STRAAT

Lieve Vriendin,

Niet alleen gebruik ik het net om je te schrijven, maar tegelijkertijd laat ik je mooie foto’s hier verschijnen, zoals die foto ‘Kremmenerstrasse, 12′ die inderdaad heel mooi aansluit bij de teksten van gisteren waarin ook de schoonheid in het ogenschijnlijke verval werd verhaald.

Toen de ons bekende H. die foto’s zag zei ze met haar zeven jaar en half: weet je, opi, ik vind die oude huizen soms nog mooier dan de nieuwe want hier is veel gebeurd en je vraagt je af wie er hier heeft gewoond en wat hen is overkomen.

De fascinatie voor het blijkbaar voorbije ent ik al dadelijk op het filosofische begrip: ‘bekend zijn met’, daar waar onze wereld het steeds maar heeft over het ‘weten’ of ‘kunnen’.

De amusante show op de VRT ‘De slimste mens’ bevestigt dat cliché: het komt erop aan te weten en niet ‘bekend te zijn met’.

Je kunt te weten komen wie er in de vervallen huizen heeft geleefd, je kunt hun verleden achterhalen en in een wetenschappelijke bronnenstudie vastleggen, maar het brengt je vaak geen stap dichter bij het ‘bekend zijn met’.

Ik wil vermijden een tegenstelling te scheppen tussen wetenschap en ‘bekend zijn met’, maar waarschijnlijk gaat het ons meestal om dat weten, worden de prijzen uitgereikt aan de veel-weters, de reproduceerders en lopen mensen die het ‘bekend zijn met’ nastreven vlugger in de schaduw van de prestatiemaatschappij.

Zo is de vraag die een antiquair krijgt eerder: weet je wat het waard is, dan wel: kun je er de geschiedenis van vertellen?

Hier heb je opnieuw de opdeling tussen weten en bekend zijn met.

Mensen zoals Jung die probeerden dat ‘bekend zijn met’ te verzoenen met het weten kregen het bij de wetenschappers erg moeilijk omdat je het bekend zijn met niet in oorzaak en gevolg kunt uitdrukken.

dyn008_original_519_389_jpeg_20344_5faac4f4400b2a039e89c3313ec9e634

Als ik je foto’s van de Kremmenerstrasse bekijk (een straat die overigens krioelt van de therapeuten zie ik via Google) dan ben ik ook weer in Berlijn.

Je foto’s bezitten dus de wonderlijke eigenschap om mijn bekend zijn met die stad weer opnieuw boven te halen.

Vooral ook Berlijn in de late herfst.
Er hangt een licht over de stad waarin het donker al van ’s middags zijn ellebogen doorsteekt. (oneerbiediger: de tenen van het donker door de kapotte sokken van de dag).

Dat licht voel je ook hier, maar vermits Berlijn toch meer centraal Europa is, zal de kou er eerder toeslaan, een droge kou overigens die dat late licht een speciale toets meegeeft.

Het is het Sinterklaas- en kerstlicht, de verlichte etalages die al vanaf drie uur ’s middags hun buik vol gelig lamplicht hadden in onze jeugd, geligheid die nu naar het witte, het heldere plasjeslicht van de spotjes is verschoven.

Schilders kijken weemoedig bij zoveel strijklicht als de zon toch nog verschijnt en de daken met te vroeg kerstgoud decoreert.
Het licht van ’t heerlijk avondje is gekomen, en zie de maan schijnt door de bomen.

Als kind weet je dat het heidense mysterie van de winterwende nog bestaat: de lichten in de klas die vaak ’s middags al branden, de pakjestijd om het donker te verdrijven, en het heerlijk veel te veel van de feesttafels waarmee wij onze muizenissen bij zoveel duisternis moeten weg-eten.

Ik moet koffers gaan kopen want de hele zwik verhuist vrijdag naar Antwerpen, en met die zwik bedoel ik de meer dan 1000 items van onze antiek-collectie.

Ik stuur je de gevraagde kaartjes vandaag nog, ze liggen klaar bij het mooie glaswerk en de zilveren kruikjes die richting Duitsland moeten.

Vervolgt dus.