dyn002_original_500_487_jpeg_20344_2382c5309d7668cd9f9c3a4e7b65ce58

Ottakring was vroeger een voorstadje van Wenen maar werd einde 19de eeuw als 16de district bij de Weense waterkop gevoegd.
Iets van het desolate is er lang blijven hangen, kijk maar naar de foto’ s.

dyn002_original_500_368_jpeg_20344_ac7b8c097469f31042ed26e9be149c55

Wenen was zeker bij de eeuwwisseling een stad met een hoog ‘Antisemitismus’ gehalte.
Albert Ehrenstein werd dus al vlug op school bespot:
‘Geh zum Teufel, Saujud verfluchter!’

dyn008_original_350_441_jpeg__6207f0827f49649064c71f707d106481

Een van zijn mooiste en tegelijkertijd droevigste herinneringen is de figuur van zijn ‘Urgrossmutter’ die hem vaak tegen de pesterijen van zijn moeder beschermde en hem meermaals Madeira-druiven schonk.

‘Als die Urgrossmutter starb, sanft, aber eben doch starb, da rannte ich hinaus und biss im Gras und wälzte mich in den Pfützen und weinte und fluchte- ohnmächtig.
Seither starb mir niemand mehr, und wer dem Anschein später starb, war mir schon damals mit der Urgrossmutter begraben worden.’

Op zijn 23ste promoveerde Albert in 1910 met een dissertatie over de Hongaarse geschiedenis.

In datzelfde jaar publiceerde Karl Kraus in zijn tijdschrift ‘Der Fackel’ in Wenen een gedicht van Ehrenstein dat door zijn woeste toon spraakmakend werd in de koffiehuizen van Wenen en Berlijn, ook al droeg het de eerder romantische titel ‘Wanderslied’.

Meine Freunde sind schwank wie Rohr,
Auf Ihre Lippen sitz ihr Herz,
Keuschheit kennen sie nicht;
Tanzen möchte ich auf ihren Häuptern.

Mädchen, das ich liebe,
Seele der Seelen du,
Auserwählte, lichtgeschaffene,
Nie sahst du mich an,
Dein Schoss war nicht bereit,
Zu Asche brannte mein Herz.

dyn006_original_480_388_jpeg__c5eb2f08858dfaf67bd4607a64e2d601

Ich kenne die Zähne der Hunden,
In der Wind-ins-Gesicht-Gasse wohne ich,
Ein Sieb-Dach ist über meinem Haupte,
Schimmel freut sich an den Wänden,
Gute Ritzen sind für das Regen da.

‘Tote dich’ spricht mein Messer zu mir,
Im Kote liege ich;
Hoch über mir, in Karossen befahren
Meine Feinden den Mondregenbogen.

Niet toevallig koos ik bij dit gedicht het schilderij ‘De Windbruid’ van Otto Kokoschka.
Het is een beetje later ontstaan, tussen 1912-1913, wanneer zijn relatie met Alma Mahler op haar laatste voeten loopt.
Zij is immers niet meer zijn bruid, ze wil zelfs zijn kind in haar zwangere buik niet houden. Ze is de bruid van de wind.

Alberts en Oskars wegen zullen elkaarr kruisen bij Ehrensteins meesterwerk ‘Tubutsche’ waarin het grauwe van het niets (om Samuel Beckett te citeren) door de jonge Oskar Kokoschka zal geïllustreerd worden.

Laat Beckett die emotie maar aanvullen:
‘..Scham über eine verfehlte Existenz, Lebensverachtung, Todesbereitsschaft und die Suche nach Teilhabe am Leben, nach Gefühl, nach Bewusstsein.’

Die verschrikkelijke melancholie hangt over een voorbij Europa dat zich weldra in de gruwelijke eerste wereldoorlog zal verliezen, voor altijd de onschuld van de Wiener Walz achter zich zal laten.

Daarin komt Tubutsch tot leven:

‘Mein Name ist Tubutsch, Karl Tubutsch. Ich erwähne das nur deswegen weil ich ausser meinem Namen nur wenige Dinge besitze.

dyn004_original_573_285_jpeg__4679ed7199155bb1ad60880c37b01cbd

‘…Es ist nicht die Melancholie und Bitterkeit des Herbst, nicht die Vollendung einer grösseren Arbeit, nicht die Benommenheit des aus langer, schwerer Krankheit dumpf Erwachenden, ich verstehe überhaupt nicht, wie ich in diesen Zustand versunken bin.
Um mich, in mir herrscht die Leere, die Öde, ich bin aussgehölt und weiss nicht wovon, Wer oder wie dies Grauenvolle heraufgerufen hat: der grosse anonyme Zauberer, der Reflex eines Spiegels, das Fallen der Feder eines Vogels, das Lachen eines Kindes, der Tod zweiere Fliegen: danach zu forschen, ja auch nur forschen zu wollen, ist vergeblich, töricht wie alles Fahnden nach einer Ursache auf dieser Welt.
Ich sehe nur die Wirkung und Folge; dass meine Seele das Gleichgewicht verloren hat, etwas in ihr geknickt, gebrochen ist…’

Dit is van zo’n verschrikkelijke schoonheid dat je zelfs een Duits woordenboek erbij mag halen om enkele begrippen te vertalen, maar meestal vloeien ze uit elkaar voort, openen ze elkaars perspectief.
Het menselijk masochisme.
De ziel die voortdurend zichzelf kwetst.
Gevoel en verstand liggen in een hopeloze tweestrijd.
Het zoeken naar wie je bent, naar je identitiet leidt niet naar bevrijding, maar eerder naar een voller bewustzijn van je geketend zijn aan je eigen fouten en mislukkingen.

Vraagt inderdaad om een vervolg.