegste handappel zoals Bart dat zo mooi zegt.

Appels in het morgengras.
Ik herinner mij dat Tarkovski appels gebruikt in zijn prachtige film ‘Iwans jeugd’, een vrachtwagen vol appels die op het strand uitrollen en door vlezige paardenlippen worden gegeten.

Ik herinner me ook dat ik ze in een rieten korf verzamelde.
De combinatie riet en fruit is net zo mooi als appelen in een koperen schelp van de grote weegschaal in het melk- en boterhuis van de boerderij waar ik later met mijn vader appels ging kopen.

Appels uit mijn allervroegste kinderjaren: in lange rijen gelegd in mijn kinderkamer, en als ik als twee-driejarige uit mijn middagslaapje ontwaakte probeerde ik ze te grijpen, rolden ze weg en hoorde ik meteen de boze voetstappen van mijn vader die me op heterdaad betrapte.

dyn004_original_590_581_jpeg_20344_215fa5d5b14e2562ff369ea5a336802e

Appels op de zolders van mijn grootvaders. Winterfruit.
Spreek dat woord zacht uit: winterfruit.
Het is een gebed.
Ik weet niet tot welke godheid, maar het verenigt de zomer met de koude winterdagen.

Wijnappeltjes in de tuin, herinnert U de rode wijnappeltjes waarvan ook het vruchtvlees transparant rozig-rood was?

En appelmoes?
Nog zo’n kinderwoord.
Het was het eerste (en vrijwel ook het laatste) dat ik probeerde te koken.
Olim meminisse.
Warme appelmoes, of de smakelijke koude met brokjes appel?
Uitgestreken op een taartbodem, of ingebakken in bladerdeeg als er feesten in de lucht hingen?

Ik begrijp heel goed dat de zondeval rond een appel draaide.

En tijdens de dagen op het land sloot die kring zich.
Het meisje met de oogstappel.
Als de grond er niet zo kalkrijk was zou ik onmiddellijk een boomgaard laten aanplanten.
Een grote notenboom en een appelgaard, om de kersen niet te vergeten, want de reusachtige witbuik-kerselaar uit mijn kinderjaren is in mijn herinneringen blijven bloeien.

(de foto is van Erik van Asten)