DE ZIEL IN HET GLAZUUR

Met een beetje schroom en veel bewondering stel ik je deze grote prachtige theepot voor.

Op de onderkant van de unieke theepot is hij getekend door “D. Ferguson, Pigeon Forge Pottery.
En dan begon mijn zoektocht.
Ik neem je mee naar Tenesee, Pine Road in Norris, USA.
In 1935 ontstaat daar het nu bijna vergeten “The Ceramics Research Laboratory” .
Op zoek gaan naar de natuurlijke grondstoffen van de vallei was de opdracht, en inderdaad, de klei van ter plekke bleek wonderwel geschikt om er porselein en keramiek van te maken.(een erg goede soort kaoline, de basisstof van porselein werd er gevonden)

Maar zoals het vaak gaat worden goede projecten om allerlei duistere redenen stop gezet.
Er was echter Douglas Ferguson die in het laboratorium had gewerkt.
Hij huwde de dochter van een pottenbakker en samen begonnen ze in 1946 “The Pigeon Forge Pottery”, in Pigeon Forge, Tenessee, in de nabijheid van “the great Smoky Mountains”met de rode klei van naast de deur.

Het werd een van de eerste toeristische attracties in een streek die weldra een welig vakantie-oord zou worden.

Doug Ferguson kreeg nationale bekendheid en zijn werk kreeg waardering, en ik citeer, voor “the exquisite texture of its fine clay and the richness of its multicolored glazes.”

In 2000 overleed Doug Ferguson en werd de Pottery gesloten.

Deze theepot, een unicaat, getekend is zo’n prachtig stuk.
Kijk naar de mooie glazuren die hij in elkaar laat vloeien en waar water en vuur elkaar schijnen te ontmoeten.

Er werkten verschillende decorateurs in de potterie, maar deze draagt de handtekening van Douglas Ferguson zelf.

Het is een prachtstuk, een van de mooiste items uit mijn collectie.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Deze glazuursoorten waren eerder zeldzaam want meestal gebruikte hij een soort ‘lava’ glazuur op witte, bruine of zwarte achtergrond.
Ook daarvan heb ik nog een prachtige grote schotel in mijn collectie.

Al is Douglas Ferguson nu bijna zes jaar geleden overleden, hij verspreidt zijn aanwezigheid veelvuldig langs dit nagelaten werk.

Als je hieruit thee drinkt, smaakt niet alleen de thee maar voel je de hand van de meester en kijk je met dezelfde liefde samen naar de kleuren van het glazuur.

Ik denk dat we ons te veel blindstaren op de grote ‘kunsten’ terwijl de toegepaste kunst vaak het gedoe en geleuter overstijgt in haar wonderlijke combinatie van vakmanschap en artisciteit.

Degene die deze items koopt, zal een eed moeten zweren hen dezelfde liefde te betuigen.

Dat is het mooie van materialen.
Als ze vals of fout zijn, is het de schuld van de maker.De materialen zelf verraden je nooit.

Zo blauw de hemel of het water
en zacht daarover het intense vuur.

De liefde gelijk.Schroeiend, maar voor altijd.

Nog dromerig blauw,
een meisjesvoet
een glimlach bij ’t ontwaken,
en daarover de ingebrande vurigheid.

Elke smaak,
een mélange van beiden.


 

LULLABY W.H. AUDEN

Lay your sleeping head, my love,
Human on my faithless arm;
Time and fevers burn away
Individual beauty from
Thoughtful children, and the grave
Proves the child ephemeral:
But in my arms till break of day
Let the living creature lie,
Mortal, guilty, but to me
The entirely beautiful.

Soul and body have no bounds:
To lovers as they lie upon
Her tolerant enchanted slope
In their ordinary swoon,
Grave the vision Venus sends
Of supernatural sympathy,
Universal love and hope;
While an abstract insight wakes
Among the glaciers and the rocks
The hermit’s carnal ecstasy.

Certainty, fidelity
On the stroke of midnight pass
Like vibrations of a bell
And fashionable madmen raise
Their pedantic boring cry:
Every farthing cost,
All the dreaded cards foretell,
Shall be paid, but from this night
Not a whisper, not a thought,
Not a kiss nor look be lost.

Beauty, midnight, vision dies:
Let the winds of dawn that blow
Softly round your dreaming head
Such a day of welcome show
Eye and knocking heart may bless,
Find our mortal world enough;
Noons of dryness find you fed
By the involuntary powers,
Nights of insult let you pass
Watched by every human love.

January 1937
Copyright 1976

W.H. AUDEN


Op een vooruitspringend grondje ligt links de stervende Adonis met het bovenlichaam tegen een verhoging voor een boom waarvan slechts de stam en een klein deel van de kruin is weergegeven. Het naar achteren vallende hoofd met geopende mond is naar de beschouwer gekeerd; de rechterarm hangt slap omlaag, de linkerhand ligt in de schoot. Venus, die van rechts komt aangesneld, houdt de rechterhand voor zich uit en de linker met gespreide vingers achterwaarts omlaag. Achter haar daalt uit de wolken een gevleugelde Amor neer, die wenend zijn knuisten tegen het gezicht drukt. Achter Venus een everzwijn in profiel naar rechts. Adonis, die op pijl en boog ligt, is gekleed in een hemd met omgeslagen mouwen, dat om het middel is samengegord, en heeft een mantel, waarop hij ligt en waarvan een deel over linkerschouder en -arm loopt. Van de rechterschouder gaat de riem van de koker met pijlen, waarvan slechts het bovendeel zichtbaar is, schuin naar rechts; de voeten steken in sandalen. Venus’ haar, bij de slapen in vlechten opgenomen, wordt samengehouden in een knot op het hoofd. Zij is vrijwel naakt, de op de rug fladderende mantel loopt over beide armen en bedekt de schoot.(rijksmuseum Amsterdam)


DE AFWEZIGHEID

Natuurlijk heeft de afwezigheid een grote melancholie in zich: af-wezig zijn staat vrij dicht bij af-lijvig.

Het gaat om het niet meer waarnemen van degene die je lief was, of in wiens gezelschap je graag verbleef, of die pas door zijn/haar afwezigheid laat aanvoelen wie hij/zij was.

Tegelijkertijd is de afwezigheid vals.
Wie er niet (meer) is ontsnapt aan de wetten van het dagelijks doen en laten.
Hij ontsnapt aan het banale.
De afwezigheid vergroot iemands vroegere aanwezigheid, vervalst de proporties, wekt verlangens op die eenmaal gestild vrij lachwekkend kunnen overkomen.

Zoals de stilte ons bewust maakt van het geluid -luister één minuut in de nachtelijke stilte, en je zult versteld staan hoeveel geluiden je waarneemt- zo is de afwezigheid een suggestieve term om het aanwezige op te roepen.

Fruit in een schaal, een stoel, een appel met mes op een bordje.
Bloemen.

Misschien is hij net opgestaan, weggegaan nog voor hij de appel heeft gegeten.
Riep het kind in zijn bange droom?
Was hij te laat voor de trein?

Over de stoel hangt een theedoek.
Achter gelaten nadat hij in de keuken nog de afwas heeft gedaan?
Of is hij niet zo ver gekomen en was zijn plotseling vertrek bittere noodzaak, liet hij de theedoek op de stoel achter net voor hij zijn jas aantrok?
Een teken van afwezigheid, deze te grote zakdoek waarmee je op het schip de mensen op de kade vaarwel wuift.

Alleen de glans vertelt over de stilte.
De glans op het hout waarin de roerloze dingen zich vaag weerspiegelen.
En de kleuren.
De kleuren van de bloemen die er een beetje verlept bijstaan.

Zijn de appelen vers geplukt?
Was hij deze morgen nog in de boomgaard, en liet hij de appelen achter als groet, als eet-dit-tot-mijn-gedachtenis?

En wordt het ook herfst aan zee, de plaats van de eeuwige grote-vakantie?
Zie je hem over de zee in zichzelf kijken.

Misschien gedachteloos, een deel van het strand, de laatste bader voor de najaarsstormen de kustlijn weer schoon vegen?

Maar zou het kunnen dat de schilder-voor hij het huis verliet- op zoek was naar de voorbije jongen?
De jongen die hij was.
Toen hij nog ogen had om naar de zee te kijken?

De jongen uit de jaren twintig.
De jongen met dat blauwe badpak.

Man en jongen zijn gemakkelijk bij elkaar te brengen in die alles verterende afwezigheid.

Komt zijn achterkleinkind thuis van de eerste schooldag, alles nieuw, de geur van potloden en schriften nog in haar haren.

Het huis zonder haar herademt.

De jongen en de schilder hebben elkaar gevonden.
Een naam op een steen.
Eeuwige vergunning.
Toen eeuwigheid nog te koop was.